actueel
Het vonnis in de zaak-Weski houdt op voorbeeldige wijze rekening met de omstandigheden van de verdachte. Een hoger beroep is daarom onlogisch, vinden strafrechtadvocaten Onno de Jong, Veerle Hammerstein en Dennis Wolters, tevens NVSA-voorzitter. Zij reageren op de recente uitspraak van de rechtbank. ‘Er is geen sprake van klassenjustitie.’

Wat was je eerste reactie op het vonnis?
De Jong: ‘Ik vond het een heel uitgewogen, goed gemotiveerd vonnis. De rechtbank legt helder uit wat het verwijt is, waarom het bewezen verklaard wordt en waarom de meeste verweren verworpen zijn. Ik kon tijdens het proces nooit goed vatten op wat voor bewijsmiddelen het OM zich baseerde. Van die achtduizend belastende chatberichten had ik er geen een gezien, het leek richting vrijspraak te gaan. Nu gaf de rechtbank daar beduidend meer duidelijkheid over. Ook is overtuigend aangetoond dat het betreffende Sky ECC-account van Weski was, dat is altijd essentieel in dit soort zaken.’
Wolters: ‘Inderdaad droeg het ondersteunende bewijs dat de berichten toegeschreven konden worden aan Weski in grote mate bij aan de bewezenverklaring. De rechtbank heeft hiervoor allerlei informatie uit de berichten gekoppeld aan de precieze timing van de bezoeken van Weski aan de EBI. Het was een belangwekkende uitspraak voor onze beroepsgroep, daarom heb ik het als NSVA-voorzitter meteen op de livestream gekeken.’
‘Het is een hard oordeel met een zachte straf’

Hammerstein: ‘Ik ben blij dat juist in deze belangrijke zaak de uitspraak zo helder gemotiveerd is. In begrijpelijke taal, die ook door leken te volgen is. De voorzitter van de rechtbank vond tijdens het voorlezen ook de juiste toon. Het vonnis zelf kun je typeren als een hard oordeel met een zachte straf. Toen de bewezenverklaring zo eenduidig was en veel verweren verworpen werden, dacht ik dat het vonnis toeging naar twee, drie of vier jaar celstraf. Dat de rechtbank Weski uiteindelijk niet terugstuurt naar de gevangenis vind ik een terecht en een moedig besluit.’
Er was verbazing over de relatief milde straf voor Weski. Hoe kijken jullie daar tegenaan?
Hammerstein: ‘Ik vind dat de rechtbank heel goed naar de persoon en omstandigheden van de verdachte heeft gekeken. Weski had geen strafblad en een grote staat van dienst. Ze heeft een enorm broze gezondheid, zowel psychisch als geestelijk, ze is ook suïcidaal geweest. Dat maakt dat je je als rechtbank gaat afvragen: “Moet je deze vrouw opnieuw de gevangenis insturen?” Er is in elk geval geen sprake van klassenjustitie, zoals sommigen beweren.’
‘Een deel van het publiek ziet ons als maffiamaatjes’
De Jong: ‘Een voorrangsbehandeling is volstrekt niet aan de orde. Bovendien: welk strafdoel dient het als je Weski een celstraf oplegt? Gevaar voor recidive is er niet, want ze is gestopt als advocaat. Wel wijkt de lage straf af van vergelijkbare zaken, waar ik als advocaat ook omstandigheden aanvoerde: de verdachte is zijn bedrijf kwijt of zijn zoon is ernstig ziek. Daar gaan rechters vaak aan voorbij, er moet afgerekend worden. Dat verschil is wel een beetje pijnlijk, maar dat maakt dit vonnis niet minder juist. Ik hoop dat deze uitspraak een begin is van een nieuwe jurisprudentie, met structureel meer aandacht voor de persoonlijke omstandigheden.’

Wolters: ‘Het “ontluisterende einde van een carrière” waar de rechtbank van spreekt, is zeker waar. En rekening houden met de persoon is goed, maar je kunt je afvragen in welke mate. Het is natuurlijk fijn voor haar, maar de verschillen met andere rechtszaken waarbij ook zoiets speelt, zijn opvallend. Enkele vormfouten hebben ook geleid tot strafmindering: ik vond met name het onrechtmatig verspreiden van geheimhouderinformatie binnen het OM zwaar wegen. Dat was onacceptabel.’
Het vertrouwen in de advocatuur is geschaad, vindt de rechtbank. Deel je deze inschatting?
Wolters: ‘Ik vrees dat een deel van de publieke opinie het beeld bevestigd ziet van advocaten als “maffiamaatjes”. Zo’n negatief imago ligt snel op de loer, terwijl de grote meerderheid zich niet laat corrumperen en zuiver opereert. Daarom is het ook onrechtvaardig dat naar aanleiding van enkele incidenten rond de verdediging van Taghi enkele algemene maatregelen zijn ingevoerd die uitermate hinderlijk zijn voor de werkwijze en vrijheid van alle strafrechtadvocaten. Deze beperkingen van de communicatie met cliënten in de EBI en AIT staan een eerlijk proces in de weg. Je moet vrij kunnen overleggen, maar door het cameratoezicht en andere regels voelt de cliënt zich niet meer vrij om te vertellen wat hij wil. Terwijl dit cruciaal is voor een goede verdediging.’
Hammerstein: ‘Ik denk dat het feit dat dit proces zich zo nadrukkelijk in de openbaarheid afspeelde, heeft bijdragen aan een genuanceerd beeld. Het publiek heeft inderdaad de neiging te denken dat advocaten de maffia helpen. Maar door de vele media-aandacht en de vaak gebalanceerde inkleuring van deze zaak verwacht ik dat veel mensen zien hoe uitzonderlijk deze zaak is.’
De Jong: ‘De schade voor onze beroepsgroep vertaalt zicht het meest concreet in al die gekke beperkende maatregelen die nu gelden. Er is van de situatie gebruikgemaakt om de advocatuur voor een deel monddood te maken en de verdediging in te perken. Je kunt er haast op wachten dat door dit proces de politiek weer gaat oproepen tot extra beperkingen. Terwijl de huidige maatregelen al zo funest zijn. Rustig overleggen met je cliënt is er niet meer bij, dat is natuurlijk enorm kwalijk.’
Wolters: ‘Tegelijk is dit proces voor advocaten een goede aanleiding om deel te nemen aan de speciale weerbaarheidstrainingen. Immers, als het Inez Weski gebeurt, waarom zou het jou dan niet kunnen overkomen? De trainingen zijn te volgen bij de NOvA, maar je kunt ze ook laagdrempelig organiseren op je eigen kantoor. Er zijn speciale cursussen voor advocaten met cliënten die in zware detentie zitten. Ze maken je bewust van de risico’s. Je krijgt bijvoorbeeld een rollenspel met acteurs. Je leert dat het vaak begint met kleine, subtiele vragen die uitgroeien tot meer. Je moet goed opletten en duidelijk grenzen aangeven. Volg dit soort trainingen, raden wij onze leden daarom aan. Dat straalt ook uit dat we als beroepsgroep niet blind zijn voor de risico’s en onze verantwoordelijkheid nemen.’