vak & mens cover

dossier sociale advocatuur

‘Betaal patroons voor opleiden stagiairs’

De Vereniging Sociale Advocatuur Nederland, de VSAN, bepleit een patroonsvergoeding van 25 mille per jaar om de instroom van jonge sociaal advocaten op te schroeven. Dat zet meer zoden aan de dijk dan een kantoortoeslag, zegt VSAN-voorzitter Reinier Feiner.

De sociale advocatuur staat voor een dubbele uitdaging: de instroom bevorderen en de uitstroom beperken. De Raad voor Rechtsbijstand (RvR), de NOvA en de VSAN werken aan een gezamenlijk plan – het zogeheten visietraject – voor een toekomstbestendig stelsel van gesubsidieerde rechts­bijstand. Hoewel er eensgezindheid heerst over de bestemming, hebben de betrokken partijen niet dezelfde route voor ogen. Waar de RvR en de NOvA voorstander zijn van een toeslag op het uurtarief voor sociale kantoren, hecht de VSAN meer waarde aan een bonus voor advocaten die stagiairs begeleiden. Met een patroonsvergoeding komt het geld op de juiste plaats terecht, hetgeen met een kantoortoeslag kan worden betwijfeld, stelt Reinier Feiner. ‘Je beloont patroons direct voor het belangrijke werk dat ze doen. Het vergt een fikse investering, maar minder dan een kantoortoeslag die minder effectief en gericht is.’

De VSAN-voorzitter is stellig in zijn opvatting: het recente rapport van het Kennis­centrum geeft een foutief beeld van de ruim 2.200 eenpitters die op toevoegingsbasis werken. Net zoals de Commissie-Van der Meer II, die het kabinet een jaar geleden adviseerde de uurtarieven te verhogen én een kantoortoeslag in te voeren. Volgens Van der Meer hebben eenpitters lagere vaste lasten dan sociaal advocaten in kantoorverband. Terwijl een kantooromgeving de ideale habitat is om advocaat-stagiairs op te leiden. Het Kennis­centrum op zijn beurt constateert dat binnen het krimpend cohort aan sociaal advocaten het aantal eenpitters toeneemt en het aantal kleine kantoren (twee tot vijf advocaten) daalt. Conclusie: de aanwas van nieuwkomers stagneert steeds verder. Van der Meer sprak zelfs van een sterfhuisconstructie.

Feiner vindt dat zowel Van der Meer als het Kennis­centrum een karikatuur schetst van de eenpitter. ‘Daardoor is het beeld ontstaan dat zestig procent van de sociaal advocaten aan de keukentafel zijn werk doet. Klinkklare onzin. Eenpitters werken ook in samen­werkings­verbanden, zoals een kostenmaatschap, in een gezamenlijk kantoor of in een bedrijfsverzamelgebouw. Die kunnen bij elkaar op de gang zitten, onderling de waar­neming regelen, iemand hebben die de ICT doet enzovoort. Ze werken samen, maar staan allemaal als éénpitter geregistreerd.’

Volgens Feiner, die zelf ook in een kostenmaatschap werkt, vissen de sociale eenpitters achter het net bij een kantoortoeslag, terwijl ze wel degelijk stagiairs onder hun hoede kunnen nemen. Zo de kantoortoeslag er komt, gaat die alleen naar meerpersoons­kantoren die stagiairs in loondienst nemen. Van der Meer II heeft een ondergrens van vier advocaten in gedachten, de NOvA denkt aan minimaal drie advocaten.

De VSAN heeft een alternatief plan, dat zowel de korte als de lange termijn beslaat. De eerste stap is een vergoeding voor patroons, gekoppeld aan uitbreiding van de subsidie voor de beroeps­opleiding. Daarmee kan de gesubsidieerde instroom omhoog van 175 naar vierhonderd advocaten per jaar, denkt de vereniging, die zich gesterkt weet door een peiling onder de eigen achterban.

Feiner: ‘Met deze instroom houd je het aantal sociaal advocaten op peil. Er is een structurele investering van 33 miljoen euro per jaar voor nodig, maar per saldo valt dat mee. De kantoortoeslag van Van der Meer II vergt volgens diens rekensom dertien miljoen per jaar. Die raming is gebaseerd op verkeerde aannames. Advocaten met honderd toevoegingen van gemiddeld tien punten ontvangen dan per jaar bijna vijftien mille aan kantoortoeslag. Met negenhonderd advocaten ga je al ruim over de dertien miljoen heen. Onze inschatting is dat er veel meer dan negenhonderd advocaten in aanmerking komen voor de kantoortoeslag.’

