vak & mens
Adjunct-secretaris van de Amsterdamse orde Agaath Reijnders‑Sluis nam afscheid in januari. Ze maakte elf dekens mee en zag de advocatuur veranderen: meer advocaten, meer regels, meer toezicht. ‘Elke deken verzuchtte weleens: als ik er nou één of twee uit had mogen zetten, had me dat een hoop tijd gescheeld.’
Op een frisse zomerdag in 1987 vond Agaath Reijnders-Sluis bij de post een kort briefje van Leonard de Haas, de toenmalige deken. ‘De Raad heeft het voornemen een administratief bureau voor de Amsterdamse orde in te stellen. Dit bureau zal belast zijn met de organisatie van allerhande zaken. (…) De hoeveelheid werk is op dit moment moeilijk in te schatten. Gedacht wordt aan drie à vier dagdelen per week.’
- Geboren: 2 november 1956 in Amsterdam.
- Opleiding: rechten in Groningen.
- Burgerlijke staat: weduwe, twee zonen.
- Carrière: ’82-’87 advocaat bij Höcker & Kemper.
- 87-87: Bureau voor Rechtshulp.
- 1988-2024 opnieuw beëdigd.
- 1988-2024 adjunct-secretaris/directeur Amsterdamse orde van advocaten.
- 2006-heden: bestuurslid Stichting Juridische Samenwerking Nederland-Suriname.
- 2010: lid Commissie-Huydecoper (advies over bestuurlijke vernieuwing advocatuur).
- 2015-2024: voorzitter overleg adjunct-secretarissen Lokale orde.
‘Ik heb wel gelijk gezegd: drie of vier dagdelen lijkt me wat weinig,’ vertelt Reijnders-Sluis ruim 37 jaar later, in haar woonkamer niet ver van de plek waar het bureau van de Amsterdamse orde sinds 2008 is gevestigd, en waar inmiddels zo’n dertig mensen werken.
Reijnders-Sluis zou op 1 januari 1988 beginnen, al was de vraag wáár. ‘Mijn eerste taak was: vind een plek.’ Tot dan toe werd de orde gerund als een vrijwilligersorganisatie. De deken deed zijn dekenzaken op zijn eigen kantoor, ondersteund door zijn eigen secretaresse. Er werd geopperd dat Reijnders-Sluis in een hoekje van de advocatenkamer op de rechtbank (toen nog op de Prinsengracht) zou gaan zitten. Dat leek haar niks. ‘Het was een erg grote kamer, en via die kamer liepen alle advocaten naar de politierechterzittingen. Er was geen afscheiding en dus ook geen privacy. Ik mocht een spreekkamertje gebruiken bij Houthoff, dat toen nog in de binnenstad zat. En vanaf eind maart ’88 kon ik terecht in de portierswoning van de rechtbank. Ik moest het wel eerst zelf schilderen.’
Op dat moment telde de Amsterdamse balie zo’n elfhonderd advocaten (heel Nederland ongeveer tweeduizend) en het kamertje werd al snel te klein. ‘Ik ging allerlei taken van mensen overnemen. In eerste instantie alleen de beëdigingen, het beheer van het tableau en de goedkeuring van patronaten. Daar kwam de opleiding bij. Een beroepsopleiding was er nog niet, je moest als beginnend advocaat zes cursussen volgen. Ik hielp de penningmeester met het innen van de hoofdelijke omslag. En op een gegeven moment draaide ik als adjunct-secretaris ook mee in de vergaderingen van de Raad van Toezicht, die toen nog de klachten behandelde.’

Sociale advocatuur
Zelf kwam Reijnders-Sluis uit de algemene praktijk. Ze was als stagiaire begonnen bij het ‘commerciële’ kantoor Höcker & Kemper en deed daar ‘een beetje arbeidsrecht, familierecht, huurrecht, contractrecht en zelfs piketdiensten’. Een derde van haar zaken was op toevoegingsbasis. Toch was ze niet welkom bij de werkgroepen van de sociale advocatuur, tot haar grote ergernis. ‘Ik vond het zo onterecht! Ik had toch precies dezelfde cliënten, waarom mocht ik dan niet meedoen? Maar nee: ik zat echt in het andere kamp. Zo waren de verhoudingen.’
