van de nova
uitspraken
Van de tuchtrechter
Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Maurice Mooibroek, Oscar Pluimer, Leonie Rammeloo en Robert Sanders.
Overlijden klaagster tijdens hoger beroep
- Hof van Discipline, 2 januari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:2.
- Artikel 10a lid 1 sub d Advocatenwet, gedragsregel 25 lid 2.
- Overlijden van klaagster tijdens de hogerberoepsprocedure leidt niet tot verval van klacht, en in dit geval ook niet tot betrekken van deken.
Klaagster en haar buren hadden een geschil. De buren werden bijgestaan door mr. X, terwijl klaagster werd vertegenwoordigd door haar eigen advocaat. Nadat onderhandelingen over een minnelijke regeling waren mislukt, startte mr. X namens haar cliënten een gerechtelijke procedure. De dagvaarding werd op 21 december 2023 aan klaagster betekend. Volgens klaagster had mr. X daarbij tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door haar enkele dagen voor Kerstmis te laten dagvaarden zonder gelijktijdig haar advocaat te informeren.
De raad oordeelde dat verweerster inderdaad een afschrift van de dagvaarding aan de advocaat van klaagster had moeten sturen. De raad meende dat gedragsregel 25 lid 2 ook geldt voor een proceshandeling zoals dagvaarden. Het feit dat een dagvaarding officieel door een deurwaarder wordt betekend, doet volgens de raad niet af aan die verplichting. De raad achtte het echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de dagvaarding vlak voor Kerstmis werd uitgebracht, omdat niet was gebleken dat de belangen van klaagster daardoor onnodig waren geschaad. De raad zag geen aanleiding om aan mr. X een maatregel op te leggen.
Klaagster ging vervolgens in hoger beroep. Ook mr. X tekende beroep aan. Tijdens de zitting deelde de gemachtigde van klaagster mee dat klaagster enkele dagen daarvoor was overleden. In afwachting van een beslissing over de processuele gevolgen van het overlijden van klaagster behandelde het hof de zaak inhoudelijk, waarmee de aanwezigen instemden.
Het hof overwoog vervolgens dat ingevolge eerdere tuchtrechtspraak een klacht niet automatisch vervalt wanneer een klager overlijdt. Alsdan wordt aansluiting gezocht bij artikel 47a Advocatenwet, waarbij de behandeling van een ingetrokken klacht vanuit algemeen belang kan worden doorgezet door de deken. Omdat in deze zaak de gemachtigde van klaagster haar standpunt gedurende de procedure had vertegenwoordigd en ook na haar overlijden bij de mondelinge behandeling in beroep aanwezig was, zag het hof geen aanleiding om deze zaak in dit stadium anders te behandelen of de deken daarbij te betrekken. De procedure werd daarom voortgezet alsof klaagster nog in leven was.
Het hof verklaarde partijen niet-ontvankelijk in de ingestelde beroepen. In hoger beroep voerde klaagster aan dat de raad ten onrechte geen maatregel had opgelegd, maar tegen een gegrond verklaard klachtonderdeel staat geen hoger beroep open, ook niet wanneer daarbij geen maatregel is opgelegd. Daarnaast probeerde klaagster nieuwe verwijten aan mr. X naar voren te brengen, maar in hoger beroep kunnen geen nieuwe klachten worden behandeld. Mr. X formuleerde op haar beurt eveneens beroepsgronden, kennelijk bedoeld als incidenteel hoger beroep, maar het hof stelde vast dat deze gronden niet binnen de wettelijke termijn van dertig dagen waren ingediend. Daarom werd ook mr. X niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
Schorsing na tekortschietende verdediging in fraudezaak
- Hof van Discipline, 26 januari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:23.
- Artikel 10a lid 1 sub c en d Advocatenwet, gedragsregel 16 en 17.
- Mr. X wordt onvoorwaardelijk geschorst omdat hij in een omvangrijke fiscale fraudezaak tekortschiet in zijn bijstand, onder meer door onvoldoende optreden op zitting en gebrekkige communicatie en vastlegging van zijn werkzaamheden.
Bij klager en aan hem gelieerde vennootschappen deed de FIOD invallen. Zij werden verdacht van het gebruik van valse facturen bij auto-exporten, waardoor de fiscus volgens het Openbaar Ministerie voor ruim € 8 miljoen zou zijn benadeeld. Klager werd in de fiscale procedures al bijgestaan door een fiscaal advocaat. Daarnaast schakelde hij mr. X in voor de strafrechtelijke verdediging.
