juridisch kronieken

Kroniek
Burgerlijk procesrecht 2025

De Kroniek bevat een selectie van in 2025 gepubliceerde uitspraken en relevante ontwikkelingen in dat jaar. Specifieke ontwikkelingen in de wijze van procederen in cassatie zijn buiten beschouwing gelaten.

Algemene beginselen

Recht op een mondelinge behandeling

Het recht van partijen hun standpunten mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten, is een fundamenteel uit artikel 6 EVRM voortvloeiend beginsel van proces­recht.noot 1 Moet dat recht altijd fysiek worden uitgeoefend of mag één van de partijen ook via een videoverbinding deelnemen?

In HR 13 juni 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:902) oordeelt de Hoge Raad dat een hybride zitting toelaatbaar is, ook zonder instemming van alle partijen. Een interessante uitspraak, omdat in de praktijk veelal werd aangenomen dat een (volledige) online zitting alléén kan als beide partijen daarmee instemmen.noot 2 De Hoge Raad spreekt wel nadrukkelijk zijn voorkeur uit voor een zitting met fysieke aanwezigheid van beide partijen. Dit omdat deelname op afstand er volgens hem toe kan leiden dat een partij minder goed wordt gehoord (bijvoorbeeld bij technische onvolkomenheden in de beeld- of geluidverbinding). Daardoor komt het beginsel van hoor en wederhoor en daarmee het processuele evenwicht tussen partijen in het geding. Ook kan het onderzoek ter zitting minder effectief blijken te zijn als partijen deels fysiek en deels op afstand aan die zitting deelnemen. Dit alles brengt de Hoge Raad tot de aanbeveling aan de rechter om bij een verzoek van één van partijen om via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling te mogen deelnemen, steeds na te gaan of dat verzoek een legitiem doel dient en of deelname op afstand van die partij op zodanige wijze kan worden georganiseerd dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd.noot 3 Onderdeel van een eerlijk proces is immers dat een partij niet in een beduidend slechtere positie mag verkeren dan de andere partij(en) ten aanzien van de mogelijkheid om zijn of haar zaak te presenteren.noot 4

Als er geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, kunnen partijen aanspraak maken op een gelegenheid om alsnog hun standpunt mondeling uiteen te zetten (zie artikel 87 lid 8 Rv).noot 5 HR 5 september 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1240) onderstreept nog eens dat de rechter op een dergelijk verzoek moet beslissen en dat dit slechts in zeer uitzonderlijke omstandig­heden mag worden afgewezen.noot 6 In deze zaak had appellant aanvankelijk geen behoefte aan een mondelinge behandeling omdat de weder­partij niet als laatste aan het woord was geweest. Later bleek echter dat de weder­partij wel degelijk een laatste akte had ingediend maar bij een verkeerd hof. Deze antwoordakte van de weder­partij werd daarmee alsnog onderdeel van het procesdossier. Reden voor appellant om alsnog om een mondelinge behandeling te verzoeken. Het hof had op dat verzoek niet beslist en kort erna arrest gewezen. De Hoge Raad casseert en gaat ervan uit dat onder die omstandig­heden door het hof opnieuw gelegenheid had moeten worden geboden om te verzoeken voor een mondelinge behandeling. A-G Vlas benadrukte in zijn conclusie (ECLI:​NL:​PHR:​2025:487) voor dit arrest dat het hof na het alsnog accepteren van de antwoordakte de zaak opnieuw voor partijberaad (zie ook hierna) had moeten zetten en in ieder geval op het verzoek had moeten beslissen. De kennelijke behoefte bij advocaten om het laatst aan het woord te zijn, wordt – vanuit het perspectief van de rechter – door G.C.C. Lewin in zijn noot onder dit arrest in JBPr 2025/​67 wel begrepen. De rechter zal partijen voorhouden dat diens beslissing niet wordt gebaseerd op betogen van een partij waarover de weder­partij zich niet heeft kunnen uitlaten (artikel 19 Rv).noot 7 Toch hebben advocaten – volgens Lewin – een punt, omdat er een ‘cognitive bias’ bestaat die ‘recency effect’ heet en die inhoudt dat men datgene het beste onthoudt waarvan men het laatste kennis heeft genomen. Lewin ziet geen reden om aan te nemen dat rechters, hoe professioneel ook, daar geheel immuun voor zijn.

Een voor het vragen van een mondelinge behandeling gestelde termijn moet worden benut (artikel 133 lid 4 Rv). In de zaak die leidde tot HR 18 juli 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1172) ging dat fout. Nadat de memorie van antwoord was genomen, kwam de zaak op de rol voor partijberaad te staan en konden partijen zich uitlaten over de door hen gewenste vervolgstappen in de zaak.noot 8 Omdat partijen dit niet hadden gedaan, bepaalde het hof een termijn om te fourneren voor arrest.noot 9 In cassatie wordt opgekomen tegen de daarna genomen rolbeslissing dat het recht op het vragen van akte of een mondelinge behandeling was komen te vervallen. Met verwijzing naar artikel 133 Rv en de bepaling in het toepasselijke proces­reglement over het ambtshalve handhaven van termijnen, verwerpt de Hoge Raad dit cassatie­middel. Indien als gevolg van het laten verstrijken van de desbetreffende termijn het recht om te vragen om een mondelinge behandeling is vervallen, kan de rechter een nadien gedaan verzoek op die enkele grond afwijzen. In dat geval geldt niet de – in de vorige alinea genoemde – regel dat een verzoek om een mondelinge behandeling slechts in zeer uitzonderlijke omstandig­heden mag worden afgewezen.

In de zaak die leidde tot HR 18 juli 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1153) hadden partijen nagelaten om een mondelinge behandeling te vragen toen de zaak in hoger beroep voor partijberaad stond. Volgens de Hoge Raad had de rechter ook niet ambtshalve een mondelinge behandeling hoeven te gelasten omdat de vordering in eerste aanleg op een strafzitting was behandeld als vordering van de benadeelde partij. Artikel 6 EVRM noch de eisen van een goede procesorde vereisen dat de rechter dan ambtshalve een mondelinge behandeling gelast. Partijen hadden immers zelf de gelegenheid om een mondelinge behandeling te verzoeken, maar hebben daarvan geen gebruikgemaakt. Hoewel een mondelinge behandeling in eerste aanleg het uitgangspunt blijft (artikel 131 Rv), leert ook deze zaak dat advocaten er wel alert op moeten zijn tijdig het recht op een mondelinge behandeling geldend te maken. In dat kader mag niet onvermeld blijven dat per 1 juli 2025 in eerste aanleg een eventueel verzoek voor een (nadere) mondelinge behandeling zelfs vóór of bij de laatste proceshandeling moet worden gedaan.noot 10 Dit omdat per die datum een nieuw uniform landelijk proces­reglement in werking is getreden voor kanton- én handelszaken waarin de rolhandeling partijberaad niet meer voorkomt en de zaak dus niet meer (automatisch) voor uitlaten komt te staan.noot 11

Rechterswisseling (onmiddellijkheidsbeginsel)

In 2014 heeft de Hoge Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de rechter ten overstaan van wie een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ook de rechter moet zijn die de uitspraak wijst.noot 12 Dit vanuit de gedachte dat hetgeen ter zitting is voorgevallen, wordt meegewogen bij de uitspraak en de (kennelijke) aanname dat rechters zich het verhandelde ter zitting na (veelal) lange tijd nog weten te herinneren.noot 13 HR 24 januari 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:114) leert dat de vaste rechtspraak over rechterswissels na de mondelinge behandeling ook geldt ten aanzien van de raden van de Ondernemingskamer (OK). Dit betekent dat bij vervanging van raden na de mondelinge behandeling de OK dit – onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum – voorafgaand aan de eerstvolgende uitspraak zal moeten mededelen aan partijen, waaronder in verzoek­schrift­procedures de belang­hebbenden. Partijen die bij de mondelinge behandeling zijn verschenen, kunnen dan verzoeken om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de raden die de uitspraak zullen wijzen. Zo’n verzoek moet overigens binnen twee weken na de mededeling of (tussen)uitspraak gedaan zijn.noot 14

In de zaak die leidde tot HR 31 januari 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:162) was het beroep van een bedrijfsarts op diens verschonings­recht door de raadsheer-commissaris met de partijen in de hoofdzaak en de getuige besproken, terwijl de beslissing in het incident door de meervoudige kamer van het hof werd gegeven. Had het hof nu de gelegenheid moeten bieden een mondelinge behandeling van het incident ten overstaan van de meervoudige kamer te verzoeken? Hier komt toepassing van het onmiddellijkheidsbeginsel A-G Van Peursem (ECLI:​NL:​PHR:​2024:764) te ‘zwaar’ voor. Dit omdat het volgens hem niet een toelichting van standpunten betreft maar de puur juridische vraag of de bedrijfsarts hier op de door hem aangevoerde gronden een beroep op zijn functioneel verschonings­recht toekomt. De Hoge Raad ziet dat anders en gaat dan ook contrair: de getuige die partij is in een verschonings­rechtincident heeft er – gelijk alle partijen – belang bij dat hij zijn standpunten daaromtrent kan toelichten ten overstaan van de rechters die oordelen over de zaak, dat wil zeggen over zijn beroep op het verschonings­recht. Zie over de bewijsrechtelijke aspecten van dit arrest hierna onder ‘Bewijs, sub Verschoningsrecht getuigen’.

