actueel interview

‘Ook een OTA kan alleen uitgaan van feiten’

Barbara Rumora-Scheltema (59) mag zich sinds enkele weken voorzitter noemen van het dagelijks bestuur van het deken­beraad. Een nieuwe rol voor de Amsterdamse deken, die toch al de nodige turbulentie ondervindt.

Haar optreden in het onderzoek naar voormalig advocaat Khalid Kasem heeft het nodige commentaar gewekt. Niet alleen in de media, maar ook vanuit advocatuur en politiek. Dat is inherent aan de rol van de deken, oordeelt Rumora-Scheltema. ‘Laat ik niet doen alsof ik het leuk vind om al die kritiek over mij heen te krijgen. Dat is natuurlijk helemaal niet prettig. Maar tegelijkertijd probeer ik steeds ervan uit te gaan dat het niet over mij gaat, maar over mijn rol als deken.’

Na uitgebreid onderzoek concludeerde de Amsterdamse deken dat Kasem niet kon worden beticht van omkoping, wel van ongepast gedrag richting een cliënt. In een zogeheten normoverdragend gesprek kreeg de tv-presentator een formele waarschuwing, daar bleef het bij. Volgens critici een te milde maatregel, die nog maar eens aantoont dat het toezicht beter buiten de beroepsgroep kan worden belegd. Rumora-Scheltema relativeert die kritiek. ‘Vanaf het begin was duidelijk dat een aantal mensen moeite zou hebben met de uitkomst, ongeacht hoe die zou luiden. Dat is altijd het probleem met een onderzoek dat je als deken doet. Je kunt vanwege de vertrouwelijkheid van de gegevens nou eenmaal niet in detail vertellen waarom je tot bepaalde conclusies komt. Dat geldt ook hier. Dat maakt het ingewikkeld om uit te leggen wat je hebt gedaan of waarom je dat hebt gedaan. En voor advocaten ook heel lastig om zich tegen aantijgingen te kunnen verweren.’

De suggestie dat ze Kasem had moeten doorsturen naar de tuchtrechter, wijst ze van de hand. ‘De tuchtrechter doet geen onderzoek. Het is juist de deken die dat doet. En op het moment dat je als deken denkt dat er op grond van de feiten of het volledige dossier onvoldoende is om voor te leggen aan de tuchtrechter, maar wel reden voor een stevig gesprek, dan is dat de uitkomst. Ik heb dat zo goed mogelijk proberen uit te leggen.’

Rumora-Scheltema beschrijft in haar onderzoeksrapport uitvoerig wat ze heeft gedaan, wie en welke bronnen ze heeft geraadpleegd en waarom ze tot haar besluit is gekomen. Het is belangrijk dat de buitenwereld niet alleen vertrouwen heeft in advocaten, maar ook in het toezicht op en zelfreinigend vermogen van de advocatuur, zo schrijft ze. Ondanks die goede bedoeling lijkt ze per saldo een averechts effect te hebben gesorteerd. ‘Ik aarzel of dat zo is. In het verleden waren wij wel een klein beetje geneigd om de luiken zo veel mogelijk dicht te trekken. Op dat punt zijn we moderner geworden. Nogmaals, ongeacht de uitkomst zou er onvrede zijn geweest. En ik heb gelukkig ook veel positieve reacties gekregen.’

De Amsterdamse deken kreeg ook het verwijt een aanval te hebben ondernomen op de persvrijheid, door tussen te komen in het kort geding van Royce de Vries tegen het AD, en later in het hoger beroep. Die kritiek bestrijdt ze, erop wijzend dat ze ook bijval heeft gekregen. ‘Het was geen aanval op de persvrijheid. Het was een poging tot bescherming van geheimhoudersinformatie. Op een gegeven moment moet je afwegen wat het zwaarst weegt, dat is een zaak voor de rechter. En ik vind nog steeds dat geheim­houders­informatie extra bescherming verdient. Het gaat hier niet om geheime notulen van, zeg maar, een bestuursvergadering van Shell die een krant toevallig in handen krijgt. Het gaat erom dat een rechtzoekende vertrouwen moet kunnen houden in de advocatuur. Als die morgen een advocaat nodig heeft, moet hij niet hoeven aarzelen alles te vertellen uit angst dat het in de krant komt. Dat vind ik echt een enorm belang en dat is dus het belang waarvoor de deken is opgekomen.’