Voor de lange termijn denkt de VSAN-voorzitter aan een aanvullende opleiding van stagiairs via het huisartsenmodel. ‘Bij de huisartsen gaat het zo: je hebt een opleidings­instituut. Dat neemt een huisarts in opleiding in dienst, waarna een huisartsenpraktijk betaald krijgt om de nieuwkomer op te leiden. En het fijne is dat je na de opleiding een werkplek kunt aanbieden aan zo iemand, zonder vooraf het onder­nemingsrisico te moeten dragen.’

Feiner – zelf specialist straf- en jeugdrecht – pleit ervoor om de gefinancierde rechts­bijstand gerichter te sturen, specifiek naar regio’s of rechts­gebieden waar een tekort is. ‘Neem de grotere straf­rechtkantoren, die EXU-zaken doen of Marengo-achtige zaken. Die hebben een prima onder­nemingsmodel en draaien uitstekend, die hebben helemaal geen extra subsidie nodig. Voor slachtofferadvocaten staat de subsidiekraan ook open. Maar sociaal advocaat ben je juist ook voor die groepen die wat minder door het publiek worden gewaardeerd, zoals verdachten van zedenmis­drijven. Of socialezekerheidsadvocaten en asieladvocaten. Zorg nou dat je de subsidie dáár neerlegt waar de problemen zijn.’

Mocht het toch tot een kantoortoeslag komen, dan dient in ieder geval de eis te worden losgelaten om stagiairs in loondienst te nemen, zegt Feiner. ‘Denk aan Oorsprong Advocaten in Utrecht of Advokaten­kollektief Oost in Amsterdam. Die begeleiden stagiair-ondernemers, maar zouden geen kantoortoeslag krijgen. Simpelweg omdat ze het risico niet aandurven om stagiairs in loondienst te nemen.’

‘Er dreigt een bureau­cratie te ontstaan, waardoor een substantieel deel van de opleidings­plekken onaantrekkelijk wordt’

Uiteindelijk gaat het erom zo veel mogelijk stagiairs op te leiden, benadrukt de VSAN-voorzitter. ‘Ik ben bang dat we al te laat zijn. Desondanks dreigt er nu een enorme bureau­cratie te ontstaan, met hoge uitvoeringskosten, waardoor een substantieel deel van de opleidingsplekken onaantrek­kelijk wordt gemaakt en mensen geen zin meer hebben de sociale advocatuur in te gaan.’

De rechtsongelijk­heid die ontstaat door onderscheid te maken bij het toekennen van de kantoortoeslag, kan nog weleens tot een zaak leiden, waarschuwt Feiner. ‘Er komen ongetwijfeld advocaten die niet accepteren dat ze buiten de boot vallen. Die aan de rechter vragen waarom zij vijftien euro per uur minder krijgen dat een collega die toevallig met twee of drie andere advocaten op een kantoor zit. Dat onderscheid in beloning is niet gebaseerd op de wet en dan wordt het de vraag of dat juridisch houdbaar is.’

Het wordt hoog tijd de sociale advocatuur te zien zoals ze is, vindt de VSAN-voorzitter. ‘Het is een private sector die een publieke taak uitvoert. Zonder goede randvoorwaarden verliest de beroeps­groep haar aantrekkingskracht. Je moet ons niet vergelijken met de Zuidas, maar kunt wel kijken naar de andere togabroeders. Wat verdient de rechter of een officier? Hoe is de werkdruk, wat zijn carrièremogelijkheden? Wat hebben zij aan secundaire arbeidsvoorwaarden die er voor sociaal advocaten niet zijn? Waarom is er geen collectieve pensioen­voorziening of arbeids­ongeschikt­heids­verzekering? Waarom hebben wij geen toegang tot de bibliotheek van de rechtspraak? Er zijn sociaal advocaten die om die reden rechter-plaatsvervanger zijn geworden.’

Tien jaar geleden is er een denkfout gemaakt, besluit Feiner, toen de Commissie-Wolfsen bedacht dat een sociaal advocaat net zoveel moet verdienen als een rijks­ambtenaar, schaal 12, trede 10. ‘Het ondernemersrisico is toen niet meegenomen. Er is gekeken wat nodig is om precies break-even te draaien. Maar je hebt goede en slechte tijden en dient reserve op te bouwen voor magere jaren. Evenmin is rekening gehouden met werkervaring. Of iemand tien of twintig jaar werkt, hij zou in alle gevallen schaal 12, trede 10 moeten verdienen. Bizar. Ik ben nu 48 jaar oud. Als ik nu overstap naar de Rechtspraak, ga ik toch veel meer verdienen? Als je ambtenaren een rapport laat schrijven over de advocatuur, dan krijg je een ambtelijk rapport, losgezongen van de realiteit. Ook sociaal advocaten zijn ondernemers. Als je wilt dat zij stagiairs gaan opleiden, dan moeten ze er ook iets aan kunnen verdienen.’