Arbitrage/​bindend advies/​NCC

Vernietiging en herroeping

Ook dit Kroniekjaar was er weer een nieuwe aflevering in de Yukos-saga. In 2021 had de Hoge Raad in deze Yukos-zaak geoordeeld dat stellingen over in de arbitrageprocedure gepleegd (procedureel) bedrog niet alleen naar voren kunnen worden gebracht in een herroepingsprocedure, maar ook in een vernietigings­procedure.noot 15 Het gerechtshof Amsterdam moest na verwijzing opnieuw beoordelen of de arbitrale vonnissen vernietigd moesten worden op grond van (procedureel) bedrog dat de voormalige aandeelhoudende vennootschappen van Yukos zouden hebben gepleegd, zoals de Russische Federatie stelde. In cassatie daarvan maakt HR 17 oktober 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1569) duidelijk dat een dergelijk beroep op bedrog wel tijdig moet worden gedaan. Hier had de Russische Federatie aanvankelijk geen beroep op bedrog gedaan bij het uitwerken van de aangevoerde vernietigingsgrond strijd met de openbare orde. Dit terwijl het hof uit haar stellingen opmaakt dat dit toen wel bij de Russische Federatie bekend was. Het beroep op bedrog liet het hof dan ook buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. Volgens de Hoge Raad terecht.

Wie beslist over een verzoek tot ontheffing van een arbiter?

Een arbiter kan zelf verzoeken om van zijn opdracht te worden ontheven. Artikel 1029 lid 2 Rv bepaalt dat partijen hierover beslissen dan wel een door partijen aangewezen derde of, bij gebreke daarvan, de voorzieningen­rechter van de recht­bank. In de zaak die leidde tot HR 9 mei 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:725) had een arbiter eerst tevergeefs om ontheffing verzocht bij het betreffende arbitrage-instituut (NAI) en zich daarna tot de voorzieningen­rechter gewend. Door één van de partijen in de arbitrage werd vervolgens – op de voet van artikel 1064 e.v. Rv – vernietiging gevorderd van het arbitrale vonnis. Kort gezegd met het betoog dat had moeten worden gewacht met het wijzen van een arbitraal vonnis totdat de voorzieningen­rechter op genoemd verzoek had beslist. De Hoge Raad oordeelt dat er geen plaats is voor een beslissing van de voorzieningen­rechter als het arbitrage-instituut dat de arbitrage administreert daarover een beslissing kan nemen of al heeft genomen. Arbiters hoefden dan ook niet met hun beslissing te wachten totdat de voorzieningen­rechter had beslist op het ontheffingsverzoek.

Beslag

Onder het nieuwe bewijsrecht (zie daarover ‘Bewijs’ hierna) zijn sinds 1 januari 2025 bepalingen voor maat­regelen tot bescherming van bewijs wettelijk verankerd (artikelen 205-207 Rv). Hoewel dit Kroniekjaar vooral nog over bewijsbeslagen onder oud recht werd geprocedeerd, zien we in bijvoorbeeld het themanummer van de BER (2025/​72-74) dat in de literatuur bij praktische (on)beantwoorde vragen van de nieuwe regeling wordt stilgestaan.

Tweemaal hetzelfde bewijsbeslag niet onrecht­matig

In de zaak die ten grondslag lag aan HR 31 oktober 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1631) was het (onder oud recht) gelegde bewijsbeslag vervallen door een afwijzing van de inzage­vordering (de hoofdzaak) die in kracht van gewijsde was gegaan (artikel 704 lid 2 Rv en 1019c lid 2 Rv, sinds 1 januari 2025 specifiek: artikel 206 lid 3 Rv). Daarna is door de beslaglegger opnieuw bewijsbeslag gelegd onder de bewaarder, alvorens deze tot afgifte of vernietiging van de beslagen bescheiden was overgegaan. De beslagene klaagt dat geen tweede beslag gelegd mocht worden omdat beslaglegger heeft geweigerd mee te werken aan de vernietiging – en daar thans in feite van profiteert. De Hoge Raad herhaalt dat geen rechtsregel zich verzet tegen een tweede (bewijs)beslag als het eerdere beslag is komen te vervallen door een fout of anderszins.noot 16 Hij overweegt ook dat de afgifteplicht op de bewaarder rust (artikel 860 lid 2 Rv, thans artikel 206 lid 3 Rv) en niet op de beslaglegger, maar dat van hem wel medewerking hieraan gevergd kan worden. Nu in deze zaak onduidelijkheid over de uitleg van het afwijzende vonnis was ontstaan, was het zekerheids­halve leggen van een tweede beslag toegestaan. Zie voor de meer appeltechnische aspecten van deze uitspraak ook hierna onder ‘Hoger beroep sub Incidenteel appel’.

Opheffing bewijsbeslag en belangen­afweging

Verder noemenswaardig voor eveneens het bewijsbeslag is HR 5 december 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1812) waarin de Hoge Raad ten overvloede overweegt dat ook artikel 705 Rv van toepassing is op de mogelijke opheffing van bewijsbeslag (sinds 1 januari 2025 volgt dit uit artikel 206 lid 4 Rv). Hij overweegt daarbij dat het niet langer voldoen aan de eisen voor bewijsbeslag onder oud recht (de Molenbeek-uitspraaknoot 17) een grond voor opheffing is en dat ook dan, net als bij verhaalsbeslag, een belangen­afweging deel uitmaakt van de rechterlijke beoordeling.

Bevel tot gegevensbewaring (Nederlandse ‘preservation order’)

In een lopende WAMCA-procedure heeft gedaagde Salesforce zich ter regiezitting laten ontvallen dat relevante gegevens (over de mogelijke privacyschending van internet­gebruikers door cookies) mogelijk verloren zullen gaan. Dit was voor claimorganisatie TPC aanleiding in kort geding een bevel te vorderen om deze gegevens, voor zover aanwezig, te bewaren voor de duur van de WAMCA-procedure, met een beroep op het maat­schappelijke belang van waarheids­vinding (onder andere artikel 21 Rv) en analoge toepassing van de regeling voor bewijsbeslag (artikelen 205 en 206 Rv). In voorzieningen­rechter recht­bank Amsterdam 2 mei 2025 (ECLI:​NL:​RBAMS:​2025:2936) ziet de rechter aanleiding in de informatie en procesopstelling van Salesforce om het gebod toe te wijzen, versterkt met een dwangsom. E.M. Snijders gaat in zijn noot onder deze uitspraak in JBPr 2025/​56 in op de wettelijke basis en de wenselijkheid van deze vordering als minder ingrijpend alternatief voor bewijsbeslag. Daarbij legt hij (terecht) een verband met de Amerikaanse praktijk van ‘preservation of evidence’, in welke richting het Nederlandse proces­recht (opnieuw) een beetje lijkt opgeschoven.

Opheffing beslag en (her)begroting vordering

Na een geweigerde opheffing van een gelegd conservatoir beslag (artikel 705 Rv) vorderde appellante in hoger beroep onder meer dat het derdenbeslag wordt vrijgegeven tot aan het bedrag waarvoor de voorzieningen­rechter de vordering in eerste aanleg heeft (her)begroot. Gerechtshof Den Haag 6 mei 2025 (ECLI:​NL:​GHDHA:​2025:749) wijst appellante erop dat de begroting van de vordering waarvoor beslag wordt gelegd (artikel 700 lid 2 Rv) uitsluitend ten doel het bedrag te bepalen waarvoor de schuldenaar zekerheid kan stellen teneinde opheffing van het conservatoire beslag te verkrijgen. De begroting betekent niet, anders dan soms gedacht, dat de schuldeiser slechts beslag mag leggen op goederen van de beslagdebiteur met een waarde tot het beloop van het begrote bedrag. Een herbegroting van het bedrag door de voorzieningen­rechter betekent dus ook niet dat het beslag gedeeltelijk moet worden opgeheven. Dit arrest illustreert nog maar eens dat het subsidiair vorderen van herbegroting in de praktijk geen zin heeft indien de beslagdebiteur geen intentie of mogelijkheid heeft voor dat bedrag voldoende zekerheid, zoals een bankgarantie, te stellen.

