van de nova
uitspraken
Van de tuchtrechter
Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Maurice Mooibroek, Oscar Pluimer, Leonie Rammeloo en Robert Sanders.
Zorg jegens wederpartij
- Raad van Discipline ’s‑Hertogenbosch 29 september 2025, zaaknr. 25-406/DB/LI, ECLI:NL:TADRSHE:2025:129.
- Gedragsregel 4.
- Overleggen heimelijke geluidsopnames van cliënten niet tuchtrechtelijk laakbaar.
Mr. X staat haar cliënten bij in hun geschil met een gemeente over de voor de exploitatie van een bed and breakfast benodigde vergunningen. De cliënten stellen dat medewerkers van de gemeente in diverse eerdere gesprekken toezeggingen hebben gedaan die niet worden nagekomen. Voor een gesprek met een gemeenteambtenaar heeft mr. X aan deze toestemming gevraagd om een geluidsopname te mogen maken van dat gesprek. Die toestemming werd niet gegeven; mr. X maakte daarop dus ook geen geluidsopname. Daags voor een zitting in kort geding ontving mr. X van haar cliënten geluidsopnames van diverse, eerdere, gesprekken met medewerkers van de gemeente. Ter onderbouwing van de stellingen van haar cliënten diende mr. X deze in.
Daarop diende de gemeente een klacht tegen haar in. Die klacht houdt in dat mr. X in strijd met gedragsregel 4 lid 1 heimelijk geluidsopnames heeft gemaakt en deze geluidsopnames vervolgens heeft ingediend bij de rechtbank. Mr. X betwist dat zij de geluidsopnames heeft gemaakt en legt een e‑mail over van haar cliënten, waarin zij verklaren zelf deze opnames te hebben gemaakt en deze pas in het kader van de procedures aan mr. X te hebben verstrekt.
De raad oordeelt dat het klachtonderdeel dat mr. X heimelijke opnames heeft gemaakt ongegrond is bij gebrek aan feitelijke onderbouwing: zij betwist namelijk dat zij zelf geluidsopnames zou hebben gemaakt en het dossier biedt geen verdere onderbouwing van het tegendeel.
Het in het geding brengen van de eerder door cliënten gemaakte geluidsopnames is niet tuchtrechtelijk laakbaar. Dit stond mr. X vrij, naar het oordeel van de raad. Het was namelijk in het belang van haar cliënten om te bewijzen dat de gemeenteambtenaren de door haar cliënten gestelde uitlatingen hadden gedaan. Relevant was daarbij dat dit de enige manier was om dit bewijs te leveren, zo stelde mr. X onweersproken. Daarmee diende het overleggen van de geluidsopnames een redelijk doel, terwijl niet is gebleken dat de belangen van de gemeente onnodig of op een ontoelaatbare manier zijn geschaad. De klacht is daarmee in zijn geheel ongegrond verklaard.
Juistheid feitelijke stellingen
- Hof van Discipline 24 oktober 2025, zaaknr. 250006, ECLI:NL:TAHVD:2025:207.
- Gedragsregels 1 en 8.
- Het weerspreken van de berekening in deskundigenrapport wederpartij betreft niet het poneren van (onware) feitelijke stellingen.
Klagers zijn curatoren in een faillissement. Zij verwijten mr. X als advocaat van de wederpartij dat hij gedragsregels 1 en 8 heeft geschonden door in en buiten rechte feitelijke informatie te verstrekken waarvan hij wist, dan wel behoorde te weten, dat die onjuist is en door wezenlijke informatie aan de rechter te onthouden. Deze zaak is een vervolg op de uitspraak gepubliceerd als ECLI:NL:TAHVD:2025:7, met daarin de ongegrondverklaring van de klacht van de advocaat van de curatoren van de moedervennootschap tegen de curatoren van de failliete dochtervennootschap over het kennisnemen en gebruiken van een mailstring tussen de curatoren van de failliete moedervennootschap en diens advocaat. Deze mailstring had deze advocaat onbedoeld meegezonden aan de curatoren van de failliete dochtervennootschap, onder een bericht met een reactie op een conceptvaststellingsovereenkomst.
In deze zaak waren de rollen van klager en verweerder omgedraaid. Klagers zijn nu de curatoren van de failliete dochtervennootschap, die in de genoemde mailstring hadden gezien dat hun wederpartij beschikte over een concept voor eigen contra-expertiserapport. Ook bleek daaruit dat de uitkomst daarvan niet gunstiger was dan het bestaande deskundigenrapport, en dat dit rapport niet in de procedure genoemd of overgelegd was. Mr. X had desondanks in een processtuk én in stevige bewoordingen de berekeningen in het deskundigenrapport betwist. Hem werd daarom de schending van gedragsregel 8 (vanwege het verstrekken van onjuiste informatie) en van gedragsregel 1 (vanwege het onthouden van de rechter van relevante informatie uit het concept voor het contra-expertiserapport) verweten.
