juridisch

valkuilen in het recht

Inbreuk op IE vraagt om maatwerk

Procederen tegen inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten hoeft niet altijd bij de recht­bank Den Haag. Evenmin is het in alle gevallen nodig een inbreuk kort geding te beginnen. Maatwerk is vereist.

Op 28 april 2000 verscheen in het Advocatenblad het artikel Hindernissen bij procederen over intellectueel eigendomsrecht van mr. Mechteld van Praag Sigaar, ‘bedoeld voor advocaten die in een algemene praktijk met intellectuele eigendomskwesties worden geconfronteerd’.noot 1 Van Praag Sigaar toont deze advocaten de voetangels die zij moeten ontwijken als zij voor een cliënt een kort geding beginnen tegen een weder­partij die ervandoor is gegaan met een succesvol idee voor een tv-programma. Ook behandelt Van Praag Sigaar de klemmen van ‘het recente TRIP’s verdrag en de Herziening Burgerlijk Procesrecht’.noot 2 In de sporen van Van Praag Sigaar doe ik 26 jaar later een poging twee praktische valkuilen in het hedendaagse intellectuele-eigendoms(proces)recht voor het voetlicht te brengen. Nu het IE-(proces)recht wordt geconsumeerd door een groeiende groep IE-(proces­recht)advocaten besef ik dat het voorgeschotelde voor een significant deel van de advocaten eerder ‘gefundes Fressen’ dan valkuil is. Des te beter.

Valkuil 1: ‘Voor procedures over inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten is in eerste aanleg in Nederland altijd de recht­bank Den Haag bevoegd.’

Er bestaat geen algemene regel dat in Nederland over inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten steeds in eerste aanleg altijd bij de recht­bank Den Haag moet worden geprocedeerd. In sommige inbreukzaken is de recht­bank Den Haag op grond van bijzondere wettelijke bepalingen echter een niet te passeren station. Zo is op grond van artikel 80 lid 2 onder a van de Rijksoctrooiwet (Row) de recht­bank Den Haag – en de voorzieningen­rechter van die recht­bank – bij uitsluiting bevoegd voor inbreuk­vorderingen (inbreukverboden, schade­vergoeding, winstafdracht).noot 3 Exclusieve bevoegdheid van de recht­bank Den Haag geldt ook bij de bestrijding in Nederland van inbreuken op EU-merk- en -modelrechten (die gelden voor het gehele grondgebied van de EU). In artikel 3 van de Uitvoeringswetten bij de Verordeningen voor EU-merken respectievelijk -modellen is namelijk bepaald dat in Nederland in eerste aanleg uitsluitend de recht­bank Den Haag bevoegd is kennis te nemen van ter zake te voeren inbreukprocedures.noot 4 Sinds 21 november 2019 kan op grond van een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) ook bij voorzieningen­rechters van andere recht­banken – buiten Den Haag – in Nederland over inbreuk op een EU-merk- of -modelrecht worden geprocedeerd.noot 5 Houd verder voor ogen dat er onder de IE-zon meer is dan alleen verboden en bevelen. Voor IE-beslagen – waaronder IE-bewijsbeslag (artikel 1019c Rv) – is de pas naar andere recht­banken dan de Haagse bepaald niet afgesloten als die op grond van de algemene regels van artikel 700 Rv bevoegd zijn daartoe verlof te verlenen en de recht­bank Den Haag niet uitsluitend bevoegd is.noot 6 Let op dat een bodem­procedure – ter handhaving van gelegd beslag – mogelijk aanhangig moet worden gemaakt bij een andere dan de verlof verlenende recht­bank. Volgens de beslagsyllabus kunnen sommige bij andere recht­banken aanhangige IE-(beslag)zaken door (rechters van) de recht­bank Den Haag worden behandeld en beslist. Dat is het geval wanneer het beslagverzoek een octrooirecht of een kwekersrecht betreft.noot 7

Valkuil 2: ‘Altijd meteen een kort geding starten als er inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht wordt gemaakt.’

In de rubriek Valkuilen in het recht schetsen advocaat-redactieleden van het Advocatenblad welke veelgemaakte fouten zich in hun rechts­gebied voordoen.

‘Bezint eer gij begint’. Deze waarheid kan bij procederen in inbreukzaken wat extra gewicht in de weegschaal leggen. De HR heeft in het Impag-arrest vooropgesteld dat als in kort geding een voorziening wordt gevorderd die ertoe strekt een einde te maken aan als stelselmatige inbreuk op een subjectief recht aan te merken handelingen, waarvan de eisende partij doorlopend schade ondervindt, het alleszins voor de hand ligt dat deze partij spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.noot 8 Het geruime tijd nalaten inbreuken een halt toe te roepen in kort geding is op zichzelf genomen geen grond om afwezigheid van spoedeisend belang aan te nemen. Getoetst moet worden of, gelet op de omstandig­heden van het geval, voldoende belang bij de (verbods)vordering bestaat. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld. Onvoldoende voortvarend optreden na sommatie kan funest zijn, zeker als daarvoor geen steekhoudende reden is.noot 9 Dit kan resulteren in een niet-ontvankelijkverklaring van de eisende partij en toewijzing van een ‘volledige’ proces­kosten­veroordeling op grond van artikel 1019h Rv (met inachtneming van de indicatietarievennoot 10). Bij dit alles moet worden bedacht dat ook in hoger beroep het (voort)bestaan van spoedeisend belang wordt getoetst. Daarenboven komt een in eerste aanleg door de eisende partij verkregen voorlopige voorziening met de wettelijke verplichting – binnen een redelijke termijn als verankerd in artikel 1019i Rv – ‘de eis in de hoofdzaak’ in te stellen, bij gebreke waarvan de voorziening haar kracht kan verliezen.noot 11 Tot slot: als uitstel onherstelbare schade voor de IE-gerechtigde zou veroorzaken, kan mogelijk een onmiddellijke voorziening bij voorraad uitkomst bieden om de inbreuk te bestrijden (een ex parte voorziening ex artikel 1019e Rv). De praktijk leert dat dit middel veelal alleen kan worden ingezet tegen klip-en-klare inbreuken.