Vraag of de schuldenaar een rekening aanhoudt

In een kort geding in 2024 stond de vraag centraal hoever de informatieplicht van de bank reikt bij een verzoek onder artikel 475aa sub b Rv (oud), waarbij de deurwaarder die gerechtigd is executoriaal derdenbeslag te leggen de bank vraagt of zij ‘geldmiddelen van die schuldenaar onder zich heeft’.noot 18 De bank meende dat dit slechts tot de mededeling moest leiden of de schuldenaar een positief saldo op dat moment had, waarbij eiseres daarentegen meende dat dit ook het feit van het aanhouden van een bankrekening betrof (met op dat moment negatief saldo). De praktijkrelevantie is daarin gelegen dat het bestaan van een bankrekening sneller aanleiding vormt opnieuw deze vraag aan dezelfde bank te stellen en de kans op toekomstige positieve saldi vergroot. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 18 maart 2025 (ECLI:​NL:​GHAMS:​2025:722) het kortgedingvonnis in dit principiële geschil bekrachtigd en de ruimere uitleg in stand gelaten. Daarbij overweegt het hof dat aan de bank moet worden toegegeven dat de initiële wettekst steun aan haar beperktere uitleg bood, maar dat uit de wetsgeschiedenis de ruimere uitleg volgt. Verdere bevestiging daarvan volgt uit het feit – dat het hof reeds anticiperend meeweegt – dat de wetgever na bekendwording met dit interpretatiegeschil de wet voortvarend heeft gewijzigd, waarbij de zinsnede ‘of deze geldmiddelen van die schuldenaar onder zich heeft’, per 1 juli 2025 zou worden (en inmiddels is) vervangen door: ‘of de schuldenaar bij haar een betaalrekening of spaarrekening aanhoudt’.noot 19 In dat licht verbaast het uiteraard niet dat de bank geen cassatie heeft ingesteld (zoals sinds vorig Kroniekjaar eenvoudig te verifiëren op de website van de Hoge Raad).noot 20

Griffierechtverzoek tot verlenging termijn instellen eis in de hoofdzaak

Tenzij op het tijdstip van het verlof voor conservatoire beslaglegging reeds een eis in de hoofdzaak is ingesteld, wordt het verlof verleend onder voorwaarde dat het instellen daarvan geschiedt binnen een door de voorzieningen­rechter bepaalde termijn (van in beginsel veertien dagen).noot 21 De voorzieningen­rechter kan de termijn verlengen, indien de beslaglegger dit voor het verstrijken van de termijn verzoekt (artikel 700 lid 3 Rv). Is de beslaglegger dan opnieuw griffierecht à € 714 (tarief 2025) verschuldigd? Die vraag heeft de recht­bank Rotterdam dit jaar meermaals bevestigend beantwoord in verzetzaken tegen het griffierecht (artikel 29 Wgbz).noot 22 Op 27 februari 2025 (ECLI:​NL:​RBROT:​2025:3044) oordeelt zij dat, anders dan door beslaglegger aangevoerd, dit griffierecht onder artikel 11 Wgbz slechts in mindering wordt gebracht op de hoofdzaak, niet op ieder volgend verzoekschrift of geding dat hiermee verband houdt. Indien de beslaglegger echter tijdig de eis in de hoofdzaak instelt, worden de voor beide verzoeken betaalde bedragen alsnog in mindering op het voor de hoofdzaak verschuldigde griffierecht gebracht.

Op 26 mei 2025 (ECLI:​NL:​RBROT:​2025:6625) oordeelt zij dat ook artikel 4 lid 2 aanhef en onder f Wgbz de beslaglegger niet kan baten, nu hierin slechts is bepaald dat geen griffierecht wordt geheven voor de indiening van een verzoekschrift als dat in de loop van een aanhangig geding wordt ingediend en op dit geding betrekking heeft. Een verzoek tot termijnverlenging wordt echter (altijd) pas gedaan nadat beslagverlof is verleend en die procedure daarmee reeds is afgelopen.

Bewijs

De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht werd op 1 januari 2025 van kracht.noot 23 Dit maakt dat in 2025 zowel onder oud als onder nieuw recht is geprocedeerd, omdat de wet van toepassing is op alle procedures die na die datum aanhangig worden gemaakt, inclusief een eventuele hogere voorziening in een reeds voor die datum aanhangige procedure (het overgangs­recht van artikel XIIA). Strikte handhaving van dit overgangs­recht zien wij ook in de rechtspraak terug, zie bijvoorbeeld gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 augustus 2025 (ECLI:​NL:​GHARL:​2025:5194) en 6 oktober 2025 (ECLI:​NL:​GHARL:​2025:6089), waarin het miskennen hiervan door appellante tot niet-ontvankelijkheid leidde.

Volledigheidshalve wijzen wij alvast op een uitzondering van dit overgangs­recht: kort na het einde van dit Kroniekjaar, op 6 februari 2026, is door de Hoge Raad (ECLI:​NL:​HR:​2026:201) geoordeeld over de werking van het overgangs­recht op de beroeps- en cassatietermijnen voor beslissingen op inzageverzoeken (artikel 843a Rv (oud)), die inmiddels in artikel 200 lid 1 Rv significant zijn verkort. Hij oordeelt dat als de procedure om inzage te verkrijgen vóór 1 januari 2025 was gestart, maar de uitspraak na die datum is gedaan, de oude (langere) termijn voor het instellen van (cassatie)beroep van toepassing blijft. Dit omdat een specifieke overgangsregeling voor deze termijn ontbreekt, waardoor het nieuwe bewijsrecht op dat punt geen gevolgen heeft voor reeds aangevangen procedures (vergelijk artikel 74 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek).

Voorlopige bewijsverrichtingen tijdens een lopende procedure moeten zo veel mogelijk worden voorkomen

Onder het vereenvoudigde en gemoderniseerde bewijsrecht kunnen voorlopige bewijsverrichtingen, waaronder een voorlopig getuigen­verhoor (artikel 197 lid 3 Rv), slechts nog bevolen worden voordat een zaak aanhangig is of voordat de zaak op de rol is ingeschreven (artikel 196 lid 1 Rv). Uit de parlementaire geschiedenis valt af te leiden dat de indiening van verzoekschrift het peilmoment voor de ontvankelijkheid vormt en niet, zoals uit de wettekst lijkt te volgen, het moment van beslissing daarop.noot 24 Deze nieuwe beperking leidde afgelopen jaar niettemin meermaals tot partij­debat. Relevant bij deze geschillen is dat ze zich onder nieuw bewijsrecht vooral tot de rechter in eerste aanleg beperkt, nu tegen zowel een toe- als afwijzing van voorlopige bewijsverrichtingen zonder verlof van de beslissende rechter geen hogere voorziening (meer) openstaat (artikel 200 lid 2 Rv), tenzij dit een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens betreft (artikel 200 lid 1 Rv). Wij menen dat de enkele tientallen uitspraken in dezen wel duiding aan dit nieuwe leerstuk geven, waarbij de recht­bank vooral belang lijkt te hechten aan de motivering van verzoeker.