De kwestie-Kasem kwam recent ook aan bod in de Tweede Kamer en beheerste deels het debat over het toezicht op de advocatuur. Minister Weerwind voor Rechtsbescherming bepleit de oprichting van een landelijk opererende onafhankelijk toezichthouder (OTA), maar er is nog geen consensus over het takenpakket. Tijdens het debat zei Weerwind dat het optreden van de Amsterdamse deken heeft aangetoond dat het toezicht maar beter zo snel mogelijk moet worden ondergebracht bij de OTA. Rumora-Scheltema glimlacht, zonder vreugde. ‘Dat is een interessante opvatting. In eerste instantie wilde de minister het dekenbezwaar niet eens onderbrengen bij de OTA, alleen maar de bestuurs­rechtelijke handhaving. Ik snap wel dat mensen zeggen dat er dingen moeten veranderen. Maar tegelijkertijd moet je vaststellen dat hier ook bepaalde politieke elementen meespelen. Het is overigens de vraag of een OTA anders zou hebben beslist; ook een OTA kan alleen uitgaan van de feiten.’

Het is nogal gemakkelijk vanaf de zijlijn kritiek te uiten, wil ze maar zeggen. ‘De dekens proberen op een integere wijze zo goed mogelijk toezicht uit te oefenen. Ik span me daar in ieder geval voor in, ook al denken veel mensen dat dat niet zo is. Maar ik kan echt wel in de spiegel kijken. En ik twijfel er geen moment aan dat dat ook voor de andere dekens geldt.’

De elf lokale dekens zijn de wettelijk toezicht­houders voor alle 18.500 advocaten. Over enkele jaren wordt, als de minister zijn zin krijgt, die rol overgeheveld naar de OTA. De dekens blijven dan weliswaar actief, maar niet meer als toezichthouder. Ze fungeren als voorzitter van de plaatselijke raad van de orde, begeleiden stagiairs en behartigen de belangen van de advocaten in hun arrondissement. Minister Weerwind wil dat ze ook de klachtbehandeling blijven vervullen, maar zelf zien de dekens die taak niet los van het toezicht. Rumora-Scheltema: ‘Wij krijgen als toezicht­houders veel signalen uit de lokale infrastructuur. Het OM, de rechtbanken, noem het maar op. Die zijn belangrijk en helpen om goed toezicht te kunnen realiseren. Goed toezicht omvat ook klachtbehandeling. In het beoogde stelsel zou de lokaal toezichthouder ook van die signalen moeten kunnen profiteren.’

Het dekenberaad maakt op dat punt een andere keuze dan de landelijke orde, de NOvA. Dat maakt het voor minister Weerwind lastiger, aangezien er geen eensluidend advies ligt. De voorzitter van het dekenberaad ziet dit niet als een probleem. Volgens haar hebben de twee gremia nou eenmaal verschillende wettelijke taken. ‘We voeren met regelmaat uitgebreid overleg, maar vervullen elk een eigen rol. De dekens zijn de echte toezicht­houders, de algemene raad gaat over de regelgeving, belangenbehartiging enzovoort. Voor de dekens is de klachtbehandeling een belangrijk punt. De algemene raad hecht bijvoorbeeld sterk aan het aantal bestuurders van de OTA. Daar bestaan binnen het dekenberaad wat minder sterke gevoelens over. Nou, dat moet ook kunnen.’

De algemene raad vindt de overheveling van de klachtbehandeling naar de OTA vooralsnog een brug te ver. Dat zou een vergaande stelselwijziging betekenen die een grondiger voorbereiding behoeft, argumenteerde de raad in maart vorig jaar. Een woordvoerder sluit ‘nieuwe inzichten’ niet helemaal uit. ‘De algemene raad hecht eraan dat er na de invoering van een onafhankelijk toezichthouder advocatuur een waardevolle rol van de dekens blijft bestaan met daarnaast de wens van een versterkt, gecentraliseerd en toegesneden toezicht.’

