juridisch kronieken

Kroniek
Tuchtrecht

Deze Kroniek behandelt de uitspraken van de tucht­rechter uit de periode april 2022 tot maart 2023 op het gebied van het materieel tuchtrecht en het tuchtprocesrecht die interessant, nuttig of illustratief zijn voor de praktijk.

Kernwaarden

De trend dat de tucht­rechter de kernwaarden betrekt bij het beoordelen van een voorgelegde klacht heeft zich ook in het afgelopen jaar voortgezet. Indien een klacht waarbij kernwaarden een rol spelen gegrond wordt verklaard, en er aldus sprake is schending van een of meerdere kernwaarden, dan volgt vanwege de verwijtbaarheid van de gedraging als maatregel minimaal een berisping.

De kernwaarden kunnen ook een rol spelen bij de afweging om de behandeling van een klacht na intrekking door de klager ambtshalve voort te zetten. Voortzetting van de klachtbehandeling om redenen ontleend aan het algemeen belang kan onder meer in de rede liggen indien het hof op basis van het dossier aanwijzingen ziet dat een tuchtzaak mogelijk aan de kernwaarde (financiële) integriteit raakt. Hiervoor is dus niet noodzakelijk dat al bij voorbaat vaststaat dat deze kernwaarde is geschonden (HvD 6 februari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:26).

Naast het hanteren van de kernwaarden als tuchtrechtelijke maatstaf heeft het Hof van Discipline ook uitleg gegeven wat die kernwaarden omvatten. De kernwaarde partijdigheid brengt voor een advocaat mee dat de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt bepalend zijn bij de uitvoering van een opdracht en dat de advocaat uitsluitend instructies ontvangt van zijn cliënt. Dat betekent niet dat hij zonder meer gehouden is om al hetgeen te doen dat hem door zijn cliënt wordt opgedragen. De advocaat behoort zich, gelet op het vereiste van onafhankelijkheid, niet met zijn cliënt te vereenzelvigen. De afgelegde advocateneed of -belofte stelt duidelijke grenzen aan de uitvoering van opdrachten van een cliënt. Een partijdige belangenbehartiging brengt bovendien niet mee dat de advocaat bewust onwaarheden zou mogen spreken of in strijd met een goede procesorde of rechtsbedeling zou mogen handelen. Belangenbehartiging van cliënten mag alleen met rechtmatige middelen worden nagestreefd. De advocaat behoudt zijn eigen verantwoordelijkheden ten aanzien van het handelen overeenkomstig de wet en het recht (HvD 6 februari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:21).

Als lid van een door de wet bijzonder gepositioneerde beroepsgroep dient een advocaat bij te dragen aan de integriteit van zijn beroepsgroep. Integere beroepsuitoefening is essentieel om de bijzondere positie van de advocaat te legitimeren en het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen. Integer wil zeggen dat de advocaat boven de zaak staat, hij belangenverstrengelingen tegengaat en zich kan verantwoorden voor zijn keuzes, gegeven zijn geprivilegieerde rol binnen de rechtsorde. De kernwaarde integriteit leidt er – uiteraard – toe dat een advocaat ook in financiële aangelegenheden betamelijk moet handelen. Deze verplichting geldt tegenover de eigen cliënt, de wederpartij, maar ook tegenover derden (HvD 6 februari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:26).

De kernwaarde onafhankelijkheid geldt ook ten aanzien van de professionele distantie die de advocaat ten aanzien van zijn cliënt in acht dient te nemen. Als een advocaat voor zijn partner optreedt, waarbij ook zijn persoonlijke belangen een rol (kunnen) spelen, bestaat het risico dat de advocaat niet voldoende afstand tot zijn cliënt en/of tot de zaak heeft. Een advocaat die met zijn echtgenote een appartement in een appartementencomplex bewoonde, trad op als advocaat tegen medeappartementseigenaren, buren en de VvE in een zaak waarin de gemoederen hoog waren opgelopen. Naar het oordeel van de tucht­rechter was deze advocaat inderdaad te weinig onafhankelijk van zijn cliënte om haar op objectieve wijze bij te staan. Het gebrek aan onafhankelijkheid bleek uit de wijze waarop hij zijn zorgen over de gang van zaken in de VvE naar voren bracht en waarbij hij bestuurders en andere leden van de vve en een deskundige beschuldigde van ernstige (strafbare) feiten, zonder daarbij op enige wijze te laten blijken dat hij openstond voor mogelijke redelijke verklaringen voor wat hij als ‘rode vlaggen’ in de boekhouding beschouwde of zijn andere verdenkingen. Daarbij schuwde hij niet om door toon en taal en door het schermen met wat hij als advocaat zou kunnen doen, degenen die hij zag als tegenstanders te intimideren. Anders dan de raad oordeelde, was volgens het hof geen sprake van (privé)handelen dat absoluut ongeoorloofd is, maar was bij het handelen sprake van onvoldoende distantie zowel in zijn optreden als advocaat op de VvE vergaderingen als in zijn rol als medebewoner nu zijn gedragingen voldoende verband met de praktijkuitoefening hadden om dit onder het tuchtrecht te kunnen beoordelen. Hierdoor is de kernwaarde onafhankelijkheid geschonden en kon door dat handelen het vertrouwen in de advocatuur geschaad worden (HvD 20 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:104).

De kernwaarde onafhankelijkheid dient een advocaat er van te weerhouden zijn eigen belang een bepalende rol te laten spelen. Dat ondervond ook de advocaat die voor zijn hoogbejaarde cliënte in een echtscheidingszaak een oplossing vond voor de (advocaat)kosten. Hij bemiddelde bij het verkrijgen van een lening. De advocaat schreef zijn cliënte dat het regelen van die lening niet gemakkelijk was bij gebrek aan een onderpand. De verklaring die hij als advocaat erbij moest afgeven aan de leninggever was wel doorslaggevend geweest. Voor de lening van € 13.500 tegen 11% rente wilde de advocaat als tussenpersoon de bijkomende kosten voor het opmaken van de overeenkomst van geldlening in rekening brengen. Met de raad was het hof van oordeel dat de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënte te veel zijn eigen financiële belangen heeft laten meewegen, in het bijzonder door buitensporig te declareren en zijn cliënte te willen faciliteren bij het afsluiten van een lening met voor haar bijzonder bezwarende voorwaarden om zijn declaraties te voldoen. Naar het oordeel van de tucht­rechter betaamt het een advocaat niet om zijn cliënte te adviseren over het afsluiten van een geldlening die in ieder geval voor een deel dient ter betaling van zijn eigen declaraties, temeer niet nu het desbetreffende verzoek niet van zijn cliënte afkomstig was, maar van een zoon die daarbij wellicht een eigen belang had. Daarmee zou de advocaat bovendien de kennelijke schulden die klaagster had slechts vergroten, gezien het rentepercentage (HvD 6 februari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:26).

