van de nova
uitspraken
Van de tuchtrechter
Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Maurice Mooibroek, Oscar Pluimer, Leonie Rammeloo en Robert Sanders.
Inbrengen vertrouwelijke correspondentie
- Raad van Discipline Amsterdam 11 augustus 2025, zaak nr. 25-091/A/NH, ECLI:NL:TADRAMS:2025:139.
- Artikel 46 Advocatenwet.
- Tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door per abuis ontvangen e‑mail tussen klager en zijn cliënt te gebruiken in procedure.
Aan onderhavige zaak ligt een juridisch geschil ten grondslag tussen een kleinzoon, de cliënt van mr. X, en (de gevolmachtigde van) zijn grootouders, de cliënt(en) van klager. De kleinzoon beheerde lange tijd de financiën van de grootouders. Op enig moment is het beheer belegd bij de gemachtigde van de grootouders, de oom van de kleinzoon. Daarna is klager namens de grootouders een procedure gestart tegen de kleinzoon en heeft in dat verband conservatoir beslag laten leggen op het (volledige) vermogen van de kleinzoon. De kleinzoon heeft steeds het vermoeden gehad dat niet zijn grootouders, maar zijn oom de drijvende kracht is achter de procedure.
Tijdens de procedure heeft klager abusievelijk een e‑mail bestemd voor de gemachtigde van de grootouders aan mr. X verzonden. In reactie hierop bericht mr. X aan klager dat uit de e‑mail blijkt dat de oom de primaire contactpersoon is en hij zo nodig namens zijn cliënt in de verdere toelichting op de zaak aandacht zal besteden aan deze e‑mail. Daarna heeft mr. X de e‑mail van klager en zijn reactie hierop ingebracht in de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
De klacht houdt in dat mr. X in strijd met artikel 46 Advocatenwet heeft gehandeld door de per abuis aan hem verzonden e‑mail van klager die was gericht aan de contactpersoon/gemachtigde van klager zijn cliënt(en), zonder overleg in te hebben gebracht in de procedure.
De Raad van Discipline overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat mr. X wist dat het om een verzendvergissing ging en dat in het algemeen geldt dat een dergelijk verkeerd ontvangen e‑mail niet mag worden gebruikt. Dat het gaat om een zeer tragisch geschil waarbij klager namens de grootouders rauwelijks beslag heeft laten leggen op het vermogen van de kleinzoon en door de e‑mail het vermoeden is bevestigd dat de oom achter de zaak zat, vormen voor mr. X geen rechtvaardiging om de e‑mail zonder toestemming van klager in te brengen. Dat had ook op andere wijze aan de orde kunnen worden gesteld. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor zonder uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toestemming van klager de e‑mail door mr. X mocht worden ingebracht, is onder deze omstandigheden geen sprake.
De raad verklaart de klacht gegrond, maar legt geen maatregel op. Dat acht de raad in dit geval niet passend nu klager meermaals de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen het gebruik van de e‑mail door mr. X kenbaar te maken, maar dat niet heeft gedaan en pas twee jaar nadien de tuchtklacht heeft ingediend. Bovendien ging het niet om vertrouwelijke informatie, maar slechts om het doorsturen van een rolbericht.
Optreden tegen voormalig cliënte
- Hof van Discipline 13 oktober 2025, zaak nr. 240194, ECLI:NL:TAHVD:2025:190.
- Artikel 10a Advocatenwet; gedragsregel 15.
- Context van eerdere werkzaamheden die relevant zijn bij de beoordeling of sprake is van ‘dezelfde zaak’.
Klaagster houdt 25% van de aandelen in T. B.V. T. B.V. is als Nederlandse holding-bv opgericht in het kader van een herstructurering van het (indirecte) aandelenbezit van de vader van klaagster in een Tsjechische vennootschap, M. De herstructurering stond in het teken van de overdracht van het (indirecte) belang van de vader in M. aan klaagster en aan haar broer. Het notariaat van het kantoor van mr. X heeft de akte van schenking gepasseerd waarbij onder andere 25% van de aandelen in T. B.V. door de broer zijn overgedragen aan klaagster. In het kader van deze herstructurering is het kantoor van mr. X ook gevraagd te beoordelen of de uit de concept-aandeelhoudersovereenkomst voortvloeiende wijzigingen van de statuten van T. B.V. in overeenstemming waren met Nederlands recht en om opmerkingen en suggesties te geven over hoe deze wijzigingen op de beste manier in overeenstemming waren te brengen met Nederlands recht. De concept-aandeelhoudersovereenkomst is vervolgens onderwerp van gesprek geweest tussen klaagster en (kantoorgenoten van) mr. X. Enkele jaren later is namens klaagster tegen T. B.V. een enquêteprocedure gestart bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. In deze enquêteprocedure is T. B.V. (mede) bijgestaan door mr. X.