‘De dekens proberen op integere wijze goed toezicht uit te oefenen. Ik span me daar in ieder geval voor in, ook al denken veel mensen dat dat niet zo is’

Rumora-Scheltema stelt zich pragmatisch op. ‘Ik denk dat we eigenlijk al bezig zijn met een stelselwijziging. Dan kun je het maar beter in één keer goed doen. Met name bij het ministerie wordt niet altijd goed begrepen hoe het in de praktijk werkt. Daar gaat men ervan uit dat een klacht die binnenkomt al meteen waardevolle informatie oplevert. En dat je kunt volstaan met een centraal meldpunt bij de OTA, waarna de klacht lokaal verder wordt behandeld. Zo werkt het niet. De ervaring leert nu juist dat tijdens die behandeling er vaak signalen naar boven komen. Want dan ga je doorvragen, doe je verder onderzoek en kom je misschien nog andere dingen tegen. Het is om die reden dat wij ervoor pleiten toezicht en klachtbehandeling bij elkaar te houden.’

Rumora-Scheltema denkt dat de lokale ordes, die momenteel in totaal ruim honderd fte in loondienst hebben, op termijn een stuk kleiner worden. Een aantal medewerkers gaat over naar de OTA, verwacht ze, die volgens het voorstel van de minister naast een landelijk kantoor ook vestigingen in de regio krijgt. ‘Het is overgang van onderneming, dus dat gaat waarschijnlijk automatisch. Wat nu door de medewerkers van de plaatselijk deken wordt gedaan, gebeurt straks door medewerkers van de OTA. Voor het grootste deel is het inhoudelijk hetzelfde. Of er straks elf, vijftien of drie lokale toezicht­houders komen, moet het bestuur van de OTA uitvissen. Ik denk dat het vergelijkbaar wordt met een lokale politiepost. Waarbij het best kan zijn dat een voormalig deken de lokale toezichthouder wordt. We vinden het wel belangrijk dat de lokale toezicht­houders goed begrijpen hoe de advocatuurlijke praktijk eruitziet.’

Overheveling van de klachtbehandeling naar de OTA helpt ook om de kosten van het toezicht te beheersen, denkt de Amsterdamse deken. ‘Laat ik vooropstellen dat op dit moment de kosten van het toezicht in de advocatuur heel laag zijn als je het vergelijkt met andere beroepsgroepen. Met accountants bijvoorbeeld. Die lachen ons echt hard uit als wij klagen over de kosten. Dat betekent niet dat wij net zoveel moeten gaan betalen als accountants, maar het zal wel duurder worden. Ik verwacht niet dat dat duizenden euro’s zullen zijn, maar denk eerder aan vijfhonderd tot maximaal duizend euro meer dan de huidige omslag. Daarbij ligt het voor de hand dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, zoals nu al in een aantal arrondissementen het geval is.’

Rumora-Scheltema heeft binnen het dekenberaad de hamer overgenomen van de Rotterdamse deken Peter Hanenberg. Welke accenten wil ze als voorzitter gaan leggen?

‘Ik heb mij de afgelopen tijd erg ingespannen om goede afspraken te maken met de NOvA. Waar dat in het verleden soms nog weleens botste omdat er onduidelijkheden waren of wat dan ook. Goede onderlinge communicatie is belangrijk. Ook binnen het dekenberaad. Het is heel nuttig dat je elkaar kunt raadplegen en dat je samen optrekt.’

De lokale dekens opereren overwegend tuchtrechtelijk, maar gaan in toenemende mate bestuursrechtelijk handhaven, aldus de Amsterdamse deken. ‘Wij hebben als dekens afgesproken dat we meer werk moeten maken van onze positie als bestuursorgaan. Met name de binaire dingen, waar het voor de hand ligt een boete op te leggen als iemand dat niet doet. Denk aan de CCV-opgave en financiële kengetallen. Een gang naar de tuchtrechter kan ook wel, zeker als ook sprake is van andere problemen, maar een bestuurs­rechtelijke route ligt in dergelijke situaties meer voor de hand.’

Volgens Rumora-Scheltema is al een aantal malen een last onder dwangsom opgelegd, omdat advocaten weigerden de CCV in te dienen of financiële kengetallen te verstrekken. In de achterliggende maanden heeft het dekenberaad hard gewerkt aan de bestuurs­rechtelijke aanpak, zegt ze. ‘We hebben nu alles klaarliggen om uit te rollen. De waarschuwingen alleen al hebben ertoe geleid dat meer mensen dan ooit hun CCV hebben ingediend. Er gaan ongetwijfeld nog procedures volgen, maar het werkt.’