Aan de kernwaarde partijdigheid stelt het hof ook grenzen, in het bijzonder in familiekwesties waarin geldt dat een advocaat moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden. Van de advocaat mag dan een zekere terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. De advocaat moet van geval tot geval afwegen: (i) het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, (ii) het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen van een procedure, (iii) het verloop van het geschil tot dan toe en (iv) de kans op succes van een procedure. In de zaak waarin een advocaat de vrouw adviseerde om op eigen initiatief de omgang met de kinderen te schorsen die door de rechter was vastgesteld, oordeelde de raad dat het een advocaat vrijstaat om de wens van zijn cliënt tot het staken van de omgang kenbaar te maken aan de wederpartij. Dat deze wens op gespannen voet staat met eerdere rechterlijke uitspraken betekent niet zonder meer dat de advocaat onbetamelijk of onzorgvuldig handelt. Volgens het hof was de advocaat niet gehouden om de informatie van zijn cliënte (de moeder) over de invloed van klager op de kinderen te verifiëren en daarmee de door haar gestelde grond te controleren voor het wijzigen en niet-naleven van de omgangsregeling. In uitzonderingssituaties zou dat het geval kunnen zijn, maar een dergelijke situatie deed zich hier niet voor. Op het moment dat de advocaat zijn cliënte ging bijstaan, werd de omgangsregeling al niet meer (volledig) nageleefd door zijn cliënte. Dat de advocaat daarin een sturende rol heeft gehad, was volgens het hof dan ook niet aannemelijk. Dat ook instanties zoals Jeugdbescherming adviseerden de omgangsregeling volledig na te leven, was in deze zaak niet van doorslaggevend belang: als advocaat van zijn cliënte diende hij namelijk partijdig te zijn en primair haar belangen te behartigen. Dit brengt mee dat de advocaat niet tegen de wens van zijn cliënte in zorg kon (en moest) dragen voor naleving van de omgangsregeling, zoals de rechter die had vastgesteld.

Overigens betekent de partijdigheid niet dat de advocaat zich mocht vereenzelvigen met de standpunten van zijn cliënte. Terecht zag de advocaat in dat hij in zijn communicatie naar de vader onvoldoende duidelijk is geweest waar hij opvattingen van zijn cliënte verwoordde en waar hij zijn eigen standpunt als advocaat naar voren bracht. Naar het oordeel van het hof overtrad hij daarmee echter niet een tuchtrechtelijke norm (HvD 2 december 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:167).

Omgang met getuigen

Zoals te verwachten viel, worden meer en meer uitspraken gewezen over de in februari 2018 veranderde gedragsregel over omgang met getuigen. Dat zijn meestal klachten tegen de advocaat van de wederpartij.

De advocaat mr. X die een van de participanten in een joint venture bijstond, kreeg een probleem toen hij een oud-adviseur van de joint venture benaderde. Die adviseur was door de wederpartij al genoemd als getuige over de inhoud van de afspraken tussen de participanten in de joint venture. Er was ook een schriftelijke verklaring van die adviseur overgelegd. Mr. X nam contact op met de adviseur, zond hem de conclusie van antwoord en vroeg hem om uitleg over die schriftelijke verklaring: de adviseur was toch immers (ook) adviseur geweest van zijn cliënten en door deze goed betaald? De verklaring stond volgens de cliënten van mr. X haaks op de werkelijkheid en dat vond mr. X bedenkelijk. Hij stelde de adviseur vervolgens aansprakelijk voor de schade die zijn cliënten zou lijden door het onrechtmatig handelen respectievelijk de toerekenbare tekortkoming van de adviseur. Dat leverde mr. X een klacht op van de wederpartij: door de getuige te benaderen en aansprakelijk te stellen, zou hij in strijd met gedragsregel 22 hebben gehandeld. De raad volgde de klaagster daarin. De adviseur was een getuige, die al als zodanig was genoemd en ook al een schriftelijke verklaring had afgelegd. Het bericht van mr. X aan de adviseur had volgens de raad het kennelijke doel om de adviseur anders te laten verklaren dan hij schriftelijk al had gedaan. Het hof ging er nog iets verder op in. De gebruikte bewoordingen maakten dat het bericht méér was dan alleen een paar kritische vragen aan de adviseur. Door ook de conclusie van antwoord toe te zenden, liet mr. X blijken het verschil van inzicht niet in de procedure maar eerder aan de orde te willen stellen. Dat is ongeoorloofde beïnvloeding, aldus het hof. Mr. X krijgt een berisping (HvD 6 februari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:24).

Ook de advocaat mr. Y die de ex-werknemer van zijn cliënt had bezocht, kreeg een klacht. Zijn cliënt had de wederpartij hoger beroep zien instellen tegen een voor de cliënt gunstig vonnis. De wederpartij had ook een voorlopig getuigenverhoor aangevraagd. De ex-werknemer stond in het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor als getuige genoemd. Nadat mr. Y een verweerschrift tegen het verzoek had ingediend, nam de ex-werknemer zelf contact op met mr. Y om te vertellen dat hij zich eigenlijk onder druk gezet had gevoeld door de wederpartij. Hij deelde mee dat er ook nog een schriftelijke verklaring van hem was, die mr. Y kennelijk nog niet kende. De ex-werknemer wilde een gesprek. Daar is mr. Y niet meteen op ingegaan, maar vervolgens vond dus toch een bezoek plaats. Tijdens dat bezoek toonde mr. Y een document waarover de ex-werknemer had verklaard, maar waarvan de ex-werknemer de inhoud niet meer scherp voor de geest had. Hij wilde het document zien om het geheugen op te frissen, aldus ook mr. Y. De raad vond dat toch te ver gaan. Door op het verzoek van de ex-werknemer in te gaan, en het document te bespreken, had mr. Y op zijn minst de schijn gewekt de getuige te willen beïnvloeden. Wat er in het gesprek was besproken, was ook niet vast te stellen. Volgens de raad had mr. Y gewoon niet in gesprek moeten gaan over de inhoud van het geschil. De raad legt een waarschuwing op (RvD Den Haag 14 november 2022, ECLI:NL:TADRSGR:2022:197).

In een volgende zaak stond de advocaat juist aan de kant van de appellanten/verzoekers. Mr. W stond zijn cliënten bij in hoger beroep (en niet eerder). Hij verzocht ook om een voorlopig getuigenverhoor en kondigde daarin tien te horen getuigen aan. Nadat de eerste getuigen waren gehoord en er nog vier op de nominatie stonden, zond mr. W aan deze laatste vier een groot aantal stukken toe, met, dat dan weer wel, bericht aan het hof dat zulks was geschied, met een keurige lijst welke getuige welke stukken had ontvangen, geselecteerd naar ambtsperiode van de betreffende getuige. Later, na bezwaar, zijn de stukken ook aan de wederpartij gezonden. Uiteindelijk leidde het tot een klacht van de wederpartij tegen mr. W. Ook mr. W beriep zich op het opfrissen van het geheugen (opfrisplicht). Daar ging de raad echter niet in mee. Als er al een opfrisplicht is, is dat niet primair de verantwoordelijkheid van de advocaat, aldus de raad. De getuigen hadden zelf ook aangegeven in verlegenheid te zijn gebracht door de documenten en zich afgevraagd of zij door kennisneming daarvan niet beïnvloed zouden worden. Eén van de getuigen had zelfs verklaard dat het beeld van de kwestie door het doornemen van de stukken echt was gewijzigd en mogelijk geen onderscheid meer kon worden gemaakt tussen de eigen herinnering en hetgeen uit de stukken was gebleken. De conclusie van de raad was dat toezending van de stukken tot beïnvloeding had kunnen leiden, en in een enkel geval ook daadwerkelijk had geleid. Daarmee stond overtreding van gedragsregel 22 vast en dat leidde tot een waarschuwing (RvD Den Haag 4 juli 2022, ECLI:NL:TADRSGR:2022:112).