Gino van Roeyen is advocaat-redactielid van dit blad.

Noten

  1. M.E. Van Praag Sigaar, ‘Hindernissen bij procederen over intellectueel eigendomsrecht’, Adv.bl. 2000-09, p. 325-329. Zie voetnoot 1 bij het artikel.

  2. Van Praag Sigaar 2000, p. 325. Het TRIPs verdrag van 15 april 1994 trad in werking op 1 januari 1995 en is toepasbaar sinds 1 januari 1996. Met de Herziening Burgerlijk Procesrecht wordt door Van Praag Sigaar gedoeld op de Wet van 6 december 2001 tot herziening van het proces­recht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg.

  3. Als de octrooi-inbreuk ter beslechting wordt voorgelegd aan een andere recht­bank in Nederland, kan deze recht­bank zich onbevoegd verklaren onder verwijzing van de zaak naar de recht­bank Den Haag (vergelijk Rb. Overijssel 26 november 2025, ECL:NL:RBOVE:2025:6846 (Inno Proof Systems/​VaxxCoat en SMP).

  4. Verordening (EG) nr. 207/​2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/​2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 en Verordening (EU) 2017/​1001 van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk juncto artikel 3 van de betreffende Uitvoeringswet (Wet van 26 maart 1998); Verordening (EG) nr. 6/​2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen juncto artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen (Wet van 4 november 2004).

  5. HvJ EU 21 november 2019, ECLI:​EU:​C:​2019:988. Bij een grens­over­schrijdende inbreuk op een EU-merk- of -modelrecht is het uiteraard zaak eerst te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Zie voor een interessante ‘saga’ in dat verband – waarin de recht­bank Den Haag zich onbevoegd verklaarde op de grond dat de gestelde inbreuk niet mede een voor Nederland verleend Europees octrooi betrof, maar uitsluitend buitenlandse delen daarvan – Rb. Den Haag 17 maart 2021, ECLI:​NL:​RBDHA:​2021:2929 (Google Sonos) alsmede (in hoger beroep) Hof Den Haag 31 mei 2022, ECLI:​NL:​GHDA:​2022:2748 en (in cassatie) HR 19 januari 2024, ECLI:​NL:​HR:​2024:57. Lees zeker ook de conclusie A-G Van Peursem, ECLI:​NL:​PHR:​2023:1030.

  6. Zie artikel 80 lid 2 onder c Row en artikel 78 lid 2 Zaaizaad- en plantgoedwet. Het conservatoir beslag tot afgifte op roerende zaken waarmee inbreuk op een octrooirecht wordt gemaakt en op materialen en werktuigen die zijn gebruikt bij de voortbrenging van daarvan niet in artikel 80 lid 2 sub c Row wordt genoemd. Zie F. Eijsvogels, ‘Nieuwe exclusieve bevoegdheid van de (voorzieningen­rechter van de) recht­bank Den Haag in octrooizaken’, IER 2022/​1, p. 1-4, p. 2 (‘Het ziet ernaar uit dat de wetgever dergelijke verzoeken [verzoeken tot het leggen van conservatoir beslag tot afgifte, GvR] over het hoofd heeft gezien.) Dit zal worden hersteld in een wetsvoorstel tot wijziging van de Row 1995 van 10 februari 2026.

  7. Zie voor de Beslagsyllabus www.rechtspraak.nl/​binaries/​content/​assets/​lov/​ove/​lov-ove-beslagsyllabus.pdf (versie januari 2025), meer in het bijzonder onderdeel G.13.2.1.

  8. HR 29 juni 2001, ECLI:HR:2001:AB2391 (Impag/[verweerder 1] c.s.). r.o. 3.2.3.

  9. Vergelijk Rb. Den Haag (kort geding) 20 augustus 2015, ECLI:​NL:​RBDHA:​2015:9836 (Parfumswinkel/​ANS Trading) waarin de eisende partij pas anderhalf jaar na een eerste sommatie een tweede sommatie aan de gedaagde zond, die pas daarna met een kort geding werd opgevolgd. De voorzieningen­rechter kwalificeerde die anderhalf jaar als ‘relatief veel tijd’.

  10. Zie voor de in eerste aanleg geldende indicatietarieven https://​www.rechtspraak.nl/​binaries/​content/​assets/​ao/​indicatietarieven-ie-recht­banken-febr-2026.pdf.

  11. Vergelijk Rb. Den Haag (kantonrechter in kort geding) 11 december 2025, ECLI:​NL:​RBDHA:​2025:23583 ([eiser/[gedaagde]), waarin werd geoordeeld dat de proces­kosten­veroordeling niet krachteloos wordt zolang deze niet wordt vernietigd. Artikel 1019i Rv had een voorloper in artikel 2.13.7, opgenomen in het in noot 2 genoemde wetsvoorstel.