vak & mens

Rare vogel met grote belangstelling voor de mens

Media-advocaat en oud-deken Germ Kemper stopt na ruim vijftig jaar met de praktijk.

Kemper is 77 en hij vond van zichzelf dat hij niet meer zo goed functioneerde. ‘Ik zag brieven die ik eerder had geschreven waar ik de typefouten niet goed uit had gehaald. Dat soort dingen. En dat begon een beetje aan mij te knagen.’ Daarbij werd het steeds lastiger om aan de opleidings­verplichtingen te voldoen. ‘Ik stond als tuchtrechtspecialist in het register. Maar er zijn geen cursussen op dat gebied waar ik nog iets van opsteek.’ Tot een jaar of vijf geleden gaf hij die cursussen namelijk zelf: zo haalde hij ‘freewheelend’ zijn punten binnen en kreeg hij er ook nog voor betaald. ‘Prachtig! Maar het droogde een beetje op. Dus alles bij elkaar dacht ik: wat doe ik eigenlijk? Ik heb zo’n geringe praktijk, ik kom niet meer uit. Dat is de moeite niet meer.’ Dat betekent overigens niet dat hij achter de geraniums kruipt. Hij blijft verbonden aan de Law Firm School, waar hij eindverantwoordelijk is voor het ethiekonderwijs. ‘Dat blijf ik doen, want dat is gewoon heel leuk.’

Stibbe

Toen hij in Groningen ging studeren, werd hij lid van het corps. ‘Geen seconde over nagedacht, dat deed je gewoon. Daardoor was het destijds veel diverser dan nu en liepen er ook rare vogels rond.’ Terug in Amsterdam vroeg Robert Samkalden, de broer van zijn vriend Daan, of hij niet eens wilde komen praten bij kantoor Stibbe, Blaisse & De Jong, destijds gevestigd in de panden boven tabaksspeciaalzaak Hajenius aan het Rokin. Hij trad aan als advocaat-stagiair maar besloot na vier jaar toch zijn heil elders te zoeken. ‘Men vond dat heftig. Ik zei: de meeste mensen vind ik, individueel, fantastische mensen en geweldige advocaten. Maar het collectief bevalt mij niet, het is een systeem dat niet aardig is voor mensen en te veel op geld gericht. Daar wilde ik niet langer bij horen.’ Stibbe zelf –⁠ wiens lijfspreuk was: ‘het is anders’ – hoorde ervan en belde hem op. ‘Ik kom nu naar je toe!’ En twee minuten later: ‘Waar zit je eigenlijk?’ ‘Ik zat in een krocht van dat gebouw waar hij nog nooit was geweest. We hebben uren gepraat. Op het laatst zei hij: ik snap je. Maar ik vind het wel jammer.’

‘Ik stond als tuchtrecht­specialist in het register. Maar er zijn geen cursussen op dat gebied waar ik nog iets van opsteek’

Kemper bouwde vervolgens een eigen praktijk op, met een zwaartepunt in het mediarecht. Hij stond cliënten bij in spraakmakende zaken, van hond Paco (die toch echt een hond bleek, geen kind) tot politica Ayaan Hirsi Ali, toen zij werd gedagvaard omdat zij een islam-kritische film zou willen maken. Toch lag zijn interesse nooit alleen bij de juridische aspecten van een zaak. ‘Ik heb altijd een grote belang­stelling gehad voor de mens,’ zegt hij. ‘Ook voor de mens in toga.’ Die belang­stelling bracht hem richting beroepsethiek en tuchtrecht. Vanuit de raad van toezicht werd hij gevraagd deken te worden van de Amsterdamse orde.

Deken

Toen Kemper in 2007 aantrad als deken was net een felle discussie losgebarsten over de Law Firm School, die door een aantal Zuidas-kantoren was opgericht uit frustratie over de gebrekkige aansluiting van de algemene beroeps­opleiding op hun praktijk. ‘Mensen waren bang dat er A- en B-advocaten zouden ontstaan,’ zegt Kemper. ‘Bij een vergadering van het college van afgevaardigden zei ik toen: hou toch op zeg, een advocaat is iemand die de eed heeft afgelegd en op het tableau staat. Niet handig. Mijn punt was: zoek nou naar wat het vak inhoudt, in plaats van je achtergesteld te voelen of te roepen dat je niet serieus wordt genomen, want dat is helemaal niet waar. Maar probeer te bedenken waarom de zaak bij elkaar moet worden gehouden en wat die advocaten verbindt.’

Toenmalig staats­secretaris Fred Teeven (VVD), die in een eerdere carrière als crimefighter zijn tanden had stukgebeten op het verschonings­recht van advocaten, wilde het toezicht op de advocatuur buiten de beroeps­groep plaatsen. ‘Er stond flink druk op,’ zegt Kemper. Het gevaar kon worden afgewend door bestuurlijk mastodont Arthur Docters van Leeuwen onderzoek te laten doen naar het vermeend falend toezicht op advocaten door advocaten zelf. Het rapport dat volgde, maakte indruk, ook op de politiek. ‘Dat hielp geweldig,’ zegt Kemper. ‘De boodschap was: het valt reuze mee.’

Tegelijk speelde de discussie over de rol van de orde zélf: het feit dat de deken zowel belangen­behartiger als toezicht­houder is. ‘Degene die je om raad vraagt, wordt ook geacht toezicht op je te houden. Dat wringt,’ zegt Kemper. Tijdens zijn dekenaat werden de eerste stappen gezet om beide functies te scheiden en Kemper was de eerste voorzitter van het in 2010 opgerichte deken­beraad.

Moszkowicz

Geen dossier drukte zo’n stempel op zijn dekenaat als dat van Bram Moszkowicz. Over de straf­advocaat gingen al jaren verhalen rond: over hoge contante betalingen, de te losse omgang met criminele cliënten. Maar: niemand klaagde en zonder klagers geen zaak. ‘Tot ik in de krant las over zijn conflict met de Belasting­dienst,’ zegt Kemper. ‘Toen dacht ik: ik moet weten of die praktijk nog kan functioneren en of cliënten voldoende beschermd zijn.’ Opeens kwamen meerdere klachten binnen, over gebrek aan aandacht en continuïteit. ‘Het totaalbeeld werd griezelig,’ zegt Kemper. Maar de uitkomst –⁠ schrapping van het tableau – leidde tot een paradoxale reactie vanuit het publiek. ‘Enerzijds werd gezegd dat advocaten elkaar altijd de hand boven het hoofd houden. Anderzijds kreeg ik kritiek omdat ik achter Moszkowicz aanging.’ Voor Kemper was het geen persoonlijke kwestie. ‘Het ging om normen,’ zegt hij.

Tijdens zijn dekenaat was Kemper ook intensief betrokken bij Lawyers for Lawyers, de organisatie die opkomt voor collega’s die vanwege hun beroep in de problemen zijn gekomen. Daarmee zijn we terug bij de vraag wat al die advocaten nu bindt. ‘Dat is toch de beroepsethiek, die inhoudt dat als je dit vak serieus beoefent, je bedreigd kunt worden of je vrijheid wordt ingeperkt. Door af en toe in het krijt te treden voor advocaten in buitenlanden die het moeilijk hebben, help je hen misschien een beetje, maar je zet hopelijk ook advocaten in Amsterdam ertoe aan wat breder na te denken over hun vak.’