Beter liep het af met mr. Z, die zelf twee getuigen had genoemd in zijn memorie van grieven. De getuigen waren de externe accountant respectievelijk administrateur van de cliënten van mr. Z. In de urenspecificaties van mr. Z, die ook in het geding waren gebracht, had de wederpartij gezien dat mr. Z contact had gehad met deze getuigen. Volgens de wederpartij had mr. Z de getuigen naar alle waarschijnlijkheid getracht te beïnvloeden. Dat kon de raad echter niet vaststellen wegens onvoldoende onderbouwing door de wederpartij en achtte dit klachtonderdeel ongegrond (RvD Arnhem-Leeuwarden 27 juni 2022, ECLI:NL:TADRARL:2022:160).

Advocaat in strafzaken

In het strafrechtdomein hebben zich ook noemenswaardige tuchtzaken afgespeeld. Spreken met de pers blijft een lastig onderwerp. De vraag is of je als advocaat aangifte mag doen tegen je eigen cliënt en zo ja, hoe dan precies. Verder blijven zaken over dossieroverdracht tussen advocaten actueel. En hoever reikt de (na)zorgplicht?

Mr. X was ambtshalve toegevoegd in een strafzaak aan zijn cliënt. Dat was al in meerdere zaken gebeurd. In één van de zaken had de Raad voor Rechtsbijstand de toevoegingsvergoeding later op de cliënt verhaald. De grond daarvoor lag in de Maatregel kostenverhaal draagkrachtige veroordeelden, een uitvoeringsmaatregel in verband met de in 2017 gewijzigde Wet op de rechtsbijstand waarin de mogelijkheid van terugvordering is opgenomen. Mr. X had zijn cliënt nooit gewezen op het bestaan van die maatregel en dus ook niet op de mogelijkheid dat de vergoeding die voor de bijstand zou worden betaald aan mr. X achteraf op de cliënt zou kunnen worden verhaald. Hij verweerde zich door te stellen dat niet hij de toevoeging had aangevraagd, maar de rechtbank de toevoeging ambtshalve had laten verstrekken. Dat was onvoldoende, zo oordeelde de raad. Mr. X had moeten weten dat dit had kunnen gebeuren en zijn cliënt daarvoor moeten waarschuwen. Omdat mr. X rauwelijks was betrokken in de klachtzaak en dus niet eerst zelf een oplossing met de cliënt had kunnen zoeken, ontkwam hij aan een maatregel (HvD 7 november 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:155).

Minder fortuinlijk was de advocaat wiens cliënt na het instellen van cassatie naar een andere advocaat ging. De cliënt vroeg daarna vanuit de PI nog herhaaldelijk om bijstand omdat het hof in hoger beroep de voorlopige hechtenis niet had opgeheven. Mr. X had de zaken al maanden eerder afgesloten en reageerde wat kortaf dat de voorlopige hechtenis vanzelf zou worden opgeheven als de oorspronkelijke straf van het hoger beroep was uitgezeten. Nog los van het feit dat dat niet meer de regel was, had mr. X volgens de raad actie moeten ondernemen en in elk geval onderzoek moeten doen naar de vragen van zijn voormalig cliënt. Nazorg dus, ook al was de cliënt voor de cassatie naar een ander gestapt (RvD ’s-Hertogenbosch 30 januari 2023, ECLI:NL:TADRSHE:2023:16).

In een andere zaak talmde mr. X met de overdracht van straf- en beklagdossiers van zijn cliënt aan diens opvolgend advocaat. Niet alleen gaf hij geen informatie over de stand van zaken in de beklagzaak, ook gaf hij pas na drie maanden een deel van de dossiers waar de opvolgend advocaat om had gevraagd. Tussentijdse verzoeken en telefoontjes van de nieuwe advocaat werden niet beantwoord. Dat was geen blijk van welwillendheid en onderling vertrouwen die mr. X jegens de opvolgend advocaat had moeten betonen. Maar was dat nu wel een klacht die de voormalig cliënt, de klager, diende? De raad vond van wel. De cliënt had immers gedurende enige tijd de zaken niet met zijn nieuwe advocaat kunnen bespreken (RvD Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2022, ECLI:NL:TADRARL:2022:61).

Een advocaat moet ook moeite doen om duidelijk met zijn cliënt, die in detentie zit, te communiceren. Tweemaal was mr. X op bezoek geweest, kort, volgens de cliënt. Verder was er niets gebeurd, volgens de cliënt, die zat te wachten op meer vrijheden tijdens zijn detentie waarvoor mr. X zich had moeten inspannen. Mr. X verweerde zich. De rapportages over de cliënt waren zo negatief dat er toch niets bereikt had kunnen worden. Dus zou hij de cliënt niet kunnen helpen met de aanvraag voor meer vrijheden. Ook de raad kon niet vaststellen wat mr. X gedurende het jaar dat de bijstand had geduurd had gedaan en kon evenmin vaststellen wat was afgesproken. Wat zou mr. X nou precies gaan doen? Daar lag het verwijt dat de raad mr. X maakte. Hij had de afspraken over de bijstand moeten vastleggen en duidelijke informatie aan de cliënt moeten verstrekken. Dat was dus niet gebeurd en kwam mr. X op een waarschuwing te staan (RvD Den Haag 9 januari 2023, ECLI:NL:TADRSGR:2023:2).

Geheimhouding en aangifte tegen eigen cliënt

Over bedreigde advocaten horen we tegenwoordig elke dag. Het afgelopen jaar heeft het Hof van Discipline besproken wat de stappen zijn die de advocaat kan en moet nemen. Daarbij spelen de kernwaarden geheimhouding en partijdigheid een grote rol.

De eigen cliënt van mr. X was huisarts en er waren vervelende kwesties voorgevallen die mr. X als flink bedreigend had ervaren. Hij deed aangifte bij de politie, eerst van smaad en laster en op een later moment ook van bedreiging en poging tot zware mishandeling. Uit het proces-verbaal van de aangifte blijken onder meer feiten van de strafzaak, waaronder de verdenking tegen de cliënt, waarin mr. X de cliënt bijstond. Mr. X gaf ook een karakterschets (berekenend, geen ongevaarlijke man) van de cliënt. De cliënt diende een klacht in over onwaarheden in de aangiftes en schending van de geheimhoudings­plicht. Hier behandelen we het tweede verwijt. De raad vond dat het de advocaat vrij had gestaan om de feiten te noemen in de aangifte zoals die zich hadden voorgedaan. Die waren direct relevant voor de aangifte. In zoverre was de schending van de geheimhoudings­plicht gerechtvaardigd, aldus de raad. Het hof zag dat echter anders. Doorbreking van de geheimhouding mag slechts in uitzonderlijke gevallen. Er moet sprake zijn ernstig, toekomstig gevaar voor de advocaat of derden dat zonder doorbreken van de geheimhouding niet kan worden afgewend. Dan dient eerst overleg plaats te vinden met de deken, en diens advies te worden ingewonnen. Dat was niet gebeurd. Ook de kernwaarde partijdigheid was veronachtzaamd, volgens het hof. De advocaat moet telkens afwegen of het doel de middelen heiligt. Waren de uitlatingen strikt noodzakelijk en werd de positie van de cliënt daarmee niet geschaad? Het hof legt vanwege de schending van de kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid een berisping op (HvD 31 januari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:7).