Raad en hof verklaarden de klacht ongegrond. Het hof oordeelde dat mr. X (als advocaat van de curatoren van de moedervennootschap) met de betwisting namens zijn cliënten geen feitelijke informatie had verstrekt, maar standpunten had ingenomen, en dus geen onware feiten had geponeerd (van schending van gedragsregel 8 was geen sprake). Ook oordeelde het hof dat mr. X niet verplicht was de voor zijn cliënten nadelige punten aan de orde te stellen; van schending van gedragsregel 1 was evenmin sprake.
Het hof stelt voorop dat het in deze kwestie gaat om cijfers en berekeningen. Klagers stellen zich in de civiele procedure op het standpunt dat de financiering door de holding in het kader van de managementbuy-out (voorzienbaar) onvoldoende is geweest. Curatoren en de banken betwisten dat standpunt. Vaststaat dat over en weer verschillende berekeningen zijn gemaakt ter onderbouwing van de standpunten. De berekeningen verschillen van elkaar en zijn ook gebaseerd op verschillende uitgangspunten. Vaststaat ook dat er nog steeds geen duidelijkheid over de cijfers bestaat. Er is dus geen sprake van een (al dan niet eenvoudige) optelsom van de cijfers uit het door klagers in de procedure ingebrachte deskundigenrapport met correcties op basis van de onjuistheden die daarover in het conceptrapport zijn gesignaleerd. Er ligt slechts een conceptrapport, waarin nog verschillende zaken openliggen en vragen zijn opgenomen. De genoemde cijfers en bedragen zijn voorts afhankelijk van de uitgangspunten en invalshoeken die gekozen worden. Het gaat daarbij niet om feiten waarvan de vraag of zij waar zijn eenvoudig met ja of nee kan worden beantwoord.
Mr. X heeft in zijn akte de juistheid van de berekening uit het door klagers ingebrachte deskundigenrapport betwist door tegenover bepaalde bedragen en uitgangspunten andere bedragen en uitgangspunten te zetten. Hij heeft daarvoor argumenten aangedragen en die argumenten onderbouwd. Mr. X heeft geen eigen berekening tegenover die van het deskundigenrapport gezet. Hij heeft een alternatieve oorzaak voor het liquiditeitstekort aangedragen, ook zonder berekening hoe hoog dat liquiditeitstekort precies zou zijn. Hij heeft niet gesteld dat er geen liquiditeitstekort was en heeft ook nergens in de aan de klacht ten grondslag liggende passages in deze akte gesteld dat er géén financieringstekort zou zijn. Het hof ziet in dit alles geen feitelijke onjuistheden, waarvan mr. X op de hoogte was of had moeten zijn. Reeds hierom gaat de vergelijking die klagers maken met de uitspraak van het hof uit 2017 (ECLI:NL:TAHVD:2017:150) niet op.
Het hof oordeelt dat wat klagers als feitelijke onjuistheid zien, is dat mr. X voor de argumentatie in de akte gebruik heeft gemaakt van de informatie uit het conceptrapport, maar één (voor zijn cliënten nadelig) punt niet heeft genoemd. Dat zou een feitelijke onjuistheid kunnen opleveren als mr. X aan de wel door hem genoemde punten een cijfermatige – en dus onjuiste – conclusie had verbonden, maar dat heeft hij nu juist niet gedaan. Het staat een advocaat immers vrij om het standpunt in te nemen dat een berekening van de wederpartij niet juist is. Daarbij mag hij schieten op individuele posten uit die berekening, zonder dat hij verplicht is om aan te geven op welke onderdelen die berekening wel juist is, laat staan dat hij zou moeten wijzen op eventuele onderdelen die (in zijn benadering en bij zijn uitgangspunten) in zijn nadeel uitwerken. Dat valt binnen de bandbreedte van de vrijheid die de advocaat van de wederpartij toekomt bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt, aldus het hof.
De stellingen van mr. X dat het deskundigenrapport per saldo voor miljoenen aan fouten ten gunste van de positie van klagers zou bevatten en dat aan dat rapport geen enkele betekenis zou toekomen, zijn geen feitelijke stellingen, maar meningen ofwel standpunten. Voorts is een inschatting geven over de proceskansen geen feitelijke informatie. Bovendien staat het een advocaat vrij om zich tegenover zijn cliënt (aanzienlijk) negatiever over die proceskansen uit te laten dan tegenover anderen dan die cliënt.
Mr. X komt er genadig af. Voor de praktijk blijft het onderscheid tussen het verkondigen van een feitelijke onjuistheid en het poneren van een partijdig standpunt van de cliënt lastig te maken.