Zo ook in het verzoek dat aan de uitspraak van 4 september 2025 van recht­bank Amsterdam (ECLI:​NL:​RBAMS:​2025:6730) ten grondslag lag, waarbij de grenzen van de beperking in artikel 196 lid 1 Rv werden opgezocht. Verzoekster had het verzoek één dag voor het aanhangig maken van de hoofdprocedure (betekenen dagvaarding) ingediend, waarna verweerster aanvoerde dat hiermee in strijd met de goede procesorde en artikel 196 Rv werd gehandeld. De recht­bank oordeelt dat deze gang van zaken inderdaad in strijd kan zijn met de goede procesorde omdat daarmee de bedoeling van de wetgever kan worden doorkruist. In deze zaak is daar volgens de recht­bank echter geen sprake van, waarbij zij doorslaggevend acht dat verzoekster conservatoir beslag had gelegd en door de beperkte termijn voor het aanhangig maken van de hoofdzaak niet meer in de gelegenheid was het voorlopig getuigen­verhoor te laten plaatsvinden voorafgaand aan de hoofdprocedure. Wel geeft de recht­bank aan­bevelingen voor de praktijk mee, door op de wenselijkheid te wijzen dat verzoekster dan op een langere termijn dagvaardt en in de dagvaarding melding maakt van het ingediende verzoek zodat hier bij het verloop van de hoofdprocedure rekening mee gehouden kan worden. Dat verzoekster dit naliet, maakt het verzoek echter nog niet strijdig met de goede procesorde. De recht­bank beveelt het voorlopig getuigen­verhoor.

In vergelijkbare zin overweegt recht­bank Noord-Nederland op 16 oktober 2025 (ECLI:​NL:​RBNNE:​2025:4376) dat het reeds hebben ‘aangekondigd’ van de bodemzaak op het moment van indienen van het verzoek niet tot afwijzing leidt, ook niet als niet lang na indiening van verzoekschrift daadwerkelijk de dagvaardingsprocedure aanhangig wordt gemaakt. Het verzoek was formeel op tijd.

Anders oordeelt echter de recht­bank Limburg in haar beschikking van 3 juli 2025 (ECLI:​NL:​RBLIM:​2025:8342), die in het zeer geringe tijdsverschil van vijf dagen tussen het indienen van het verzoekschrift en het aanhangig maken van de bodem­procedure een gebrek aan doelmatig procesgedrag en het risico op een doorkruising van de hoofdzaak ziet, zeker zonder dat verzoekster een reden hiervoor heeft aangevoerd, en het verzoek afwijst.

Ook de vraag wanneer een aanhangige zaak de(zelfde) ‘zaak’ als bedoeld in artikel 196 lid 1 Rv is, kwam meermaals aan bod. Indien een verzoeker overweegt in een lopende procedure tussen te komen of zich te voegen, staat artikel 196 Rv daaraan volgens de beschikking van 20 augustus 2025 van recht­bank Noord-Nederland (ECLI:​NL:​RBNNE:​2025:3398) in de weg. Dat verzoekers strikt genomen nu nog geen partij in de lopende procedure zijn (over een vermeend COVID-19-complot), maakt die onaanvaardbare doorkruising van de lopende procedure en strijd met de bedoelingen van de wetgever volgens de recht­bank niet anders, ook niet als verzoekers eventueel een eigen bodem­procedure over hetzelfde feitencomplex zouden willen starten. Rechtbank Limburg oordeelt vergelijkbaar op 12 november 2025 (ECLI:​NL:​RBLIM:​2025:11071), waarbij formeel nog geen bodem­procedure voorafgaand aan het verzoekschrift aanhangig was, maar wel een procedure over grotendeels hetzelfde onderwerp en verzoeker na dagvaarding (kort na het verzoekschrift) heeft verzocht om voeging van beide bodem­procedures, hetgeen in de ogen van de recht­bank ook dit verzoek tot voorlopig getuigen­verhoor in strijd met de goede procesorde maakt (artikel 196 lid 2 sub c Rv).

Tot slot kon onvoldoende voortvarend handelen onder oud recht een verzoek eveneens te laat maken. Zo verduidelijkt recht­bank Gelderland op 27 maart 2025 (ECLI:​NL:​RBGEL:​2025:2264) dat een verzoeker die in 2024 al een dagvaardingsprocedure was gestart, maar heeft nagelaten om in eveneens 2024 onder artikel 186 Rv (oud) een voorlopig getuigen­verhoor te verzoeken, naar haar voorlopig oordeel niet-ontvankelijk is indien hij dit na 1 januari 2025 alsnog verzoekt. Een verzoek­schrift­procedure is namelijk een zelfstandige procedure (artikel 278 Rv) en wordt na 1 januari 2025 beheerst door artikel 196 Rv. De stelling van verzoeker dat de reeds aanhangige dagvaardingsprocedure maakt dat dit verzoek alsnog onder oud recht zou vallen, faalt (uiteraard).

Voorlopige bewijsverrichtingen ook niet als voorlopige voorziening

Kunnen voorlopige bewijsverrichtingen dan wel als voorlopige voorziening (artikel 223 Rv) in een lopende procedure gevorderd worden? Rechtbank Amsterdam oordeelt op 23 juli 2025 (ECLI:​NL:​RBAMS:​2025:5480) ontkennend ten aanzien van een in incident gevorderd deskundigenbericht. Zij overweegt dat de aanhangigheid van de bodemzaak onder het nieuwe bewijsrecht ook hieraan in de weg lijkt te staan (artikel 196 lid 1 Rv), waarbij komt dat onder artikel 197 lid 1 Rv de voorzieningen­rechter slechts bevoegd is kennis te nemen van (spoedeisende) verzoeken tot inzage van bepaalde gegevens. Ten overvloede oordeelt de recht­bank dat anders ook geen dringend belang van eiser bestaat, nu eerst debat in de bodem­procedure moet worden gevoerd, mede over eventueel nieuw deskundigenonderzoek.

Inzagevordering in kort geding wel tijdens lopende procedure?

Gezien het voorgaande resteert dan nog de vraag of in kort geding inzage gevorderd kan worden tijdens een lopende procedure. De wet is hier in artikel 197 lid 1 Rv niet duidelijk over, maar uit de wetsystematiek lijkt te volgen dat de wetgever een inzagevordering in kort geding als vorm van voorlopige bewijsverrichting ziet.noot 25 In een lezenswaardige uitspraak oordeelt de voorzieningen­rechter van de recht­bank Amsterdam op 2 mei 2025 (ECLI:​NL:​RBAMS:​2025:2936, r.o. 4.10-4.15), na analyse van literatuur en de parlemen­taire geschiedenis, dat de inzagevordering in kort geding een eigen karakter heeft en het nieuwe bewijsrecht niet aan de ontvankelijkheid van eiseres in de weg staat. Ook op dit punt verwachten we komend jaar ontwikkelingen in de rechtspraak en wordt thans nog wisselend geoordeeld (zie bijvoorbeeld minder gemotiveerd en contrair: voorzieningen­rechter recht­bank Rotterdam 8 mei 2025, ECLI:​NL:​RBROT:​2025:5688).

Stelplicht en bewijslast bij ambtshalve toetsing

Aan HR 5 december 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1864) lag de ambtshalve toetsing aan Europees recht ten grondslag, waarbij de rechter onder meer zelfstandig dient te beoordelen of een beding oneerlijk is. Daarbij oordeelt de Hoge Raad dat dit onverlet laat dat feiten en omstandig­heden die door de ene partij zijn gesteld en door de weder­partij niet of onvoldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand worden beschouwd (artikel 149 lid 1 Rv). Er is geen grond om aan te nemen dat deze regel van Nederlands proces­recht onder het hier toepasselijke Unierecht, meer in het bijzonder het doel­treffend­heids­beginsel, geen werking zou hebben, anders dan door eiseressen in cassatie aangevoerd. Het hof kon hun onbetwiste of onvoldoende onderbouwde stellingen zodoende naast zich neerleggen.

Verschoningsrecht getuigen

Dit jaar deed de Hoge Raad twee belangwekkende uitspraken over het verschonings­recht van getuigen. Allereerst in HR 31 januari 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:162), zoals hiervoor in deze Kroniek in het kader van het onmiddellijkheidsbeginsel (onder ‘Algemene beginselen, sub Rechterswisseling’) toegelicht. Deze zaak betrof het functioneel verschonings­recht (artikel 165 lid 2 sub b Rv) van een bedrijfsarts. Na vernietiging vanwege schending van het onmiddellijkheidsbeginsel overweegt de Hoge Raad voorts dat het beroepsgeheim van de bedrijfsarts onverkort van toepassing is, behalve voor, kort gezegd, gegevens die nood­zakelijk zijn voor verzuimbegeleiding en re-integratie. Dit verschonings­recht geldt ook wanneer de werk­nemer toestemming geeft om de informatie te verstrekken. Het ligt dan nog steeds niet op de weg van de verschonings­gerechtigde te moeten onderbouwen welk concreet belang hij heeft bij handhaving van het beroep op verschonings­recht, hetgeen het hof had miskend.