Geheimhouding en de pers

Mr. Y had via andere kanalen gegevens van een dossier van een voormalig cliënt gedeeld, onder meer via landelijke dagbladen. Ook mr. Y had recht­vaardigings­gronden aangevoerd. Hij werd door de kranten met onwaarheden over de reden van de beëindiging van de cliëntrelatie geconfronteerd en zijn cliënt had hem bedreigd. Er waren nog meer verwijten, en ook meerdere klagers, maar de schending van de geheimhouding stond centraal. Die was er wel degelijk geweest, terwijl de aangevoerde recht­vaardigings­gronden onvoldoende werden bevonden. Er waren bijzonderheden uit de zaak gedeeld alsook persoonlijke oordelen en waarnemingen van mr. Y over de persoon van zijn voormalig cliënt die onder het beroepsgeheim vielen. Ook al was het een zware zaak: niet gebleken was een directe dreiging tegen mr. Y of derden die doorbreking rechtvaardigde. Ook had mr. Y niet naar alternatieven gezocht noch overleg gevoerd met de deken. Deze en ander verwijten mondden uiteindelijk uit in schrapping (HvD 17 februari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:17, ECLI:NL:TAHVD:2023:18, ECLI:NL:TAHVD:2023:19 en ECLI:NL:TAHVD:2023:20).

Ook mr. Z was met een geruchtmakende strafzaak in het nieuws gekomen. Zij had mededelingen gedaan over de zaak in de landelijke pers waarover haar cliënt zijn beklag deed. Volgens mr. Z ging het om een technische uitleg van het verschil tussen uitlevering (vanuit Thailand naar Nederland) in het kader van een strafprocedure in Nederland enerzijds en overbrenging om, kortweg, een in Thailand opgelegde straf in Nederland uit te zitten anderzijds. In dat kader had zij de pers te woord gestaan en daarbij geen inhoudelijke details van de zaak gedeeld, aldus mr. Z. De raad stelde vast dat er veel publiciteit was geweest en een website te raadplegen viel waarop veel informatie te vinden was. Maar van één uitlating in de pers, waarin mr. Z geciteerd werd, was wel vast te stellen dat daarin een inhoudelijk punt werd prijsgegeven dat onder het beroepsgeheim viel. Dat mocht niet en komt mr. Z, die geen tuchtrechtelijk verleden had, op een waarschuwing te staan (RvD Amsterdam 2 mei 2022, ECLI:NL:TADRAMS:2022:79).

Feitenonderzoek

De advocaat als feitenonderzoeker is het afgelopen jaar goed in beeld geweest. In meerdere zaken hebben raden zich over feitenonderzoek in verschillende kwesties uitgelaten. We behandelen hier de hoofdlijnen, aangezien nog recent, in maart, een uitvoerige bijdrage verscheen in dit Advocatenblad van de hand van Lodewijk Hox waarin niet alleen de in 2021 gewijzigde toelichting op gedragsregel 2 is besproken, maar ook een achttal uitspraken van het afgelopen jaar zijn behandeld.

Mr. X die in opdracht van zijn cliënte onderzoek deed naar haar rechtspositie uit hoofde van contracten met een externe ICT-leverancier en daarbij stuitte op een ‘kunstgreep’ die valsheid in geschrifte genoemd kon worden, noemde in de feitelijke bevindingen ook de namen van twee werknemers van de cliënte die op de hoogte waren van deze situatie. Een daarvan was klager, die op staande voet ontslagen werd. Klager meende ten onrechte niet te zijn gehoord en vond dat mr. X geen eigen verantwoordelijkheid had genomen in het onderzoek, onder meer door klager niet te horen. Mr. X vond echter dat van een opdracht als onafhankelijk onderzoeker geen sprake was geweest. Hij was partijdig advocaat van zijn cliënte, had een feitenonderzoek gedaan en het was niet bedoeld geweest als onderzoek naar gedrag van een of meer personen. Afspraak met de cliënt was dat het voor intern gebruik was en niet voor externe verantwoording. Dat zijn cliënte het rapport heeft ingezet zoals zij had gedaan, kon mr. X niet verweten worden. De raad geeft klager ongelijk. Op mr. X rustte niet de verplichting om klager te horen, net zomin als het maken van heldere afspraken met de cliënte over de reikwijdte van het rapport. Mr. X had opdracht om de rechtspositie van de cliënte te analyseren. Bij die taak is de advocaat gebonden aan kernwaarden en gedragsregels. Een advocaat mag daarbij geen misverstand laten bestaan over zijn partijdige rol en dient zijn onafhankelijkheid te bewaren. Dat was hier voor zover de raad kon nagaan gebeurd; de klachten waren ongegrond (RvD Arnhem-Leeuwarden 25 mei 2022, ECLI:NL:TADRARL:2022:99).

Ook een deken­bezwaar over advocaat mr. Y die intern onderzoek had verricht in opdracht van een beroepsorganisatie dat vervolgens extern gebruikt werd door die betreffende organisatie strandde. Het onderzoek betrof een nevenfunctie van de directeur van de beroepsorganisatie. Het definitieve rapport werd op strikt vertrouwelijke basis aan de beroepsorganisatie ter beschikking gesteld. Die verzocht mr. Y het rapport naar eigen inzicht te mogen gebruiken. Dat heeft mr. Y geweigerd: afspraak was dat het uitsluitend voor intern gebruik bedoeld was en vertrouwelijk was. Toch had de beroepsorganisatie uiteindelijk de uitkomst van het onderzoek op haar website geplaatst en een pdf met de conclusies in eigen bewoordingen ter beschikking gesteld aan het publiek. Maar de communicatie was volgens de raad helder: er kon geen misverstand bestaan bij de beroepsorganisatie over het vertrouwelijke karakter van het rapport. Het had beter gekund, maar het was goed genoeg. Over de door de deken benoemde dubbelrol van onafhankelijk advocaat-onderzoeker en advocaat van de wederpartij zegt de raad dat die niet kan worden vastgesteld. Nadat mr. Y de rol van onderzoekster had aanvaard, is zij niet meer bij arbeidsrechtelijk advies aan de beroepsorganisatie betrokken geweest. Daarmee is het deken­bezwaar ongegrond. Ten overvloede zegt de raad nog wel dat het met het oog op de kernwaarde onafhankelijkheid onwenselijk was dat mr. Y voorheen wél had bijgestaan in een arbeidsgeschil (RvD Amsterdam, 13 juni 2022, ECLI:NL:TADRAMS:2022:107).