Al die jaren dat ze het bureau van de orde runde, is ze ook altijd advocaat gebleven. ‘Net als de meeste juristen en stafmedewerkers op het bureau. Het is belangrijk dat je gelijke bent, dat je “geachte confrère” kunt zeggen. Dat je zelf geheimhouder bent en niet een afgeleid geheimhouder. Het is ook belangrijk om voeling te houden met de praktijk. De meeste advocaat-stafmedewerkers staan ingeschreven bij het rechtsgebied tuchtrecht. Maar ik heb altijd gestimuleerd dat stafmedewerkers ook cursussen op andere rechtsgebieden volgden, familierecht bijvoorbeeld. Zodat je weet hoe dat gaat, wat er wel en niet mag, omdat je dat allemaal ook tegenkomt in klachtzaken.’
Advocaten weten vaak niet dat de stafmedewerkers ook advocaat zijn – de meesten hebben sowieso geen idee wat er op dat bureau gebeurt, weet Reijnders-Sluis. ‘We zijn lastig. Vaak krijg je pas met ons te maken als er iets speelt. Of je wilt goedgekeurd worden als patroon en wij vinden dat dat niet kan. Of je hebt je punten niet gehaald. Maar er zijn ook veel advocaten die bellen voor advies bij een probleem. Of die worden bedreigd – dan gaan we gelijk achter ze staan. We zijn er ook als een advocaat overlijdt. Je wilt niet weten wat er dan allemaal moet gebeuren. Dan springen wij in om kantoorgenoten of de familie te helpen.’
Lastige gevallen
De groei van het bureau hield gelijke tred met die van de Amsterdamse balie en met de regelgeving waar advocaten aan moesten voldoen, zoals vanaf 2001 de Wet MOT, de voorloper van de Wwft. De deken, en daarmee het bureau, kreeg steeds meer instrumenten om disfunctionele advocaten aan te pakken. ‘Het is nu makkelijker om lastige gevallen naar de uitgang te begeleiden: via de procedures 60ab en 60c kun je de Raad van Discipline eerder vragen een advocaat te schorsen.’
Dat was weleens anders: neem de telg uit een Maastrichtse strafrechtfamilie van wie iedereen wist dat hij grote bedragen cash incasseerde, ook voor zaken buiten zijn strafexpertise. ‘Ik wist dat ook al uit mijn eigen praktijk: een cliënt (geen strafzaak) voor wie ik in mijn ogen alles had gedaan, stapte over naar hem en vertelde dat hij vele duizenden guldens had betaald. Op het dekenspreekuur kwamen ook al jaren mensen die heel veel cash moesten betalen. Maar het probleem was dat we heel lang niks konden bewijzen, omdat niemand wilde getuigen.’
Tot zich eindelijk een paar klagers meldden, de advocaat zijn opleidingspunten niet haalde en weigerde zijn jaarstukken te overleggen. ‘Toen hadden we ineens een stapeltje waar we iets mee konden. Dus ik denk dat als we iets aanpakken, we uiteindelijk wel succes hebben. Maar sommige mensen… Elke deken verzuchtte weleens: als ik er nou één of twee uit had mogen zetten, wat zou dat me een hoop tijd hebben gescheeld.” Dat is ook zo. Het is natuurlijk een beroepsgroep die zich niet zomaar bij iets neerlegt, maar alle middelen aanpakt om zich te verweren: traineren, in beroep gaan, noem maar op. Ze zijn niet voor niets advocaat, het zijn geen makkelijke klanten. Maar dat vind ik juist zo leuk.’
Die contante betalingen, al dan niet te goeder trouw, bleven opspelen. ‘Er zijn nou eenmaal mensen die geen bankrekening hebben. Daar moet je toch iets mee, want die mensen hebben ook recht op rechtsbijstand. We zijn ook gaan praten met de strafadvocatuur: hoe kijken jullie er tegenaan, hoeveel mag het zijn, waar zitten de problemen? Op een gegeven moment – en dat kon denk ik toch doordat Amsterdam zo groot is en we allerlei soorten advocaten hebben – hebben we een aantal casussen voorgelegd aan de tuchtrechter met de opzet ervoor te zorgen dat er duidelijkheid kwam.’
Collegialiteit
De afstemming met de Nederlandse orde in Den Haag verliep weleens minder constructief. ‘Het is heel belangrijk dat er een duidelijke rolverdeling is tussen de landelijke orde en de lokale ordes, tussen regels maken en toezicht houden. Daarom hebben we in Amsterdam ook altijd ons eigen logo gehouden. Zodat een advocaat weet: ik krijg nu een brief van de lokale orde.’
Maar het is jammer, vindt Reijnders-Sluis, dat er geen vanzelfsprekender collegialiteit is. ‘Uit governance-oogpunt is het goed te begrijpen dat regelmakers en toezichthouders afstand van elkaar houden. Maar het komt de regelgeving niet ten goede. Ik vind dat er bij de landelijke orde te weinig gebruik wordt gemaakt van de ervaring en praktijkkennis bij de plaatselijke bureaus. Kom gewoon eens vragen: hoe gaan bepaalde dingen, waar loop je tegenaan, voor je met een heel plan komt.’