In de tweede zaak, HR 3 oktober 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1462), betrof het een voorlopig getuigen­verhoor in een familieconflict. Beide getuigen die vermeend onrecht­matig handelden, beriepen zich op hun familiale verschonings­recht (artikel 165 lid 2 sub a Rv) en verzochten de rechter-commissaris hier vooraf schriftelijk over te beslissen. Laatstgenoemde heeft dit impliciet geweigerd en de datum voor verhoor bepaald, waar de getuigen vervolgens niet zijn verschenen. Nadat opnieuw een datum werd bepaald, hebben de getuigen dit als ongemotiveerde afwijzing van hun verzoek opgevat en (tevergeefs) hoger beroep ingesteld. In cassatie onderstreept de Hoge Raad dat een behoorlijk opgeroepen getuige die een beroep op een verschonings­recht wil doen en in verband daarmee verzoekt niet te hoeven verschijnen, verplicht blijft op de voor het verhoor bepaalde dag ter zitting te verschijnen zolang op het beroep op het verschonings­recht nog niet is beslist. Weliswaar kan het praktisch zijn dat de getuige zijn gronden van weigering vooraf schriftelijk kenbaar maakt, maar de getuige zal alsnog moeten verschijnen indien de oproepende partij zich hier niet mee kan verenigen. Dit is alleen anders als die volhardende partij geen enkel in rechte te respecteren belang aanvoert, waarna de rechter-commissaris slechts dan om een voorafgaande schriftelijke beslissing verzocht mag worden. Verder oordeelde de Hoge Raad eerder al dat de beslissing van de rechter-commissaris dat het beroep van een getuige op het verschonings­recht slaagt een appellabele einduitspraak is.noot 26 Hij verduidelijkt nu in het verlengde daarvan dat de beslissing dat de getuige dient te verschijnen en zijn beroep op het verschonings­recht ter zitting wordt behandeld aldus een tussenuitspraak is, waartegen geen hogere voorziening zonder rechterlijk verlof openstaat (artikel 337 lid 2 jo. artikel 362 Rv), hetgeen de getuigen in dit beroep niet-ontvankelijk maakt.

Gemotiveerde betwisting door gedaagde die tevens verdachte is

Kan van een persoon die zowel gedaagde is in een civiele procedure als verdachte in een nog lopende straf­zaak, terwijl beide zaken hetzelfde feitencomplex betreffen, gevergd worden dat hij de gestelde feiten in de civiele zaak gemotiveerd betwist? In die zaak die leidde tot HR 23 mei 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:796) had het hof feiten als vaststaand aangenomen vanwege onvoldoende betwisting (artikel 149 lid 1 Rv). De Hoge Raad verduidelijkt dat deze algemene regel van stellen en bewijzen ook in dit geval geldt en dat toepassing daarvan, behoudens bijzondere omstandig­heden, niet in strijd met artikel 6 EVRM is. Wel kan de rechter bij de beoordeling van de betwisting rekening houden met de positie van gedaagde als verdachte.

Collectieve actie

De Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) is in haar eerste lustrum­jaar volop in ontwikkeling geweest. De Hoge Raad en het Hof van Justitie EU hebben belangrijke uitspraken gedaan over de toepassing van de WAMCA, en de eerste evaluatie van de wet is gepubliceerd.noot 27 Hierna zetten wij de belang­rijkste ontwikkelingen op een rij.

Bevoegdheid recht­bank bij schade via online platformen

Veel WAMCA-procedures hebben een internationaal karakter, waardoor de vraag rijst welke (nationale) recht­bank bevoegd is om van de collectieve vordering kennis te nemen. Bijzondere regels over bevoegdheid bij collectieve acties ontbreken, zowel in Brussel I bis Vo als in rechtsvordering. In zijn arrest van 2 december 2025 (ECLI:​EU:​C:​2025:936) oordeelt het Hof van Justitie EU over de (prejudiciële) vraag welke nationale recht­bank bevoegd is als schade via een digitaal platform is ingetreden. In deze zaak ging het om een collectieve vordering wegens concurrentieverstorend gedrag dat Apple met betrekking tot haar Nederlandse App Store zou hebben vertoond. Bij vorderingen op grond van onrecht­matige daad is in beginsel bepalend de plaats waar de schade is ontstaan of zal intreden (artikel 7 lid 2 Brussel I bis Vo). Dit roept de vraag op of voor alle gedupeerden in een collectieve actie moet worden vastgesteld waar de schade is ingetreden, zoals de fysieke locatie waar een gebruiker zijn smartphone vasthield ten tijde van een aankoop. Het Hof van Justitie EU beantwoordt deze vraag ontkennend. Het hof overweegt dat de virtuele ruimte van een online platform dat zich richt op het gehele grondgebied van een lidstaat, zich ook over dat gehele grondgebied uitstrekt. De schade treedt dus overal binnen (de virtuele ruimte van) die lidstaat in. Deze benadering verlaagt de drempel voor collectieve vorderingen wegens digitaal geleden schade dus aanzienlijk: één rechterlijke instantie is territoriaal bevoegd om kennis te nemen van de gehele vordering namens alle gebruikers in die lidstaat.noot 28

Temporele toepasselijkheid WAMCA

Na bevoegdheid is één van de eerste vragen in WAMCA-procedures vaak of de WAMCA temporeel van toepassing is. Uitgangspunt is dat de WAMCA geldt bij collectieve acties die vanaf 1 januari 2020 zijn ingesteld en betrekking hebben op een (schade­veroor­zakende) gebeurtenis die heeft plaatsgevonden ná 15 november 2016 (artikel 119a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek).noot 29 Maar wat nu als de schadeveroorzakende gebeurtenis niet duidelijk tot één moment is te herleiden, maar een voortdurend karakter heeft of uit meerdere handelingen bestaat die zich over de peildatum heen uitstrekken?

Deze vraag speelde in de zaak die leidde tot recht­bank Midden-Nederland 8 januari 2025 (ECLI:​NL:​RBMNE:​2025:10). In deze collectieve actie werd producent Bayer c.s. aansprakelijk gesteld voor een beweerdelijke onveilige sterilisatiemethode (Essure) voor vrouwen. Partijen kwalificeerden de schadeveroorzakende gebeurtenis verschillend, teneinde de WAMCA al dan niet toepasselijk te doen zijn. Volgens de eisers moest het op de markt brengen van Essure in de periode 2003 en 2017 als de schadeveroorzakende gebeurtenissen worden aangemerkt. Daardoor zou sprake zijn van een ‘reeks van gebeurtenissen’, die doorliep na 15 november 2016, en zou de WAMCA op alle vorderingen van toepassing zijn. De producent stelde daarentegen dat het ontwikkelen van Essure als de schadeveroorzakende gebeurtenis moest gelden, die vóór 2003 had plaatsgevonden, en waardoor de WAMCA toepassing zou missen. De recht­bank gaf geen van beide partijen gelijk. Zij oordeelt dat de implantaties bij vrouwen de schade­veroor­zakende gebeurtenis is; de schade ontstaat niet door de enkele aanwezigheid van een gevaarlijk product, maar pas wanneer een individu daadwerkelijk aan dat gevaar wordt blootgesteld. Volgens de recht­bank vormen deze blootstellingen samen één reeks. Het aanbrengen van een temporeel onderscheid acht de recht­bank niet doelmatig. Daarnaast komt volgens de recht­bank de rechtszekerheid niet in het geding, nu de producent wist dat na 15 november 2016 nog Essure-producten konden worden geïmplanteerd.