De Amsterdamse deken had echter nog een ijzer in het vuur en wel die tegen twee advocaten van hetzelfde kantoor. Zij hadden opdracht van de RvC van een accountantskantoor om een feitenonderzoek te doen naar de advisering rondom een truststructuur zoals die binnen het accountantskantoor had plaatsgevonden. De advocaten werd verweten geen hoor- en wederhoor te hebben toegepast, althans niet op een reële manier, niet alle feiten te hebben genoemd, niet alles te hebben gedaan om misverstanden te voorkomen en geen onderzoeksprotocol te hebben gebruikt. De raad stelt de toetsing aan de kernwaarden voorop en volgt daarna een toetsingskader dat ook in zaken in 2017 en eerder in 2022 was aangelegd. Een feitenonderzoek is niet verboden en daarover mag aan de cliënt gerapporteerd worden. Zolang het voor intern gebruik is bij de cliënt en niet ter beschikking komt van derden, is het ter vrije bepaling aan de advocaat en de cliënt hoe het onderzoek wordt ingericht en waaruit het onderzoek moet bestaan. Alleen: dat geldt dus niet als het onderzoeksrapport (ook) voor extern gebruik is bedoeld. In deze kwestie oordeelde de raad dat het rapport niet uitsluitend voor intern gebruik bedoeld was geweest. De opzet was om het ook buiten de accountantsorganisatie, en diens RvC, te gebruiken om verantwoording af te leggen over de geadviseerde truststructuur: ook de Belastingdienst en de AFM hadden belangstelling en dat was juist de aanleiding geweest voor het instellen van het onderzoek. Dat hadden de advocaten geweten, of in elk geval moeten weten. Het rapport is ten opzichte van een derde als onafhankelijk onderzoek gepresenteerd om verantwoording af te leggen. Zo’n onafhankelijkheidsclaim brengt zwaardere zorgvuldigheidsverplichtingen met zich mee dan wanneer een rapport uitsluitend voor intern gebruik bedoeld is. Daaronder valt de eis dat hoor en wederhoor moet worden toegepast als een persoon onderwerp is van onderzoek en al het redelijke moet worden gedaan om te voorkomen dat het rapport aanleiding kan geven tot misverstand. Het rapport moet alle relevante feiten bevatten, ook als die alleen bij de cliënt bekend zijn en niet bij derden. Kort en goed voldeed het rapport van de advocaten aan geen van deze eisen. Om verschillende redenen doet de raad het af met een waarschuwing voor beide advocaten (RvD Amsterdam 25 juli 2022, ECLI:NL:TADRAMS:2022:140).

Declaratieperikelen

Onlangs deed het Hof van Justitie van de Europese Unie een uitspraak die binnen de advocatuur beroering veroorzaakte. De zaak draaide om een Litouwse advocaat, die met zijn cliënt, een consument, overeenkomsten voor dienstverlening had gesloten. In iedere overeenkomst stond dat het uurtarief € 100 was. Er was geen begroting vooraf gemaakt, evenmin was sprake van tussentijds declareren. Tegen het einde van de dienstverlening declareerde de advocaat bijna € 13.000 bij de cliënt. De cliënt weigerde betaling, waarna de advocaat een incassoprocedure startte. In dit verband stelde de hoogste Litouwse rechter prejudiciële vragen aan het Hof over de toepassing van Unierechtelijke bepalingen ter bescherming van consumenten tegen oneerlijke contractuele bedingen.

De uitleg van Unierecht heeft vanzelfsprekend ook relevantie voor de Nederlandse rechtspraktijk. In zijn arrest benadrukt het Hof (HvJ EU 13 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14) dat een consument in staat moet worden gesteld om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit de overeenkomst voortvloeien, namelijk het totale bedrag die hij voor de diensten zal moeten betalen. Volgens het Hof zou het daarbij kunnen gaan om een raming van het voorzienbare of minimaal aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een afspraak om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te verschaffen waarin het aantal reeds gepresteerde werkuren wordt vermeld.

De beroering binnen de beroepsgroep is niet geheel terecht. In tuchtrechtspraak is reeds overwogen dat een advocaat zijn cliënt op grond van de gedragsregels 12, 16 en 17 vooraf schriftelijk uitleg moet geven over het uurtarief en een indicatie of schatting van kosten (zie bijvoorbeeld HvD 20 augustus 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:133). Het Unierecht sluit daar dus op aan. Overigens is inmiddels ook duidelijk dat de civiele rechter het arrest van het Hof omarmt (Rb. Rotterdam 23 januari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:331).

Ook als de declaratieafspraak ter toetsing bij de tucht­rechter ter sprake komt dient de advocaat zich met voldoende transparantie te kunnen verantwoorden voor de door hem gedeclareerde werkzaamheden, zoals in de zaak met betrekking tot een juridisch eenvoudige echtscheiding. Uit de door de advocaat overgelegde urenstaat bleek niet duidelijk hoeveel uren hij had besteed aan welk aspect van de zaak. Het Hof van Discipline gaf (achteraf in de beslissing) mee dat de advocaat in dit verband de door hem opgestelde processtukken had kunnen overleggen of dit anderszins concreet gemotiveerd inzichtelijk had moeten maken aan het Hof (HvD 6 februari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:26).

Voorop staat dat de advocaat tegenover zijn cliënt geen enkele onduidelijkheid mag laten bestaan over de financiële consequenties die aan de verlening van zijn diensten voor de cliënt zijn verbonden. In een incassozaak was afgesproken dat bij het door de cliënt tussentijds beëindigen van de opdracht aan de advocaat de vergoeding zou toekomen die gelijk was aan de vergoeding bij het succesvol afronden van de (incasso)opdracht. De principiële vraag die door de deken aan de tucht­rechter werd voorgelegd was of het toepassen van zo’n ‘boetebeding’ van deze incassoprovisie in tuchtrechtelijke zin geoorloofd was, omdat het beding onvoldoende duidelijk in de opdrachtbevestiging was vermeld én omdat het een niet toelaatbare prijsafspraak zou betreffen.

Met de opdrachtbevestiging had de advocaat twee sets uitvoerige algemene voorwaarden aan klager meegezonden, de ‘incasso­voorwaarden’ en de ‘algemene voorwaarden’. Het boetebeding stond niet in de opdrachtbevestiging zelf, maar in de set met incasso­voorwaarden, waarin werd uitgelegd dat het boetebeding een logisch gevolg was van een no cure no pay-afspraak, hoewel tevens voor de incasso-opdracht uitdrukkelijk geen no cure no pay was afgesproken. Dit riep de vraag op waaruit de cliënt had moeten begrijpen dat het boeteding op zijn overeenkomst van toepassing zou zijn. De advocaat had dus niet voldaan aan de eis dat hij (voldoende) duidelijk was over de financiële afspraken en was daarmee tekortgeschoten in zijn informatieplicht aan de betreffende cliënt over de financiële consequenties bij het tussentijds beëindigen van de zaak. Maar ook als het boetebeding voldoende duidelijk in de opdrachtbevestiging zou zijn opgenomen, zou een dergelijk beding in tuchtrechtelijke zin niet geoorloofd zijn. Raad en hof waren het eens: tussen de advocaat en zijn cliënt geldt een bijzondere (vertrouwens)relatie, die een keuzevrijheid voor beide partijen met zich brengt. De keuzevrijheid van de cliënt mag niet lichtvaardig worden beperkt. Een boetebeding, zoals in deze zaak aan de orde was, vormt echter wel een beperking op de keuzevrijheid van de cliënt. Het beding stelt immers een financiële sanctie op het tussentijds beëindigen van de overeenkomst door de cliënt naast diens plicht om op uur-basis af te rekenen voor de reeds door de advocaat verrichte werkzaamheden. Dan is sprake van een beding dat de keuzevrijheid van de cliënt op niet gerechtvaardigde en onbetamelijke wijze beperkt (HvD 26 augustus 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:133).

