juridisch

valkuilen in het recht

‘Ik hoef niet in hoger beroep want ik heb gelijk gekregen’

Uitspraken krijgen ex artikel 236 Rv tussen partijen gezag van gewijsde als daar niet tijdig een rechtsmiddel tegen wordt aangewend. Dat geldt niet alleen voor het dictum, maar ook voor dragende overwegingen. Een valkuil is om niet op te komen tegen dragende overwegingen, omdat je in het dictum gelijk hebt gekregen. Dit artikel behandelt vijf valkuilen in verband met art 236 Rv.

Valkuil 1: dragende overwegingen krijgen gezag van gewijsde, ook bij een gunstige beslissing

Artikel 236 Rv verleent bindende kracht aan beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis. Niet enkel het dictum, maar ook dragende overwegingennoot 1 krijgen gezag van gewijsde, zoals bevestigd in HR 8 november 2024, ECLI:​NL:​HR:​2024:1596. Niet-dragende overwegingen (obiter dicta) daarentegen niet. Dit impliceert dat zelfs een partij die formeel in het gelijk is gesteld een rechtsmiddel moet aanwenden indien het vonnis ongunstige dragende overwegingen bevat.noot 2 Heeft het andere geding (mede) betrekking op andere geschil­punten dan die waarover in het eerdere geding is beslist, dan strekt het gezag van gewijsde van de beslissing in het eerdere geding zich niet uit tot die andere geschil­punten.noot 3

Een voorbeeld waar een partij tegen artikel 236 Rv aanliep, was in de uitspraak van de Stichting Rederij de Drie Geuzen.noot 4 Daarin was een vordering van de stichting tegen de voormalige voorzitter afgewezen met als dragende overweging dat het ontslag van de bestuurder geldig was. In een aparte procedure vocht de voorzitter zijn ontslag aan, maar liep toen tegen het gezag van gewijsde aan. De Hoge Raad oordeelde: ‘Indien, zoals in het onderhavige geval, een vordering of verzoek is afgewezen en deze afwijzing berust op een voor de gedaagde of verweerder nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, krijgt die beslissing bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak gezag van gewijsde. Dit brengt mee dat de gedaagde of verweerder voldoende belang kan hebben bij een rechtsmiddel tegen die uitspraak, ook al strekt het dictum tot afwijzing van de vordering of het verzoek van de weder­partij.’

Dus ook bij een gunstige beslissing moet tegen een ongunstige dragende overweging een rechtsmiddel worden ingesteld. Dit kan dus ook in cassatie een rol spelen.

Valkuil 2: ondanks devolutieve werking toch (incidenteel) appel instellen in sommige gevallen

In F/​KSNnoot 5 oordeelde de Hoge Raad dat doordat KSN geen incidenteel beroep heeft ingesteld – ook niet voorwaardelijk – tegen het vonnis van de kantonrechter voor zover daarbij de vordering van eiser is toegewezen, dat vonnis voor wat betreft het aannemen van een arbeids­overeen­komst in kracht van gewijsde is gegaan. Voordien werd aangenomen dat de devolutieve werking van het hoger beroep maakte dat ook een dergelijk oordeel opnieuw zou moeten worden behandeld. In HR 26 mei 2023, ECLI:​NL:​HR:​2023:784, wordt gedeeltelijk teruggekomen op de zaak-F/​KSN, waarbij de Drie Geuzenuitspraak wordt herhaald. Kort gezegd hangt het ervan af of een de andere partij zich op artikel 236 Rv beroept of niet. Bij gebreke daarvan moet het hof de devolutieve werking in een F/​KSN-situatie toepassen. Dat schept dus niet veel zekerheid, zodat veilig­heidshalve – al dan niet voorwaardelijk – incidenteel hoger beroep moet worden ingesteld.noot 6

Valkuil 3: ook in geval van een kennelijke fout ex artikel 31 Rv moet tijdig worden geappelleerd

Ook is het soms nood­zakelijk om zekerheidshalve hoger beroep in te stellen wanneer een partij weliswaar in het gelijk is gesteld maar dit is gebaseerd op een (mogelijke) kennelijke fout die zich eenvoudig voor herstel leent als bedoeld in artikel 31 Rv. Dit volgt uit HR 28 november 2025, ECLI:​NL:​HR:​2025:1805. In die zaak was het dictum van het eindvonnis strijdig met het tussen­vonnis. Pas twee jaar later, dus ruim na het verstrijken van de appeltermijn, vroeg en kreeg een partij een herstelvonnis, waartegen – met uitzondering van doorbraakgronden – geen rechtsmiddel openstaat. Ook daarop moet men dus beducht zijn en dus tijdig in hoger beroep gaan.