Ook de recht­bank Oost-Brabant heeft zich uitgelaten over de temporele toepasselijkheid van de WAMCA (10 december 2025, ECLI:​NL:​RBOBR:​2025:8099). Hier in het kader van droogteschadevorderingen van landbouwbedrijven als gevolg van grond­water­onttrekkingen die deels vóór en ná 15 november 2016 hadden plaatsgevonden. De recht­bank kwalificeert het continu onttrekken van wisselende hoeveelheden grondwater als één voortdurende schadeveroorzakende gebeurtenis. Zij volgt daarmee niet het betoog van de drinkwaterbedrijven dat deze onttrekkingen niet nood­zakelijkerwijs in droogte­schade resulteren (omdat het intreden daarvan afhankelijk is van meer omstandig­heden dan uitsluitend het onttrekken van grondwater) en in nattere omstandig­heden juist schade kunnen beperken, waardoor van voortdurende schade geen sprake zou kunnen zijn. Opvallend is dat de recht­bank expliciet overweegt dat de wetgever aanknoopt bij de gebeurtenis die volgens de eisende partij schade heeft veroorzaakt. Dat is dus anders dan in de Essure-zaak, waar de recht­bank zelf de schadeveroorzakende gebeurtenis formuleerde. Ook het beroep van de drinkwaterbedrijven op het rechtszekerheidsbeginsel volgde de recht­bank niet: zij moesten zich na 15 november 2016 bewust zijn van de komst van de WAMCA, ondanks dat op hen een wettelijke plicht rust om grondwater te onttrekken en zij daarmee niet konden stoppen. De recht­bank overweegt dat door de wetgever het belang van het voorkomen van verschillende procedures over dezelfde geschil­punten van doorslaggevende betekenis wordt geacht. Net als in de Essure-zaak lag de nadruk dus op doelmatigheidsoverwegingen, waarbij de rechtszekerheid geen beletsel vormde voor toepassing van de WAMCA.noot 30

Zeggenschap

De zeggenschap over de collectieve vordering moet ‘in voldoende mate’ bij de belangenorganisatie liggen (artikel 3:305a lid 2 sub c BW). Dit vereiste is met name van betekenis bij collectieve acties waarin een procesfinancier betrokken is. Hoewel dit verweer bijna standaard wordt gevoerd, leidt het slechts zelden tot niet-ontvankelijkheid (bijvoorbeeld recht­bank Midden-Nederland 8 januari 2025, ECLI:​NL:​RBMNE:​2025:10, r.o. 3.62, recht­bank Amsterdam 15 januari 2025, ECLI:​NL:​RBAMS:​2025:313, r.o. 9.3 en gerechtshof Amsterdam 7 oktober 2025, ECLI:​NL:​GHAMS:​2025:2666, r.o. 4.38.1-4.38.3). Dat lag anders in gerechtshof Den Haag 23 december 2025 (ECLI:​NL:​GHDHA:​2025:2738). Hier verklaart het hof de belangenorganisatie niet-ontvankelijk wegens schending van dit vereiste. Het hof oordeelt dat de stichting zodanig verweven is met twee commerciële partijen (die alle werkzaamheden verrichten) en haar financier (die via een ruim informatie- en consultatierecht invloed uitoefent), dat de stichting feitelijk als een vehikel van deze partijen functioneert. Omdat de belangen van deze commerciële partijen niet nood­zakelijkerwijs parallel lopen met die van de achterban, is onvoldoende gewaarborgd dat de belangen van de (mogelijke) gedupeerden vooropstaan. Waar de grens van toelaatbare zeggenschap overigens precies ligt, is onduidelijk: de hiervoor genoemde evaluatie van de WAMCA constateert dat het toetsingscriterium voor de vereiste mate van zeggenschap van de 3:305a-organisatie over de rechtsvordering ontbreekt.noot 31

De Hoge Raad over de vereisten in hoger beroep, termijnverlenging en voeging

De Hoge Raad heeft in 2025 voor het eerst richting gegeven aan diverse procedurele vereisten. In zijn arrest van 21 februari 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:321) oordeelt de Hoge Raad dat de gegevens die op grond van artikel 1018c Rv in de dagvaarding van een collectieve actie moeten worden opgenomen, niet opnieuw hoeven te worden vermeld in de appeldagvaarding of in de procesinleiding in cassatie. Volgens de Hoge Raad volgt dit uit de tekst en strekking van artikel 1018c Rv: de bepaling ziet uitsluitend op het begin van de collectieve actie, niet op latere rechtsmiddelen. Ook hoeven deze proces­stukken niet te worden aangetekend in het Centraal register voor collectieve vorderingen.

In zijn arrest van 14 maart 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:388) gaat de Hoge Raad in op de positie van een belangenorganisatie die zich op een later moment wil aansluiten bij een reeds ingestelde collectieve vordering. De vraag was of een verlenging van de driemaanden­termijn van artikel 1018d lid 2 Rv een algemene werking heeft. De driemaandentermijn ziet op de periode waar­binnen, na het instellen van een collectieve actie, andere belangenorganisaties een dagvaarding over dezelfde gebeurtenis kunnen instellen. De Hoge Raad oordeelt dat een verlengingsbeslissing over deze termijn uitsluitend ziet op de verzoekende belangenorganisatie en geen algemene werking heeft.

Tot slot verduidelijkt de Hoge Raad in zijn arrest van 10 oktober 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1534) de mogelijkheid tot voeging in een collectieve actie. Hoewel belangen­organisaties doorgaans als eiser optreden in collectieve acties, kunnen zij zich ook aan de zijde van de gedaagde voegen wanneer zij tegengestelde collectieve belangen vertegen­woordigen. Veel massaclaims raken immers aan maat­schappelijke thema’s waar collectieve belangen met elkaar botsen. Een partij die zich als belangenorganisatie aan de zijde van de oorspronkelijke gedaagde wil voegen, hoeft niet aan alle eisen van artikel 3:305a BW te voldoen. Wel kleurt artikel 3:305a BW het vereiste belang bij voeging in de zin van artikel 217 Rv. De Hoge Raad benadrukt dat voeging aan de zijde van de eiser in een collectieve actie niet mogelijk is, omdat dit niet past binnen het stelsel van de artikelen 1018d en 1018e Rv, die strikte eisen stellen aan de vraag wie en wanneer zich bij een collectieve actie kan aansluiten. Zie in gelijke zin recht­bank Den Haag van 19 februari 2025 (ECLI:​NL:​RBDHA:​2025:2062), waarin werd benadrukt dat de WAMCA uitgaat van één collectieve belangen­behartiger die optreedt namens een grote groep gedupeerden, zodat er geen ruimte is voor individuele eisers naast deze organisatie.

Het gelijk­soortig­heids­vereiste

In de mededingingsrechtelijke kwestie tegen Apple heeft de Hoge Raad op 14 maart 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:388) in sprongcassatie voor het eerst de gelijk­soortig­heids­vereisten van artikel 1018d lid 1 Rv kunnen duiden.noot 32 De Hoge Raad overweegt dat ook sprake kan zijn van dezelfde gebeurtenis(sen) en gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen wanneer een collectieve vordering i) tegen deels andere rechtspersonen wordt ingesteld of ii) wordt ingesteld namens een (gedeeltelijk) andere achterban.

In de ‘afstandsmoeders’-zaak ging het om de vraag of de Raad voor de Kinder­bescherming tussen 1956 en 1984 onrecht­matig handelde jegens moeders die hun kind ter adoptie afstonden. Het gerechtshof Den Haag verklaart Bureau Clara Wichmann op 13 maart 2025 (ECLI:​NL:​GHDHA:​2025:353) niet-ontvankelijk in haar vordering omdat niet voldaan is aan het gelijk­soortig­heids­vereiste dat is neergelegd in artikel 3:305a lid 1 BW. Het hof wijst ter onderbouwing naar een reeks mogelijke verschillen tussen de individuele zaken, waarvan niet zomaar kan worden geabstraheerd bij het geven van een juridisch oordeel over de onrecht­matigheid. Opvallend is dat de recht­bank Den Haag in eerste aanleg Bureau Clara Wichmann juist wel ontvankelijk verklaarde en daarbij vooral wees op de overeen­komsten tussen de individuele zaken.

In de collectieve actie tegen de Staat over PFAS oordeelt de recht­bank Den Haag op 12 maart 2025 (ECLI:​NL:​RBDHA:​2025:3488) ook over het gelijk­soortig­heids­vereiste van artikel 3:305a BW. In deze zaak stelden elf natuur- en milieufederaties, dat de Staat (kort gezegd) tekortschiet in het tegengaan van PFAS-verspreiding. De recht­bank Den Haag oordeelt echter dat de vorderingen niet kunnen worden gebundeld, omdat de deelvorderingen zo verschillend zijn dat het niet efficiënt is om ze in één procedure te behandelen. Niet-ontvankelijk dus. Of toch niet? De recht­bank acht het niet doelmatig om alle eisers niet-ontvankelijk te verklaren en gaf eisers in een tussen­vonnis drie opties: i) de vorderingen onverkort handhaven (dan worden alle vorderingen niet-ontvankelijk verklaard), ii) de vorderingen beperken tot de algemeen belangactie waarbij alleen twee partijen ontvankelijk worden verklaard of iii) de vorderingen beperken tot de groepsacties waarbij alleen twee andere partijen ontvankelijk worden verklaard. Met deze pragmatische oplossing wilde de recht­bank onnodige vertraging door volledige niet-ontvankelijkverklaring voorkomen.