Beklag artikel 13 Advocatenwet

Voor zowel dekens als het recht op juridische bijstand is de kwestie relevant die voorlag bij HvD 18 augustus 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:132. De deken had geweigerd om een nieuwe advocaat voor de Russische Staat aan te wijzen, toen deze gedurende een vijftal civiele procedures bij een gerechtshof in maart 2022 werd geconfronteerd met een onttrekking van haar advocaat, naar verluidt in verband met het conflict tussen Rusland en Oekraïne. De Russische Staat vond geen andere advocaat bereid haar in deze procedures verder bij te staan. De Russische Staat heeft de deken verzocht om ingevolge artikel 13 Advw een advocaat aan te wijzen. Op grond van dit artikel kan een rechtzoekende, die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek om een advocaat aan te wijzen. De deken kan zo’n verzoek alleen wegens gegronde redenen afwijzen. De deken wees dit verzoek af omdat artikel 13 Advw niet zou zien op de situatie waarbij eerdere advocaten hun werkzaamheden hebben neergelegd als gevolg van een politiek conflict tussen de Russische Staat en Oekraïne. Daarnaast, ook als artikel 13 Advw van toepassing zou zijn, kan van hem niet worden verlangd een advocaat aan te wijzen, aldus de deken.

Het hof is van oordeel dat het beklag van de Russische Staat gegrond is. Allereerst overweegt het hof dat onder rechtzoekenden zoals bedoel in artikel 13 Advw ook niet-natuurlijke personen zoals rechtspersonen, bestuursorganen en (vreemde) mogendheden moeten worden begrepen. Dat de Russische Staat (al dan niet door eigen toedoen) in een conflict met een andere mogendheid is verwikkeld, doet daar niet aan af. Een andere uitleg, die ertoe zou kunnen leiden dat een rechtzoekende-niet-natuurlijk persoon feitelijk de toegang tot de Nederlandse rechter wordt ontnomen, conflicteert met het Nederlandse (en ook het Europese) rechtsbestel, aldus het hof. Naar de toenmalige stand van zaken moet het er ook voor worden gehouden dat de binnen de EU geldende sancties als zodanig niet aan het verlenen van juridische bijstand aan de Russische Staat in procedures in de weg staan. Dat een aantal advocatenkantoren een ‘Stand Firm’-Verklaring heeft onderschreven, betekent niet dat deze verklaring door alle advocaten wordt ondersteund, noch dat er geen advocaat bereid gevonden zou kunnen worden om de Russische Staat bij te staan.

Omgang met vertrouwelijke gegevens

Een advocaat is gehouden om zorgvuldig om te gaan met vertrouwelijke gegevens die hij onder zich heeft, hoe dan ook verkregen. Een kwestie hieromtrent speelde bijvoorbeeld bij HvD 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:105. Advocaten traden op namens/als curator van een aantal vennootschappen. Zij hadden tegen een bestuurder van deze vennoot­schappen een procedure ingesteld inzake een actio Pauliana. In deze procedure hadden de advocaten een memo (procesadvies) overgelegd die vertrouwelijk was opgesteld door een advocaat aan de bestuurder. Deze bestuurder maakte hen hierover een verwijt. Het hof neemt aan dat de betreffende memo inderdaad vertrouwelijk was en hij introduceert een processuele weg die een advocaat moet nemen bij een wens een beroep te doen op vertrouwelijke correspondentie.

Volgens het hof moet eerst de advocaat/auteur in de gelegenheid worden gesteld om al dan niet een beroep te doen op zijn verschonings­recht. Wanneer de juistheid van dit beroep door een andere advocaat in twijfel wordt getrokken, ligt het op de weg van deze andere advocaat om zonder kennisneming van de inhoud van het stuk de deken te consulteren over de vraag of het stuk als vertrouwelijk is aan te merken en onder het verschonings­recht valt. De deken kan dan advies uitbrengen en eventueel bemiddelen. Voor zover dat voor zijn beoordeling noodzakelijk is, mag de deken wel van de desbetreffende stukken kennisnemen. Als de bemiddeling niet tot resultaat leidt, is de beoordeling voorbehouden aan de rechter.

Wat betreft het recht van de cliënt om niet mee te werken aan raadpleging en inzage, geldt volgens het hof dat de cliënt weliswaar geen van de geheimhouder afgeleid verschonings­rechtheeft, maar wel een gerechtvaardigd belang kan hebben bij die weigering. Dit belang brengt mee dat ook de cliënt zich op de vertrouwelijkheid kan beroepen van de onder het verschonings­rechtvallende stukken en, gelijk de verschoningsgerechtigde advocaat, medewerking aan raadpleging en inzage kan weigeren. Ook in dat geval geldt dat, als een advocaat in twijfel trekt of de wederpartij een gerechtvaardigd beroep doet op de vertrouwelijkheid van een stuk, hij zonder kennisneming van de inhoud van het stuk de deken moet consulteren over de vraag of het stuk als vertrouwelijk is aan te merken en onder het verschonings­rechtvalt, en dat als er geen overeenstemming kan worden bereikt de rechtsvraag of er wel of geen sprake is van verschoningsgerechtigde informatie aan de rechter voorgelegd moet worden.

De advocaten in kwestie werden door het hof berispt, want zij hadden deze procedurele weg niet gevolgd doch zijn lichtvaardig omgesprongen met het fundamentele belang van geheimhouding en verschonings­recht.

Zorgvuldige omgang met vertrouwelijke gegevens houdt ook in dat het een advocaat niet vrijstaat om uittreksels op te vragen uit de GBA en deze te verspreiden onder derden (HvD 20 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:104).

De advocaat die de verdediging van de verdachte in een strafzaak op zich heeft genomen, moet in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt in beginsel alle stukken met zijn cliënt kunnen delen en bespreken. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien derden, zoals bijvoorbeeld het slachtoffer in een strafzaak, er op grond van specifieke in de zaak aan de orde zijnde feiten en omstandigheden een dermate zwaarwegend belang bij hebben dat bepaalde stukken uit het dossier niet ter kennis komen van de verdachte dat een afweging van de belangen van die derde en het belang van de verdachte bij kennisname van het complete dossier in het voordeel van de derde uitvalt. In dat geval kan het delen van alle stukken met de cliënt onzorgvuldig en op basis daarvan mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. In de kwestie waarover de raad in ’s-Hertogen­bosch oordeelde was van dergelijke feiten en omstandigheden geen sprake (RvD ’s-Hertogen­bosch 28 november 2022, ECLI:NL:TADRSHE:2022:164).

