van de nova

uitspraken

Van de tuchtrechter

Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Maurice Mooibroek, Oscar Pluimer, Leonie Rammeloo en Robert Sanders.

Onttrekking enkele dagen voor zitting

  • Hof van Discipline 1 december 2025, zaak nr. 240356, ECLI:​NL:​TAHVD:​2025:247.
  • Gedragsregel 14 lid 3.
  • Niet tucht­rechtelijk verwijtbaar gehandeld nu de onttrekking van mr. X zes dagen voor zitting geen (procedureel) nadeel oplevert voor klager.

Klager wendt zich tot mr. X om hem bij te staan in het hoger beroep van een civiele procedure tegen voormalige huurders van zijn appartement. Daarin wenst klager zijn schade op de huurders te verhalen die hij heeft geleden als gevolg van de illegale exploitatie van een hennepkwekerij in het appartement. Nadat mr. X tijdig een pro forma appeldagvaarding heeft laten uitbrengen, bepaalt het gerechtshof een comparitie na aanbrengen op 12 mei 2022. Daarna laat klager aan mr. X weten op die datum verhinderd te zijn wegens verblijf in het buitenland. Vanwege de verhindering van klager verzoekt mr. X het gerechtshof om een nieuwe zittingsdatum en deze wordt vervolgens bepaald op 21 april 2022.

Mr. X informeert klager meermaals over de nieuwe zittingsdatum, waarna deze op 11 april 2022 terugmailt met de vraag of de zitting op 21 april 2022 gepland staat. In reactie hierop vraagt mr. X nogmaals wanneer klager weer in Nederland is en benadrukt hij het belang van de persoonlijke aanwezigheid van klager bij de zitting. Een dag later stuurt mr. X een e‑mail van soortgelijke strekking aan klager, aangezien deze niet reageert op de vraag van mr. X over klagers aanwezigheid bij de zitting. Daarin meldt mr. X dat als klager niet bij de zitting aanwezig zal zijn hij het gerechtshof tijdig over die afwezigheid zal moeten berichten en dat het om die reden niet zinvol is om de zitting doorgang te laten vinden. Tevens kondigt hij aan zich in dat geval te zullen beraden op zijn positie. Op 13 april 2022 bericht klager dat hij door verblijf in het buitenland niet aanwezig zal zijn bij de zitting. Hierop laat mr. X op 14 april 2022 aan klager weten dat hij zich zal onttrekken als advocaat, aangezien hij het vertrouwen in een vruchtbare samen­werking heeft verloren. Mr. X bericht klager dat hij het gerechtshof van zijn onttrekking op de hoogte zal stellen en het zal informeren dat klager ook zelf niet bij de zitting aanwezig zal zijn in verband met klagers verblijf in het buitenland. Voorts informeert mr. X klager dat de zaak zal worden verwezen naar de roldatum gelegen op een termijn voor twee weken voor het stellen van een nieuwe advocaat. Mr. X raadt klager aan hiertoe direct een nieuwe advocaat te zoeken en verwijst klager hiervoor naar de website van de Nederlandse orde van advocaten.

Enkele maanden later dient klager een klacht in. Daarin verwijt klager mr. X dat hij hem in de steek heeft gelaten door zich te onttrekken op een moment waarop klager in het buitenland verbleef wegens familieomstandig­heden. Hierdoor zou klager bij het zoeken naar een nieuwe advocaat kosten hebben gemaakt die hij vergoed wil zien.

De Raad van Discipline oordeelt dat mr. X tekortgeschoten is in de zorgvuldigheid die hij als advocaat jegens klager dient te betrachten, doordat mr. X zich op een ongelegen en ontijdig moment heeft onttrokken. De raad meent dat mr. X door de ‘abrupte onttrekking’ klager heeft blootgesteld aan het risico dat de zitting doorgang zou vinden zonder zijn aanwezigheid of deugdelijke vertegen­woordiging. De raad acht de klacht gegrond en legt een waarschuwing op.

Het Hof van Discipline daarentegen oordeelt dat mr. X in dit geval niet onzorgvuldig heeft gehandeld door zich zes dagen voorafgaand aan de zitting te onttrekken. In navolging van hetgeen mr. X in hoger beroep aanvoert, overweegt het hof dat de zitting een comparitie na aanbrengen betrof. Het doel van die zitting is om een schikking te beproeven. Gelet op dit doel in combinatie met de onttrekking van mr. X en (het informeren over) de afwezigheid van klager, acht het hof de kans nihil dat de zitting zou zijn doorgegaan. Maar zelfs als die zitting wel doorgang zou hebben gevonden, had de zaak volgens het hof slechts kunnen worden verwezen naar de rol voor het vervolg van de procedure nu bij afwezigheid van klager alleen had worden geconcludeerd dat partijen niet tot een schikking waren gekomen. Ook in dat geval zou klager dus geen processuele schade hebben geleden. Zodoende oordeelt het hof dat mr. X niet onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat niet blijkt dat hij zich op een ongelegen en ontijdig moment heeft onttrokken. Volgt vernietiging en de klacht is ongegrond.

Respecteren verschonings­recht

  • Hof van Discipline 12 december 2025, zaak nrs. 240280 en 240281, ECLI:​NL:​TAHVD:​2025:259.
  • Artikel 10a lid 1 sub a en d en artikel 11a Advocatenwet.
  • Mr. X neemt kennis van en gebruikt voor advisering aan het Openbaar Ministerie verstrekte geheim­houdersstukken van andere advocaat.