De bundelbaarheid van immateriële schadevorderingen

In 2025 is nog altijd onderwerp van discussie of immateriële schade zich, vanwege haar persoonlijke en subjectieve karakter, leent voor bundeling.noot 33 In een zaak tegen Google oordeelt de recht­bank Amsterdam (15 januari 2025, ECLI:​NL:​RBAMS:​2025:313) dat het subjectieve karakter van immateriële schade niet aan de vereiste gelijksoortigheid in de weg staat. Volgens de recht­bank zou een andere opvatting afbreuk doen aan de met de WAMCA geïntroduceerde mogelijkheid om in een collectieve actie schade­vergoeding te vorderen.

Het gerechtshof Amsterdam bevestigt deze lijn in zijn arrest van 7 oktober 2025 (ECLI:​NL:​GHAMS:​2025:2666). In deze zaak tegen verschillende TikTok-entiteiten vorderen drie stichtingen materiële en immateriële schade­vergoeding namens TikTok-gebruikers voor het vermeende onrecht­matig verwerken van persoons­gegevens en het onvoldoende optreden tegen schadelijke inhoud. Het hof vernietigt daarmee het eerdere oordeel van de recht­bank Amsterdam dat een eventuele vordering tot immateriële schade­vergoeding te sterk zou afhangen van de individuele omstandig­heden van gebruikers om bundelbaar te zijn. Volgens het hof vloeit de gestelde immateriële schade per TikTok-entiteit voort uit een gelijke normschending en kan de schade – voor zover toewijsbaar – weliswaar in omvang verschillen, maar leent zij zich voor een indeling in categorieën. Bovendien is het, aldus het hof, efficiënt en in het belang van partijen om de immateriële en materiële schadevorderingen gezamenlijk te behandelen, zodat kan worden volstaan met één procedure. Afgewacht moet worden of de Hoge Raad categorisering van immateriële schade zal toestaan, gelet op zijn eerdere oordeel dat dergelijke schade met concrete gegevens moet worden onderbouwd.noot 34

Dagvaarding

Onduidelijke dagvaarding leidt tot nietigverklaring

Een dagvaarding moet op straffe van nietigheid (artikel 120 Rv) voldoen aan de eisen van artikel 111 lid 2 Rv, waaronder de verplichting de eis en de gronden daarvan te vermelden (artikel 111 lid 2 onder d Rv). De dagvaarding moet op een duidelijke en logische wijze vermelden wat de gedaagde wordt verweten, welke vordering daaruit voortvloeit en welke grondslagen en feiten daaraan ten grondslag worden gelegd. In de zaak die leidde tot recht­bank Den Haag (kantonrechter) van 16 januari 2025 (ECLI:​NL:​RBDHA:​2025:476) vorderde eiser, die in persoon procedeerde, € 25.000 van de Staat en oud-premier Rutte wegens onrecht­matig handelen in de oorlog in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. Hoewel eiser stelde alleen voor zichzelf op te treden, kon het petitum niet anders worden begrepen dan dat hij schade­vergoeding vorderde ‘jegens de gedode Nederlandse mevrouw [naam] en de Palestijnse burgers’. De kantonrechter oordeelt dat de dagvaarding zó onduidelijk is dat niet blijkt wat de Staat c.s. precies wordt verweten, welke vordering wordt ingesteld en op welke gronden. Het verband tussen de aan de Staat c.s. verweten handelingen, de vordering en het gestelde procesbelang van eiser wordt op geen enkele wijze duidelijk. De dagvaarding voldoet daarmee niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid. Nu een voldoende duidelijk en met gronden onderbouwde eis op basis waarvan de Staat c.s. verweer kan voeren ontbreekt, wordt de Staat c.s. onredelijk in zijn belangen geschaad. De kantonrechter verklaart het exploot van de dagvaarding nietig.

Digitalisering

Verdere uitrol (verplicht) digitaal procederen

Ook dit Kroniekjaar zijn er weer nuttige stappen gezet met de verdere uitrol van digitaal procederen. Zo kunnen sinds 2 juni 2025 advocaten in handelszaken bij de recht­bank Den Haag en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stukken indienen in een eenvoudige digitale omgeving. Deze ‘digitale brievenbus’ bevat tevens een overzicht van lopende zaken en het bijbehorende berichtenverkeer. Daarnaast kunnen advocaten sinds 26 mei 2025 bij het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch digitaal procederen in hoger beroep van verzoekschriftzaken.noot 35 En vanaf 1 december 2025 kunnen nu ook burgers zelf in bepaalde zaken waarin zij zonder advocaat procederen digitaal communiceren met de Rechtspraak en op de hoogte blijven van hun zaak.noot 36

De pilots zijn nu nog vrijwillig. Naar inmiddels bestendig gebruik wordt eerst op vrijwillige basis in een bepaalde zaakstroom bij een pilotgerecht digitaal geprocedeerd. Als dat goed gaat, kan vervolgens in de betreffende zaakstroom bij alle gerechten digitaal worden geprocedeerd. En als dat weer goed gaat, wordt voor professionele partijen digitaal procederen in die zaakstroom verplicht. Dat laatste is nu alleen nog het geval bij verzoeken tot het leggen van conservatoir beslag. Na een succesvolle pilot is het sinds 1 januari 2025 verplicht om dergelijke beslagverzoeken digitaal in te dienen.noot 37 In de zaakstroom civiel kort geding loopt nog steeds een (succesvolle) pilot bij alle gerechten.noot 38 In familie- en jeugdzaken kon al sinds 2024 bij een beperkt aantal recht­banken digitaal worden geprocedeerd; sinds 17 maart 2025 is dat bij alle recht­banken mogelijk.noot 39

De voordelen van digitaal procederen zijn evident: geen stukken op papier nasturen aan de griffie, hetgeen bij Veilig Mailen wel moet;noot 40 uitspraken zijn eerder beschikbaar dan per post;noot 41 digitale ontvangst­bevestiging na elk ingediend stuk;noot 42 eenvoudig stukken (documenten) in pdf-formaat en in enkelvoud uploaden en downloadennoot 43 en een kennis­geving per e‑mail als het gerecht iets heeft toegevoegd of gewijzigd in het dossier.noot 44

Anders dan nog wel eens wordt gedacht, vindt bij deze en vergelijkbare digitaliserings­initiatieven de zitting zelf (gewoon) in de rechtszaal plaats. Zie over de mogelijkheid van een – al dan niet gedeeltelijke – digitale zitting ook hiervoor onder ‘Algemene beginselen sub Recht op een mondelinge behandeling’.

Artificial Intelligence (AI)

De praktijk worstelt duidelijk nog met de wijze waarop AI kan worden ingezet. In TCR 2025/​2 wijzen J.M.L. van Duin en R.D. Rietveld er terecht op dat AI-tools, zoals ChatGPT, per definitie ongeschikt zijn voor feitenonderzoek door de rechter, waarbij zij ook verwijzen naar de in de Kroniek van 2024 besproken zaak waarin de rechter ChatGPT had geraadpleegd om de levensduur van zonnepanelen te voorspellen.noot 45 In dit Kroniekjaar zijn er – voor zover wij hebben kunnen nagaan – geen uitspraken gepubliceerd waarin de rechter expliciet overweegt AI te hebben geraadpleegd. Ervan uitgaande dat rechters wel eens internet raadplegen zonder daar in de overwegingen melding van te maken, zal dat zeker ook met AI-tools gebeuren.noot 46 Waarschijnlijk meer in het kader van ‘nice to know than need to know’, maar toch niet zonder risico’s. AI kan immers fors ‘hallucineren’ door het genereren van onjuiste beweringen of het ten onrechte toewijzen van informatie aan bronnen. Advocaten weten daar inmiddels alles van. Dit niet alleen in de hierna genoemde zaken, maar natuurlijk ook in andere niet-civiele zaken.noot 47

Zo had de advocaat van gedaagde in recht­bank Rotterdam 27 augustus 2025 (ECLI:​NL:​RBROT:​2025:10388) in haar conclusie van antwoord verwezen naar uitspraken van de Hoge Raad ten aanzien van het handelsnaamrecht, met vermelding van een ECLI-nummer. De rechter constateerde dat geen enkele van de aangehaalde arresten betrekking bleek te hebben op het handelsnaamrecht. Verder hoorden sommige ECLI-nummers bij straf­rechtelijke uitspraken, terwijl andere in het geheel niet bestaan. Desgevraagd heeft de advocaat ter zitting verklaard dat dit alles is veroorzaakt door een probleem bij het converteren van een Word-bestand naar pdf. De rechter overweegt in genoemd vonnis dat deze verklaring vragen oproept, maar hij laat in het midden of artikel 21 Rv hiermee is geschonden. Dit omdat gedaagde per saldo geen voordeel heeft gehad van de onjuiste voorstelling van zaken in de conclusie van antwoord.

