actueel

‘Beter toezicht opent weg voor nieuwe praktijken’

Uitbreiding van alternatieve organisatiestructuren voor advocaten­kantoren is onder voorwaarden mogelijk, mits de kernwaarden beter gewaarborgd worden. Dat concludeert de onafhankelijke commissie Kernwaarden Advocatuur en Alternatieve Organisatie Structuren onder leiding van de Amsterdamse hoogleraar Jaap Winter in een rapport.

De NOvA had de oud-advocaat en partner van De Brauw Blackstone Westbroek gevraagd haar te adviseren over de vraag op welke wijze de kernwaarden kunnen worden geborgd bij bestaande en eventuele toelating van nieuwe alternatieve organisatiestructuren in de advocatuur. De commissie constateert dat de bescherming van de kernwaarden in verschillende organisatiestructuren vandaag de dag ‘geen overtuigend, coherent en consistent geheel vormt’. Het door dekens uitgeoefende proactieve toezicht op advocaten wordt volgens de commissie in de praktijk maar zeer beperkt en van arrondissement tot arrondissement verschillend ervaren.

De onder­zoekers pleiten voor een stelsel waarbij de kernwaarden ‘meer robuust, coherent en pro­actief’ kunnen worden gewaarborgd. Dat zou moeten bestaan uit vier onderdelen. Ten eerste klacht- en tuchtrecht dat gericht is op de persoonlijke houding van de advocaat die op ‘excellente wijze’ vormgeeft aan de kernwaarden. Daarnaast moet er op individuele advocaten pro­actief toezicht gehouden worden door de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur (OTA), die nog moeten worden opgericht. De OTA moet volgens de commissie bevoegdheden krijgen om informatie te verzamelen en sancties op te leggen. Ook stelt de commissie extern kantoortoezicht voor op grote kantoren door de OTA. Als laatste moet een vorm van onafhankelijk intern toezicht voor grote kantoren door een raad van commissarissen of niet-uitvoerende bestuurders van een one-tier board verplicht worden.

De juiste voorwaarden

Als dit basisbestel van de kernwaarden op orde is, vindt de commissie dat alternatieve organisatiestructuren waarin advocaten werken onder voorwaarden mogelijk zijn. De commissie concludeert dat een coherente en consistente benadering van samen­werkings­verbanden met andere beroeps­beoefenaren meebrengt dat advocaten met meer, verschillende beroeps­beoefenaren moeten kunnen samen­werken dan nu is toegestaan. ‘Deze beroeps­beoefenaren moeten daarvoor wel in het samen­werkings­verband hun beroep uitoefenen, functioneel betrokken zijn bij de advocaten­praktijk die in het samen­werkings­verband wordt uitgeoefend en onderworpen zijn aan tucht­rechtelijk toezicht op de naleving van hun wettelijke verplichtingen en beroepswaarden.’ Een samen­werkings­verband met accountants moet volgens de onder­zoekers ook mogelijk zijn. De commissie vindt ook dat het onder de juiste voorwaarden mogelijk is dat advocaten in dienst van een rechts­bijstands­verzekeraar of schaderegelaar optreden voor niet-verzekerden.

De commissie gaat in het rapport ook in op private equity investeerders. Investering door deze partijen in een advocaten­kantoor kan voor- en nadelen opleveren, aldus de commissie. Voordelen zijn volgens de commissie hogere productiviteit, sterkere strategische focus en snelheid van besluit­vorming. De (nog) sterkere financiële sturing en het aangaan van omvangrijke schulden om het rendement op het geïnvesteerde vermogen te maximaliseren, worden onder meer als nadelen genoemd. Bovendien is uit andere beroepssectoren, zoals dieren­artsen en tandartsen, bekend dat de prijzen voor cliënten doorgaans zullen stijgen, zegt de commissie. ‘Dit zou de toegang tot het recht niet bevorderen.’

Dit alles vraagt volgens de commissie om een ervaren en competente onafhankelijke toezicht­houder die op dit moment niet bestaat. ‘Zolang de OTA nog in opbouw is en het toezicht niet op het vereiste niveau kan worden gewaarborgd, moeten niet-functioneel betrokken investeerders in een advocaten­kantoor niet worden toegelaten,’ aldus de commissie.

Visie NOvA

Het rapport van de commissie komt een maand nadat onder­zoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam en Pro Facto in opdracht van het WODC ook een onderzoek publiceerden. In dat rapport concludeerden de onder­zoekers dat de Nederlandse advocatuur onvoldoende ruimte biedt voor organisatievormen die kunnen bijdragen aan betaalbare en toegankelijke rechtshulp, met name voor lage en middeninkomens en het kleinere mkb.

De NOvA laat weten beide onderzoeksrapporten te betrekken bij haar verdere visie­vorming. De algemene raad komt na de zomer met een plan van aanpak. ‘De stip op de horizon is gericht op een toekomstbestendig en uitlegbaar systeem van regelgeving van praktijkstructuren en samen­werkings­verbanden waarbij kwaliteit, innovatie en samen­werking worden gestimuleerd en de toegang tot het recht wordt versterkt.’