De vertrouwelijke aard van de gegevens kan ook een basis hebben in mediation. Het staat een advocaat niet vrij om deze gegevens zomaar in een procedure te brengen ter ondersteuning van de stellingen omdat voor het welslagen van een mediation de tussen partijen geldende geheimhoudings­plicht van groot belang is. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de advocaat die een in mediation tussen partijen opgesteld conceptouderschapsplan, waarover partijen geen overeenstemming hadden bereikt, in een gerechtelijke procedure betreffende het gezag en omgang aan de rechtbank had overgelegd. De raad meende dat de advocaat de belangen van de wederpartij nodeloos had geschaad (RvD ’s-Hertogen­bosch 5 september 2022, ECLI:NL:TADRSHE:2022:130). Ook mis ging het in de kwestie die voorlag bij de RvD Den Haag 9 januari 2023, ECLI:NL:TADRSGR:2023:5, waarbij de advocaat in strijd met de in mediation afgesproken geheimhouding informatie over de inhoud daarvan had gedeeld in een e-mail aan de voorzieningenrechter.

Voor een overeengekomen geheimhoudings­beding in een arbitrage nam de raad Den Haag overigens eenzelfde werking als een geheimhoudings­beding in mediation aan (RvD Den Haag 16 januari 2023, ECLI:NL:TADRSGR:2023:32).

Onder omstandigheden is het niet onbegrijpelijk en onzorgvuldig om op verzoek van cliënte een ingediende tuchtklacht onder de aandacht van een derde te brengen, bijvoorbeeld een bestuur van de specialisatievereniging waarbij de advocaat aangesloten is (HvD 2 december 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:164).

Zorgvuldige omgang met vertrouwelijke gegevens en aanverwante overweging tot doorbreken van beroepsgeheim spelen ook bij de vraag of het een advocaat vrijstaat om aangifte te doen tegen een voormalig cliënt. Het hof stelt voorop dat het een advocaat vrijstaat om tegen eenieder aangifte te doen van een strafbaar feit, ook als het een (voormalig) cliënt betreft. Alvorens een advocaat aangifte doet, dient hij voorafgaand overleg te plegen met de deken en diens advies in te winnen op basis van het door hem geschetste beeld over de aard, de oorzaak en de gevolgen van die melding. De deken dient de advocaat hierin ook bij te staan en hem van gepast advies te voorzien. Ook de beantwoording van de vraag of het beroepsgeheim in concrete gevallen mag worden doorbroken teneinde een directe dreiging van ernstig, toekomstig gevaar voor de advocaat of een betrokkene af te wenden, dient in samenspraak met de deken plaats te vinden. Naar aanleiding van het overleg tussen de advocaat en de deken kan vervolgens worden besloten om de kwestie te melden bij de hoofdofficier van justitie en aangifte te doen bij de politie. De hoofdofficier van justitie meldt de kwestie door aan het hoofd van de unit BB&C, zodat zij dit verder kunnen oppakken met de betreffende advocaat en een risicoanalyse kunnen maken. De advocaat in de betreffende kwestie had (onder meer) dit stappenplan niet goed gevolgd en werd daarvoor berispt (HvD 13 januari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:7).

Tuchtprocesrecht

Een advocaat die meende te kunnen stellen dat een deken­bezwaar geen klacht is en dat de Advocatenwet daarom geen grondslag biedt voor tuchtrechtelijke veroordelingen op basis van een deken­bezwaar werd door het Hof van Discipline uit de droom geholpen. Aanleiding vormde een bericht van de griffie over ambtshalve voortzetting van de behandeling van de klacht. De mededeling van de griffier ziet op de situatie bij intrekking van een klacht als bedoeld in artikel 47a Advw. Dan kan de deken overeen­komstig lid 4 van artikel 47a Advw voor het vervolg van de zaak als klager worden aangemerkt. Het is volgens het hof evident dat deze regeling niet van toepassing is als de deken overeen­komstig artikel 46f Advw een bezwaar heeft ingediend en dat vervolgens intrekt. In de intrekking van het door de deken ingediende bezwaar ligt besloten diens afweging of het nodig is zijn klacht in het algemeen belang voort te zetten. In de mededeling is geen steun te vinden voor de opvatting dat de in artikel 48 Advw genoemde maatregelen enkel kunnen worden opgelegd bij klachten en niet bij dekenbezwaren. Een deken­bezwaar moet ook als klacht in de zin van dat artikel worden aangemerkt. In zijn herzieningsverzoek betoogde de advocaat dat alle tuchtrechtelijke veroordelingen na een deken­bezwaar daarom een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel opleveren. Het hof zag dit dus anders en het herzieningsverzoek werd dan ook afgewezen. Ter voorlichting van de advocaat lichtte het hof nog toe dat de term ‘dekenklacht’ veeleer is gereserveerd voor de situatie waarin sprake is van een klacht tégen een deken, terwijl ‘dekenbezwaar’ wordt gebruikt voor de situatie waarin een deken zelf een klacht indient tegen een advocaat. Aan de gebruikte terminologie kan dus niet de betekenis worden gehecht die de advocaat voorstond (HvD 21 november 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:159).

Indien een advocaat zich gedurende een bij een voorwaardelijke schorsing opgelegde proeftijd opnieuw schuldig maakt aan een tuchtrechtelijk vergrijp, kan de deken de raad van discipline verzoeken om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke schorsing (een vordering TUL). In een zaak waarin een advocaat weigerde aan de deken op diens verzoek dossier ter beschikking te stellen en hiervoor tuchtrechtelijk reeds op de vingers was getikt, vorderde de deken naast het indienen van een deken­bezwaar tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke schorsing. De raad van discipline stelde vast dat de advocaat wederom niet had voldaan aan het verzoek van de deken. Na het nieuwe verzoek van de deken had hij de dossiers ter beschikking moeten stellen. Van schending van het ne bis in idem-beginsel was volgens de raad geen sprake. Dit betreft een ander handelen of nalaten dan waarover het hof eerder heeft geoordeeld. De raad oordeelt dat de advocaat daarmee, in de proeftijd, de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde heeft geschonden. De raad overweegt daarbij, in gelijke wijze als in de hoofdzaak, dat de advocaat gehouden was de dossiers aan de deken ter beschikking te stellen. De advocaat ging tegen beide beslissingen (deken­bezwaar en vordering TUL) in beroep. Opvallend is dat het hof de advocaat ontvankelijk verklaart in het beroep tegen de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, ondanks de vermelding van de raad dat tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat. Het hof concludeert dat de advocaat andermaal ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de deken. Hij is het onderzoek van de deken blijven frustreren door wederom de gevraagde dossiers niet te verstrekken en heeft ter zitting bevestigd dat hij het onderzoek van de deken opzettelijk en doelbewust heeft gefrustreerd. Deze opstelling van de advocaat getuigt niet alleen van gebrek aan respect voor beslissingen van het hof, maar bovenal van gebrek aan respect voor het volstrekt gelegitimeerde toezicht van de deken waaraan de advocaat zich dient te onderwerpen. Het levert hem een schorsing van 26 weken op (HvD 7 november 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:156).

