juridisch
valkuilen in het recht
Verjaringstermijn niet in beton gegoten
Meer dan in andere rechtsgebieden speelt verjaring in het aansprakelijkheidsrecht een rol. De advocaat die wordt gevraagd naar de kansen van een claim checkt doorgaans eerst of de vordering niet is verjaard. Op dat punt is het recht ingewikkelder dan het op het eerste gezicht lijkt.
Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.
Die tweede termijn, de objectieve verjaringstermijn van twintig jaar, vormt een vangnet voor de schadeveroorzaker dat slechts in een beperkt aantal gevallen een rol speelt. De juridische discussie gaat doorgaans over de eerste verjaringstermijn van vijf jaar.
Valkuil 1: de aanvang van de vijfjaarstermijn is subjectief
De in artikel 3:310 lid 1 genoemde termijn van vijf jaar is een subjectieve termijn. Dat betekent dat de aanvang ervan afhangt van bekendheid van de benadeelde persoon met 1) de schade en 2) de daarvoor aansprakelijke persoon. Daarvan zal volgens vaste rechtspraak sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.noot 1 Het enkele vermoeden van het bestaan van schade, dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, is niet voldoende voor het aanvangen van de verjaringstermijn. Evenmin is van belang wat de benadeelde moest begrijpen of vermoeden.
Zo werd in het arrest HR 24 januari 2003, NJ 2003/300 (BASF/Rensink) beslist dat indien het gaat om lichamelijke klachten waarvan de herkomst onduidelijk is, de vereiste mate van zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – in het algemeen pas aanwezig zal zijn wanneer de oorzaak door een ter zake kundige arts is gediagnosticeerd.
Het voorgaande betekent dat in beginsel op de benadeelde geen onderzoeksplicht rust. Maar dit beginsel moet in redelijkheid worden toegepast. In een zaak waarin een jong kind was aangereden door een betonauto waarvan het kenteken was genoteerd, overwoog de Hoge Raad dat van de wettelijk vertegenwoordiger een eenvoudig onderzoek had mogen worden verlangd om de identiteit van de aansprakelijke persoon te achterhalen.noot 2
Valkuil 2: de schadevordering moet opeisbaar zijn
De aanvang van de subjectieve verjaringstermijn hangt af van bekendheid van de benadeelde persoon met schade. Soms is duidelijk dat een bepaalde gebeurtenis pas in de toekomst schade zal doen ontstaan. Een bekend voorbeeld is blootstelling aan asbest, wat decennia later tot mesothelioom kan leiden. Het vereiste van bekendheid met de schade veronderstelt dat er ook daadwerkelijk schade is ontstaan waarvan vergoeding kan worden gevorderd. Met andere woorden: de schadevordering moet opeisbaar zijn.noot 3 De enkele bekendheid met het feit dat schade zal ontstaan, is onvoldoende om de verjaringstermijn te laten aanvangen.noot 4
Valkuil 3: de verjaring gaat lopen voor alle schadeposten
Indien een schadeveroorzakende gebeurtenis eenmaal daadwerkelijk schade heeft veroorzaakt, vangt de subjectieve verjaringstermijn aan voor alle soorten schade waarvan te verwachten is dat zij in de toekomst zullen kunnen worden geleden.noot 5 Indien bijvoorbeeld een ongeval voortdurende of terugkerende schade teweegbrengt, zoals inkomensschade of kosten voor medische behandeling, vangt de subjectieve verjaringstermijn voor al die afzonderlijke schadeposten aan op het moment van het ongeval.noot 6 Op deze regel geldt slechts een uitzondering in het geval van een eerder niet voorziene schadepost.noot 7

Valkuil 4: geen bekendheid met de juridische beoordeling vereist
Herhaald zij dat de subjectieve verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.
Deze regels zien op gevallen waarin de benadeelde onbekend is met of redelijkerwijs in onzekerheid verkeert over het bestaan van schade, de oorzaak van de schade of de voor het ontstaan van de schade verantwoordelijke persoon. Maar die regels hebben geen betrekking op het geval dat de benadeelde onbekend is met, dan wel in onzekerheid verkeert over de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Daadwerkelijke bekendheid met die beoordeling is voor het gaan lopen van de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW niet vereist.noot 8
Het voorgaande betekent dat de verdachte die meent dat hij ten onrechte wordt vervolgd wegens strafbare feiten, en die stelt dat politie en/of OM hem daarbij schade berokkenen, niet kan wachten met het verzenden van een aansprakelijkstelling tot hij wordt vrijgesproken.noot 9 Hetzelfde geldt voor de vennootschap die zich op haar bestuurder wil verhalen voor een vordering van een derde die mogelijk tegen haar zal worden toegewezen.noot 10
Is evenwel sprake van meer dan één hoofdelijk verbonden schuldenaar en wil de aangesproken schuldenaar op de voet van artikel 6:10 BW regres nemen op een medeschuldenaar, dan is het uitgangspunt dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat.noot 11
In de rubriek Valkuilen in het recht schetsen advocaat-redactieleden van het Advocatenblad welke veelgemaakte fouten zich in hun rechtsgebied voordoen.
Valkuil 5: de objectieve verjaringstermijn geldt niet voor letsel- en overlijdensschade
Onder meer in zaken betreffende de blootstelling aan asbest komt het regelmatig voor dat de schade zich pas manifesteert, en de subjectieve verjaringstermijn dus eerst aanvangt, nadat de objectieve verjaringstermijn van twintig jaar (dertig jaar in het geval van blootstelling aan asbest, artikel 3:310 lid 2) is voltooid. Omdat de objectieve verjaringstermijn een absoluut karakter heeft, prevaleert deze boven de subjectieve verjaringstermijn van vijf jaar.
Om aan de problematiek van asbestslachtoffers tegemoet te komen, is in 2004 een vijfde lid toegevoegd aan artikel 3:310 BW.noot 12 Voor schade door letsel of overlijden geldt op grond van lid 5 uitsluitend de subjectieve verjaringstermijn van vijf jaar. Indien de benadeelde minderjarig was op de dag waarop de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden, verjaart de rechtsvordering slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde meerderjarig is geworden.
Valkuil 6: bijzondere termijnen
Artikel 3:310 BW bevat de hoofdregel voor verjaring van schadevorderingen. Voor specifieke schadevorderingen kunnen afwijkende termijnen gelden. Voorbeelden zijn te vinden in artikel 10 WAM voor verkeersschade, titel 20 Boek 8 BW voor het vervoersrecht en artikel 6:193s BW voor het mededingingsrecht.
Noten
-
HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18, r.o. 3.5.
-
Asser/Sieburgh 6-II 2025/415 en HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241, r.o. 3.6.
-
Vgl. Asser/Sieburgh 6-II 2025/411.
-
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea), r.o. 3.7.2.
-
HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041, r.o. 3.5.
-
Asser/Sieburgh 6-II 2025/412.
-
HR 24 mei 2002, NJ 2003, 268, r.o. 3.8.
-
HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677, r.o. 3.3.3.
-
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1118, r.o. 4.1.5.
-
HR 4 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6769, r.o. 3.4.3.
-
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea), r.o. 3.6.
-
Wet van 27 november 2003, Stb. 2003, 495 en Kamerstukken II 1999/00, 26824, nr. 3, p. 1.