Valkuil 4: in artikel 1:401 BW alimentatiezaken krijgen sommige zaken toch gezag van gewijsde

Gezag van gewijsde komt in beginsel ook toe aan beslissingen met betrekking tot alimentatiebeschikkingen.noot 7 Dit gezag van gewijsde wordt evenwel in zoverre beperkt dat ingevolge artikel 1:401 BW een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij een latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandig­heden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1) of indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4). Bij een wijziging ex artikel 1:401 is de rechter niet gebonden aan geschilbeslissingen in de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht indien blijkt dat een of meer van de in die bepalingen genoemde gronden zich voordoen. De rechter dient dan de alimentatie volledig opnieuw vast te stellen, rekening houdend met alle ter zake dienende omstandig­heden, en hij is daarbij niet gebonden aan oordelen omtrent die omstandig­heden in de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht.noot 8 Dat geldt ook indien de bewuste partij zelf in een eerdere procedure te weinig gegevens heeft aangeleverd.

Uit HR 17 mei 2013, ECLI:​NL:​HR:​2013:CA0356, volgt dat echter beslissingen over niet-wijzigbare omstandig­heden (in casu grievend gedrag) wél gezag van gewijsde hebben.

In de rubriek Valkuilen in het recht schetsen advocaat-redactieleden van het Advocatenblad welke veelgemaakte fouten zich in hun rechts­gebied voordoen.

Valkuil 5: verschillende partijen

Bij elke civiele rechterlijke uitspraak dient een partij goed te onderzoeken of en zo ja op welke wijze zij ongelijk heeft gekregen en in hoeverre die partij daar in een eventueel hoger beroep van de weder­partij, cassatie of in een andere procedure ‘last’ van kan krijgen. Vergeet daarbij niet ook de tussenuitspraken mee te nemen. Denk daarbij ook aan de situatie dat een vordering is ingesteld tegen meerdere partijen en de vordering slechts tegen één daarvan wordt toegewezen. In een dergelijk geval is het dan heel goed mogelijk dat alleen die laatste partij in hoger beroep of cassatie komt. Indien er dan niet tijdig zelfstandig tegen de partijen waartegen de vorderingen zijn afgewezen is geappelleerd of cassatie is ingesteld, kan dat niet met een incidenteel appel of cassatie­beroep worden hersteld. Indien slechts één partij een rechtsmiddel aanwendt, krijgt de uitspraak tegen de andere partijen na ommekomst van de beroeps- of cassatietermijn gezag van gewijsde.

Tot slot

Het proces­recht is een mijnenveld. Men zal steeds goed moeten onderzoeken of tegen alle overwegingen die voor de uitspraak van belang zijn wordt opgekomen, ook wanneer men gelijk heeft gekregen, zelfs indien dat berust op een kennelijke verschrijving. Leuker kunnen we het niet maken, makkelijker helaas ook niet.

Mr. dr. H.J.W. Alt is cassatieadvocaat bij Alt Kam Boer in Den Haag en redacteur van dit blad.

Noten

  1. HR 17 mei 2013, ECLI:​NL:​HR:​2013:CA0356 en HR 20 januari 1984, ECLI:​NL:​HR:​1984: AG4740, NJ 1987/​295.

  2. HR 18 december 2020, ECLI:​NL:​HR:​2020:2099, rov. 3.1.3 verwijzend naar Kamerstukken II 1969/​70, 10377, nr. 3, p. 22, 23 en HR 18 september 1992, ECLI:​NL:​HR:​1992:ZC0683, rov. 3.3.

  3. HR 18 december 2020, ECLI:​NL:​HR:​2020:2099, rov. 3.1.3 verwijzend HR 15 mei 1987, ECLI:​NL:​HR:​1987:AC4156, rov. 3.4.

  4. HR 13 mei 2022, ECLI:​NL:​HR:​2022:683.

  5. HR 30 maart 2012, ECLI:​NL:​HR:​2012:BU8514 (F/​KSN).

  6. Zie verder H.J.W. Alt, ‘Schaken op drie borden II’, Adv.bl. 2024-10 p. 86-90 en https://​magazine.advocatenblad.nl/​2024-10/​schaken-op-drie-borden-ii/.

  7. HR 30 oktober 1998, nr. R98/​003, NJ 1999, 83 en HR 25 mei 2007, ECLI:​NL:​HR:​2007:BA0902.

  8. HR 15 november 1996, nr. 8785, NJ 1997, 450.