De klacht houdt in dat mr. X heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 15 (belangenverstrengeling) door in de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer tegen een voormalig cliënte op te treden.
De raad oordeelde dat mr. X tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat – kort samengevat – de enquêteprocedure waarin hij voor T. B.V. optrad geen andere zaak betrof, dan wel een zaak die verband hield met een eerdere zaak waarin zijn kantoor klaagster (mede) had geadviseerd. De (rechts)verhouding die tussen klaagster als minderaandeelhoudster en haar broer als meerderheidsaandeelhouder van T. B.V. in het geschil bij de Ondernemingskamer ter discussie stond, was volgens de raad ook aan de orde bij de (concept-)aandeelhoudersovereenkomst in verband waarmee het kantoor van mr. X eerder had geadviseerd.
Het hof overweegt dat de eerdere werkzaamheden (van kantoorgenoten) van mr. X omtrent (de statuten van) T. B.V. niet los kunnen worden gezien van de overdracht van het (indirecte) aandelenbezit van de vader in M. aan zijn kinderen. In dit verband diende de beoogde aandeelhoudersovereenkomst de belangen van klaagster als minderheidsaandeelhoudster te regelen. Uit deze context volgt dat de eerdere werkzaamheden in het teken stonden van het regelen door klaagster en haar broer van hun (indirecte) belangen in M. Nadien zijn in de procedure bij de Ondernemingskamer de belangen van klaagster tegenover de belangen van T. B.V. en haar broer komen te staan. Op grond van de context waarin de eerdere werkzaamheden ten aanzien van de statuten van T. B.V. en de overdracht van het aandelenbezit hebben plaatsgevonden, betreft de latere procedure bij de Ondernemingskamer ‘dezelfde zaak’. Het hof oordeelt dat mr. X dan ook niet voor T. B.V. tegen klaagster als voormalig cliënte mocht optreden, nu niet aan alle cumulatieve uitzonderingsvoorwaarden van gedragsregel 15 is voldaan. Door dit toch te doen, heeft mr. X gedragsregel 15 en de kernwaarde partijdigheid uit het oog verloren.
Waarschuwing.
Belangenconflict en GIO
- Raad van Discipline, 11 augustus 2025, ECLI:NL:TADRAMS:2025:140.
- Artikel 10 lid 1 sub d, e Advocatenwet; gedragsregel 15.
- Geen belangenverstrengeling omdat geen vertrouwelijke informatie is gedeeld tijdens GIO-overleg.
Klager is verwikkeld in een familierechtelijk geschil met zijn ex-partner. Zijn advocaat, mr. V, besprak de zaak op in mei 2024 binnen een Gestructureerd Intercollegiaal Overleg (GIO), waaraan ook mr. X deelnam. In het najaar van 2024 ging mr. X de ex-partner van klager bijstaan. Toen mr. V de zaak op 4 november 2024 opnieuw wilde bespreken in het GIO, gaf mr. X aan dat dit niet kon omdat zij inmiddels contact had gehad met de wederpartij. De bespreking van de zaak ging toen niet door.
Toen mr. X zich niet wilde onttrekken, diende klager een klacht in. Hij verweet dat mr. X in strijd met vertrouwelijkheid, onafhankelijkheid en integriteit handelde door de wederpartij bij te staan, terwijl zijn zaak eerder vertrouwelijk in het GIO was besproken. Het enkele feit dat zijn zaak werd ingebracht in het GIO, wekt bij klager in ieder geval de schijn dat mr. X vertrouwelijke informatie heeft verkregen.
De raad verklaart de klacht ongegrond. Naar het oordeel van de raad heeft mr. X voldoende gemotiveerd aangevoerd dat tijdens het GIO in mei 2024 een algemeen procesrechtelijk juridisch vraagstuk (voortkomend uit de zaak van klager) was besproken. Dat tijdens dit overleg (dan wel tijdens een ander GIO-overleg) ook vertrouwelijke informatie over de zaak van klager zou zijn gedeeld, waarvan mr. X hierna in haar bijstand van de vrouw voordeel heeft gehad, wordt door mr. X betwist en klager heeft dit punt niet nader onderbouwd. Nu het de raad ook overigens niet is gebleken dat verweerster vertrouwelijke informatie heeft verkregen waardoor zij de wederpartij, de vrouw, niet meer mocht bijstaan, is van (de schijn van) belangenverstrengeling geen sprake.