Mr. X heeft een opdracht gekregen van het Openbaar Ministerie om te adviseren over de vraag of een advocaat terecht een beroep heeft gedaan op zijn verschonings­recht. In een straf­zaak heeft het OM, via een (heimelijke) straf­rechtelijke vordering bij een provider, namelijk ook e‑mails ontvangen. Die e‑mails bevatten een voorstel van de advocaat aan een accountant om de opdracht aan de accountant te laten verstrekken door advocaten van het advocaten­kantoor in plaats van door één van de verdachten, zodat het accountantsonderzoek onder het verschonings­recht zou vallen. Bij het OM is de indruk ontstaan dat het verschonings­recht door de advocaat van de verdachten aldus wordt misbruikt. Aan mr. X wordt verzocht te adviseren over een mogelijke tuchtklacht tegen de advocaat van de verdachten.

In het kader van die opdracht heeft mr. X kennis­genomen van de e‑mails en heeft hij advies verstrekt zonder op voorhand de advocaat van de verdachten om toestemming te vragen of de deken te raadplegen. Achteraf is via gerechtelijke procedures vast komen te staan dat de e‑mails onder het verschonings­recht vallen.

In de klacht van onder meer de advocaat van de verdachten wordt mr. X verweten dat hij de adviesopdracht heeft aanvaard, dat hij ten onrechte heeft kennis­genomen van e‑mails die kenbaar onder het verschonings­recht van de advocaat vallen en dat mr. X ook overigens een onjuist advies heeft uitgebracht over de reikwijdte van het verschonings­recht.

Deze klachten worden door de Raad van Discipline ongegrond verklaard. In beroep zet het hof allereerst algemene overwegingen over het verschonings­recht en de geheim­houdings­plicht van advocaten uiteen. Volgens het hof mocht mr. X wel de opdracht aanvaarden om advies te geven over de vraag of een tuchtklacht tegen een advocaat kon worden ingediend. Dit is niet anders nu de opdracht­gever het OM was. Voorafgaand aan de aanvaarding van de opdracht was ook niet nood­zakelijk eerst het kantoor of een externe partij (zoals de deken of een rechter) te consulteren. Voor die aanvaarding hoefde mr. X immers geen kennis te nemen van de geprivilegieerde e‑mails. In dat geval mocht mr. X ook zijn advies uitbrengen.

Informatie die onmiskenbaar vertrouwelijk van aard is in de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt mag volgens het hof echter niet gebruikt worden door anderen buiten die relatie. Dit betekent dat ook een andere advocaat daarvan geen kennis mag nemen, behoudens uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toestemming van de eerstgenoemde advocaat, zeer bijzondere omstandig­heden of wettelijke uitzonderingen. Stelt die eerste advocaat zich op het standpunt dat het gaat om informatie waarvan kennisneming zou leiden tot schending van zijn beroepsgeheim, moet dat standpunt worden geëerbiedigd, tenzij er redelijker­wijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

Het hof oordeelt dat mr. X ermee bekend was dat de mogelijke tuchtklacht gericht zou zijn op vermeend misbruik van het verschonings­recht. Hij was er ook mee bekend dat het OM intern het standpunt had bepaald dat de aan mr. X verstrekte e‑mails niet onder het verschonings­recht vielen en dat het zich ook in het strafproces op dat standpunt zou stellen. Reeds die wetenschap van het doel van de adviesaanvraag en het standpunt van zijn cliënt had mr. X ertoe moeten brengen zijn advieswerkzaamheden onmiddellijk te pauzeren. Hij had zijn cliënt in beginsel moeten meedelen dat hij eerst de betrokken advocaat toestemming moest vragen om de door zijn cliënt verstrekte e‑mails te mogen lezen of in ieder geval de deken moeten raadplegen, hetgeen hij heeft nagelaten.

Het verweer dat mr. X mocht afgaan op het standpunt van zijn cliënt getuigt volgens het hof van een miskenning van de kernwaarde onafhankelijkheid en de eigen verant­woordelijk­heid van een advocaat. De advocaat heeft een eigen verant­woordelijk­heid om het verschonings­recht van een andere advocaat te respecteren.

Het hof volgt in dit geval evenmin het standpunt van mr. X dat diens cliënt recht heeft op vertrouwelijke advisering door een advocaat en dat het advocatentuchtrecht er niet aan in de weg staat dat een advocaat vertrouwelijk intern advies uitbrengt aan zijn cliënt over de tucht­rechtelijke beoordeling van handelen van een andere advocaat. Die cliënt was immers het OM en dus een bestuursorgaan. Het was daarmee mogelijk dat het advies op grond van de toen geldende Wob (thans Wet open overheid) openbaar zou worden. Zonder toestemming van de advocaat of instemming van de deken had mr. X geen kennis mogen nemen van de e‑mails, laat staan dat hij deze had mogen gebruiken.

In hoeverre het advies van mr. X onjuist was, acht het hof een civiel­rechtelijke kwestie die buiten het bereik van het tuchtrecht valt. Het hof laat zich dan ook niet uitgebreid uit over de inhoud van het advies en verbindt daar ook geen kwalificaties aan. Het advies doorstaat de toepasselijke, beperkte tucht­rechtelijke toetsing.

Het hof komt dan ook tot de slotsom dat mr. X een ernstig tucht­rechtelijk verwijt kan worden gemaakt doordat hij met zijn handelwijze de kernwaarden onafhankelijkheid, integriteit en betamelijkheid heeft geschonden. Juist nu in dit geval de cliënt het OM is en de e‑mails betrekking hadden op een straf­rechtelijk onderzoek, heeft mr. X met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. In het bijzonder bij zo’n met verstrekkende bevoegdheden uitgeruste overheidsorganisatie, die zelf straf­rechtelijk onaantastbaar is, past een onafhankelijke en kritische houding van de advocaat.

Rekening houdend met het betoonde inzicht van mr. X volstaat het hof evenwel met een berisping.