Tijdens de jarenlange samenwerking ontstonden spanningen tussen mr. X en de fiscaal advocaat. Die laatste verzocht meermaals dat alle communicatie met het Openbaar Ministerie via haar zou verlopen, omdat zij vreesde dat rechtstreeks contact van mr. X met het OM de belangen van klager zou schaden. Mr. X trok zich weinig aan van die verzoeken en onderhield zelfstandig contacten met het OM. Ook over de processtrategie bestonden verschillen van inzicht. Zo stelde de fiscaal advocaat aanvankelijk geen onderzoekswensen te hebben, terwijl mr. X later alsnog onderzoekswensen indiende voor een regiezitting. Deze werden echter pas negen dagen voor de zitting ingediend, waardoor zij aan een strenger beoordelingscriterium werden getoetst.
In aanloop naar de inhoudelijke behandeling van de strafzaak werkten mr. X en de fiscaal advocaat gezamenlijk aan de verdediging. Uit de correspondentie blijkt echter dat het grootste deel van de pleitnota door de fiscaal advocaat werd opgesteld. Zij vroeg mr. X herhaaldelijk om zijn bijdrage en om inhoudelijke aanvullingen vanuit strafrechtelijk perspectief. Mr. X leverde uiteindelijk slechts beperkte wijzigingen aan op een reeds uitgewerkt concept.
Bij klager groeide de onvrede over de rol van mr. X. De fiscaal advocaat zette vraagtekens bij de omvang van diens declaraties en wees erop dat mr. X aanzienlijk meer uren in rekening bracht dan zijzelf, terwijl volgens haar uit de stukken niet bleek dat hij een vergelijkbare hoeveelheid werk had verricht. Ook vond zij bepaalde tijdsregistraties moeilijk te rijmen met de feitelijke gang van zaken. Gedurende de periode van ongeveer vier jaar stuurde mr. X in totaal 27 declaraties voor een gezamenlijk bedrag van € 223.736. Deze kritiek werd vervolgens door klager overgenomen in een uitvoerige e‑mail aan mr. X, waarin hij stelde teleurgesteld te zijn over diens betrokkenheid, voorbereiding en prestaties. De relatie tussen partijen verslechterde uiteindelijk zodanig dat klager de samenwerking met mr. X beëindigde. Kort daarna bleek in een lopende appelprocedure dat klager noch zijn fiscale advocaat beschikte over het volledige dossier of inzicht had in de redenen waarom mr. X eerder hoger beroep had ingesteld.
De raad overwoog dat een deel van de klacht was verjaard wegens de overschrijding van de driejaarstermijn van artikel 46g lid 1 Advocatenwet. Verder overwoog de raad dat mr. X onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de inhoudelijke bijstand aan klagers. Zo heeft hij belangrijke onderdelen van zijn rol, strategie en advisering niet schriftelijk vastgelegd, waardoor niet toetsbaar is gebleven hoe hij klagers heeft geïnformeerd over hun procespositie, kansen en risico’s. Daarnaast heeft hij fouten gemaakt bij het indienen van onderzoekswensen, waardoor deze te laat zijn ingediend en aan een zwaarder toetsingscriterium werden onderworpen, terwijl hij daarover bovendien niet transparant heeft gecommuniceerd. Verder oordeelde de raad dat ook de wijze van declareren tuchtrechtelijk verwijtbaar was, omdat de facturen onvoldoende gespecificeerd waren, niet duidelijk per zaak of vennootschap waren uitgesplitst en daardoor onvoldoende transparant waren. Het verwijt over zijn optreden ter zitting werd ongegrond verklaard wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing, terwijl de vergelijking van zijn uren met die van de andere advocaat buiten beschouwing bleef. Alles bij elkaar concludeerde de raad dat mr. X in deze complexe strafzaak niet had gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht en dat een voorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden was.
Tegen de beslissing gaat klager in beroep, aangaande de deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaarde klachtonderdelen. Het hof beoordeelt in hoger beroep allereerst de ontvankelijkheid van de klachten en oordeelt dat de raad terecht heeft overwogen dat een deel daarvan buiten de driejaarstermijn van artikel 46g Advocatenwet viel. Het hof benadrukt dat deze vervaltermijn ambtshalve wordt toegepast en dat alleen in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn van verschoonbare termijnoverschrijding, wat hier niet aan de orde is. Het betoog van klagers dat zij pas later inzicht kregen in de gevolgen van het handelen van mr. X maakt dat niet anders. Voor zover nog inhoudelijk aan de orde, spitste het geschil in beroep zich uitsluitend toe op de klacht dat mr. X op zitting onvoldoende actief en betrokken zou hebben opgetreden, met name doordat hij niet reageerde op de strafeis. Het hof volgt mr. X niet in zijn verweer dat dit een bewuste processtrategie was en oordeelt dat hij, mede gezien de ernstige impact van de strafeis op zijn cliënt, niet had mogen nalaten te reageren of zich anderszins voor zijn cliënt in te zetten. Het hof verklaart dit klachtonderdeel alsnog gegrond en verzwaart de eerder door de raad opgelegde maatregel tot een onvoorwaardelijke schorsing van zes weken.