Kan een ingetrokken klacht nadien opnieuw worden ingediend? De tucht­rechter oordeelt van niet. In een klachtzaak bevestigt een stafjurist namens de deken de ontvangst van klagers bericht met de mededeling de klacht verder te laten rusten. Tevens wordt aan klager meegedeeld dat de klacht hiermee als ingetrokken wordt beschouwd en dat het dossier wordt gesloten. Een jaar later dient klager opnieuw een klacht in tegen dezelfde advocaat en schrijft hij de deken ‘dat een vervolgklacht tegen het kantoor van verweerster/verweerster meer dan gerechtvaardigd is’. De deken wijst klager op diens eerdere klacht en de intrekking daarvan en houdt klager voor dat de nieuwe klacht soortgelijk is aan de eerdere klacht. De deken begrijpt de klacht zo dat klager wenst dat de klacht wederom in behandeling wordt genomen. Raad en hof zijn het eens over de niet-ontvankelijkheid van de klacht omdat klager over hetzelfde feitencomplex klaagt als met zijn eerder ingediende klacht. Uit correspondentie met de deken blijkt dat klager zijn klacht zonder enig voorbehoud of verzoek om uitstel heeft ingetrokken. De advocaat in kwestie mocht er toen dan ook van uitgaan dat zij zich niet meer, ook niet op een later moment, bij de deken en de tucht­rechter hoefde te verweren tegen de verwijten die klager haar had gemaakt. De door klager genoemde gezondheidsklachten en medische onder­zoeken als reden voor het stopzetten van zijn klacht zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de klacht nu alsnog inhoudelijk door de raad kan worden beoordeeld (HvD 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:117).

Internationaal gedragsrecht

Vorig jaar heeft de Hoge Raad een relevante uitspraak gedaan inzake de toepassing van Nederlandse beroeps- en gedragsregels, zoals die van het verschonings­rechtop buitenlandse advocaten in dienstbetrekking (HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:760).

De kwestie draaide om een strafrechtelijk onderzoek bij Shell naar gestelde omkoping bij de aankoop van een olieveld in Nigeria. Het Openbaar Ministerie had bij dit onderzoek diverse documenten en gegevensdragers in beslag genomen die zich op het hoofdkantoor van Shell in Nederland bevonden. Ook documenten die waren verzonden of ontvangen door buitenlandse advocaten in dienstbetrekking van Shell of één van haar dochter­maatschappijen waren in beslag genomen. Deze buitenlandse advocaten maakten bezwaar tegen inbeslagname van deze documenten met een beroep op het verschonings­recht. De rechter-commissaris en rechtbank overwogen dat buitenlandse advocaten in dienstbetrekking van Shell in Nederland aan Nederlandse beroeps- en gedragsregels hadden te voldoen. Om die reden kwam enkele buitenlandse advocaten die geen professioneel statuut hadden ondertekend zoals Nederlandse beroepsregels wel vereisen (artikel 5.12 Voda) geen beroep op verschonings­rechttoe (Rb. Rotterdam 7 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:7856 respectievelijk Rb. Rotterdam 28 januari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:527).

De Hoge Raad verklaarde het hiertegen gerichte cassatieverzoek niet-ontvankelijk, maar gaf wel enkele relevante algemene overwegingen over het verschonings­rechtin de context van de buitenlandse advocaat in loondienst. De Hoge Raad overwoog dat advocaten uit derde landen het verschonings­rechtalleen onder bepaalde voorwaarden in Nederland kunnen inroepen. Deze voorwaarden zijn: (i) dat deze buitenlandse advocaat naar het recht van het land van herkomst in relatie tot de betreffende werkzaamheden verschonings­gerechtigd is en (ii) gesteld dat die werkzaamheden in Nederland zouden zijn verricht door een in Nederland ingeschreven advocaat, het verschonings­rechteveneens zou kunnen worden ingeroepen. De Hoge Raad lijkt hiermee dus te kiezen voor een systeem van ‘double deontology’, een samen­loop­regeling waarbij de beroepsregels van twee rechtsstelsels zo veel mogelijk naast elkaar van toepassing zijn.

Overigens staat de vraag welk stelsel van gedragsregels precies van toepassing is los van een eventuele veroordeling op grond van de algemene betamelijkheidsnorm uit artikel 46 Advw, zoals RvD Amsterdam 31 oktober 2022, ECLI:NL:TADRAMS:2022:214 laat zien. Hier was sprake van een klacht van een Arubaanse advocaat over zijn interactie met een Nederlandse advocaat. De raad overwoog dat, los van de vraag of de Nederlandse gedragsregels op de interactie van toepassing waren, de Nederlandse advocaat zich niet had gedragen zoals het een behoorlijk advocaat betaamt.

Vrijheid van advocatuurlijke meningsuiting

Vanuit Europeesrechtelijk perspectief valt het oog op de bescherming die advocaten bij hun beroepsuitoefening wordt geboden door artikel 10 EVRM. In de kwestie-Rogalski/Polen (EHRM 23 maart 2023, ECLI:CE:ECHR:2023:0323JUD000542016) ging het om een advocaat, Rogalski, die tuchtrechtelijk werd beboet met € 535 en een verbod kreeg opgelegd van een jaar om beroepsdocent te zijn vanwege het feit dat hij namens zijn cliënt een aangifte had gedaan tegen een ambtenaar vanwege omkoping. Volgens de tucht­rechter was sprake van een ingediende strafrechtelijke aanklacht zonder enig bewijs of enige objectief verifieerbare omstandigheden die de door Rogalski geformuleerde verdenking zouden kunnen rechtvaardigen.

Bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beklaagde Rogalski zich dat zijn recht op vrijheid van meningsuiting onrechtmatig en ongerechtvaardigd beperkt is, in de zin van artikel 10 EVRM.

Het Hof herhaalt allereerst net als in eerdere rechtspraak de bijzondere status van advocaten. Advocaten hebben een centrale positie in de rechtsbedeling als tussenpersoon tussen het publiek en de rechter. Een dergelijke positie verklaart de gebruikelijke beperkingen op het gedrag van de leden van de balie. Gelet op de sleutelrol van advocaten op dit gebied mag van hen worden verwacht dat zij bijdragen tot een goede rechtsbedeling en aldus het vertrouwen van het publiek daarin in stand houden.

Het Hof concludeert dat de beperking van de advocatuurlijke vrijheid van meningsuiting zoals aan Rogalski is opgelegd, niet noodzakelijk is in een democratische samenleving, en concludeert dus tot een schending van artikel 10 EVRM. Het Hof overweegt niet in kennis te zijn gesteld van enig bewijs dat zou wijzen op kwade opzet van Rogalski, noch van enig ander element dat zou kunnen worden beschouwd als uitzonderlijke omstandigheden die een tuchtprocedure rechtvaardigen. Volgens het Hof was de door Rogalski namens zijn cliënt gestelde overtreding niet geheel gespeend van enig argument dat zijn versie van de gebeurtenissen ondersteunde. Het Hof meent dat de tuchtrechtelijke instanties hun beslissing om Rogalski tuchtrechtelijk te bestraffen niet relevant en toereikend hebben gemotiveerd en daarmee hun beoordelingsmarge hebben overschreden.

De auteurs zijn advocaat bij respectievelijk VanNiekerkCieremans Advocaten te Rotterdam, KBS Advocaten te Utrecht en De Clercq Advocaten Notariaat te Leiden.