Dat is nuttig, voor de harmonisatie van het toezicht, meent ze. ‘Een stap in de goede richting was de instelling in 2013 van het maandelijks dekenberaad waarin de elf lokale dekens overleggen. Ook alle adjuncten komen sindsdien elke maand bij elkaar. Maar sinds 2015 mogen de lokale dekens (en adjuncten) niet meer bij de vergaderingen van het Collega van Afgevaardigden zijn. Dus daar zitten geen mensen die goed op de hoogte zijn van de toezichtpraktijk, die snappen waarom een bepaalde regel wel of niet nuttig is.’
Reijnders-Sluis’ ideeën over collegialiteit tussen verschillende typen advocaten leidden ook tot de praktijk om advocaat-stagiairs van Zuidas-kantoren te laten meelopen in de sociale praktijk, om de voor de stageverklaring vereiste proceservaring op te doen. ‘De Raad voor Rechtsbijstand hield dat aanvankelijk tegen omdat er allerlei eisen worden gesteld aan ingeschreven advocaten. Dus daar heb ik op een gegeven moment gevraagd: kun je dat nou niet loslaten? Op een gegeven moment ging de landelijke orde akkoord, en toen kon het. Andersom kunnen stagiairs uit de sociale advocatuur ook veel leren in de commerciële praktijk. Maar zover is het nog niet.’
Activistisch
In Den Haag waren ze niet altijd even gelukkig met de actiebereidheid van de ‘Republiek Amsterdam’, die altijd vooropliep als er in toga gedemonstreerd moest worden om de gefinancierde rechtshulp te redden. ‘Ik ben wel activistisch ja, en heel blij dat ik van de Amsterdamse orde nooit mijn mond hoefde te houden. Gefinancierde rechtshulp is ontzettend belangrijk en ik denk dat een orde daarvoor moet staan. Dus ik stimuleerde de raad daar ook in. Wat mij betreft botsten die belangen niet. Maar je moet gewoon opkomen voor advocaten en zeker ook voor rechtzoekenden als die geen advocaat kunnen vinden. Daar ben je toch voor in het leven geroepen als advocaat, en dus ook als orde.’
‘Ik ben wel activistisch ja, en heel blij dat ik van de Amsterdamse orde nooit mijn mond hoefde te houden’
Die houding maakte dat ook Lawyers for Lawyers, de organisatie die wereldwijd advocaten steunt die vanwege de uitoefening van hun beroep worden vervolgd, altijd kon aankloppen bij de Amsterdamse orde. ‘De deken steunde dat ook altijd, daar was binnen de Amsterdamse raad nooit discussie over. Germ Kemper is bijvoorbeeld een keer met Lawyers for Lawyers meegegaan naar Damascus, om de zaak tegen mensenrechtenadvocaat Muhannad Al-Hassani bij te wonen.’
Het activisme diende altijd het hogere belang van de democratische rechtsstaat. Op haar verzoek organiseerde de Amsterdamse orde ter gelegenheid van haar afscheid als adjunct-secretaris een symposium met als thema: ‘De rechtsstaat onder druk’. Die druk is groot en in het huidige politieke klimaat is de kans dat het misgaat reëel, waarschuwden de sprekers. De advocatuur, de rechterlijke macht, de journalistiek: allemaal ervaren ze druk door de opkomst van rechts-radicale tendensen in de samenleving. De Poolse advocaat Katarzyna Gajowniczek-Pruszyńska legde uit hoe snel een op het oog solide rechtsstaat kan worden afgebroken: hoewel iedereen dacht dat het zo’n vaart niet zou lopen, was er in Polen strikt genomen slechts één weekend voor nodig.
In haar afscheidsspeech memoreerde Reijnders-Sluis dat de Warschause balie destijds aanklopte bij de Amsterdamse orde voor hulp en advies. ‘Wie had gedacht dat de rollen zo snel zouden zijn omgedraaid? Nu hebben wij hen gevraagd om advies hoe we de rechtsstaat kunnen beschermen.’
Volgens locoburgemeester Marjolein Moorman, ook een van de sprekers, heeft het aan Reijnders-Sluis niet gelegen: zij heeft zich altijd onvoorwaardelijk ingezet voor de rechtsstaat en de advocatuur. Voor haar werk voor de Amsterdamse orde kreeg Reijnders-Sluis de Andreaspenning van de stad Amsterdam uitgereikt.