In recht­bank Noord-Nederland 19 november 2025 (ECLI:​NL:​RBNNE:​2025:4814) vermoedt de rechter dat eiser vindplaatsen via ChatGPT of een vergelijkbare zoekmachine heeft gevonden en dat deze zonder controle in de proces­stukken zijn overgenomen. Dit vermoeden zal zeker een rol hebben gespeeld bij de afwijzing van de – mede op die uitspraken gegronde – primaire vordering.

In recht­bank Limburg 31 juli 2025 (ECLI:​NL:​RBLIM:​2025:7693) laat een gewraakte rechter van meer taalkundige bezwaren blijken. In zijn schriftelijke reactie op het wrakings­verzoek merkt hij op dat in het verzoek tot wraking taal- en alineagebruik en verwijzingen voorkomen die hij vaker in ChatGPT tegenkomt. Deze rechter wordt overigens wel gewraakt.

In recht­bank Oost-Brabant 24 december 2025 (ECLI:​NL:​RBOBR:​2025:8495) weegt de kantonrechter bij de veroordeling van eisers in de reële proces­kosten wegens misbruik van proces­recht zelfs uitdrukkelijk mee dat deze naar eigen zeggen AI had gebruikt en, belangrijker, dat hun proces­stukken verschillende onbegrijpelijke verwijzingen naar wetsartikelen en juridische onjuistheden bevatten, kort gezegd met meer kosten van verweer als gevolg. De kantonrechter rekent het eisers aan dat zij kennelijk de juistheid van hun stukken niet geverifieerd hebben of door een raadsman hebben laten controleren.

Het aanvoeren van niet-bestaande vindplaatsen is overigens geen typisch AI-gerelateerd probleem, maar deed zich natuurlijk ook al veel eerder voor. Zo werd het in proces­stukken vermelden van verkeerde verwijzingen in een uit 2011 daterend onderzoeks­rapport van de Raad voor de rechtspraak al gezien als zogenoemd ‘procesverstorend gedrag’ van advocaten.noot 48 En in een oude zaak uit 2013 hekelde A-G Spier al het kennelijk vaak voorkomende advocatengedrag om te verwijzen naar vindplaatsen waar niets te vinden is.noot 49 Ook advocaten zelf willen dus nog weleens ‘hallucineren’. Het effect is trouwens vergelijkbaar als advocaten klakkeloos een bepaalde passage uit een kantoormodel of oude zaak overnemen zonder zich ervan te vergewissen of de verwijzing juist is en of de passage op de zaak ziet. Dat is kennelijk ook de ervaring van de Rotterdamse (senior) voorzieningen­rechter P. de Bruin die weleens aan advocaten voorlegt waarom tot niet-ontvankelijkverklaring wordt geconcludeerd (zie haar – lezenswaardige – artikel over het voeren van verweer in kort geding in TCR 2025/​3-4). Soms zijn advocaten volgens haar dan zo eerlijk om te zeggen dat de conclusie tot niet-ontvankelijkheid in een gebruikt model stond, waarna in veel gevallen intrekking van het verweer volgt.

Executie

Dreigen met executie

Is er sprake van het onrecht­matig dreigen met executie als het vonnis ter inleiding van executie aan de weder­partij is betekend? In beginsel handelt een partij onrecht­matig wanneer zij door de betekening van een uitvoerbaar bij voorraad vonnis de weder­partij dwingt tot nakoming voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en het vonnis vervolgens in hoger beroep wordt vernietigd.noot 50 In de zaak die leidde tot het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 maart 2025 (ECLI:​NL:​GHARL:​2025:1408) oordeelt het hof echter dat gelet op de bijzondere omstandig­heden in deze zaak geen sprake is van onrecht­matige dreiging met executie. Bij kortgedingvonnis werd het zorgverzekeraar Menzis verboden voorkeursbeleid te voeren ten aanzien van vitamine D. Goodlife heeft het kortgedingvonnis aan Menzis doen betekenen en naleving daarvan geëist. Na hoger beroep, cassatie en verwijzing is het kortgedingvonnis vernietigd en zijn de vorderingen van Goodlife alsnog afgewezen. Menzis vorderde schade­vergoeding omdat zij volgens haar door de onrecht­matige dreiging met executie van 2019 tot en met 2022 geen voorkeursbeleid kon voeren.

Het hof wijst de vordering af omdat het verbod niet met een dwangsom is versterkt en Goodlife geen enkel dwangmiddel ter beschikking stond om naleving af te dwingen. Betekening was alleen nodig voor duidelijkheid over de termijn voor nakoming. Goodlife vermeldde dit ook uitdrukkelijk als reden voor de betekening. Het was aan Menzis om te bepalen of zij het vonnis zou naleven. Menzis heeft er vrijwillig voor gekozen het vonnis na te leven op basis van een eigen afweging van risico’s, zodat van onrecht­matige dreiging met executie geen sprake was.

In zijn noot onder dit arrest in JBPr 2025/​39 kan G.J.P. Molkenboer de redenering van het hof niet volgen. Ook als er geen mogelijkheid is om de nakoming – al dan niet met een dwangsom – af te dwingen, kan het dreigen met executie onrecht­matig zijn. Daarbij is (ook) van belang hetgeen zich tussen procespartijen in de aanloop naar de nakoming heeft afgespeeld en niet uitsluitend het – in de woorden van Molkenboer – tamelijk willekeurige gegeven of betekening al dan niet heeft plaatsgevonden. Dit geldt ook voor nakoming zonder dwangmiddel.

Derdengeldenrekening als zekerheid voor schorsing executie

In een geschil over de verkoop van inventaris uit een faillissement veroordeelde de kantonrechter gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot schade­vergoeding. Vervolgens rees in een schorsingsincident (artikel 351 Rv) bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (4 maart 2025, ECLI:​NL:​GHARL:​2025:1224) de vraag of schorsing van de tenuitvoerlegging kon worden toegewezen onder de voorwaarde van zekerheidstelling door storting op de derden­gelden­rekening van de eigen advocaat van gedaagde. Omdat de kantonrechter geen gemotiveerde beslissing had gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, beoordeelde het hof de vordering aan de hand van een belangen­afweging zoals volgt uit het in 2019 gewezen arrest Hotel-restaurant De Zeester.noot 51 In het kader van die belangen­afweging oordeelde het hof dat zekerheidstelling door storting op de derdenrekening van de advocaat als voldoende kwalificeert voor schorsing van de tenuitvoerlegging, mits duidelijkheid bestaat dat het geld niet op eerste verzoek wordt teruggestort. Het hof geeft als voorbeeld dat zou volstaan dat de advocaat met partijen een depotovereen­komst sluit of zich anderszins verbindt het gestorte bedrag onder zich te houden totdat een eindarrest is gewezen.

De criteria uit het Hotel-restaurant De Zeester-arrest hebben niet alleen betrekking op schorsingsincidenten, maar ook op incidenten tot zekerheidstelling. Beide incidenten kunnen ook worden gecombineerd. In de praktijk wordt regelmatig primair schorsing van de tenuitvoerlegging gevorderd en subsidiair tenuitvoerlegging onder het stellen van zekerheid. Hoewel het toetsingskader voor beide incidenten gelijk is, hoeft dat niet te gelden voor de invulling en uitwerking ervan. Dit kan ertoe leiden dat de lat voor schorsing niet wordt gehaald, maar die voor zekerheidstelling wel, aldus E.R. van der Velde in TvPP 2025/​2. De onderhavige uitspraak illustreert dat zekerheidstelling ook een rol kan spelen bij de belangen­afweging ten aanzien van de schorsing zelf.

Experiment regelrechter

Op 1 maart 2025 is het Tijdelijk besluit experiment regelrechter in werking getreden (Stb. 2025/​13 en 14).noot 52 Het experiment geldt alleen bij de recht­banken Den Haag, Rotterdam, Overijssel en Zeeland-West-Brabant, met Noord-Holland als referentierecht­bank.noot 53 In zaken met een beloop van ten hoogste € 5.000 of zaken met vorderingen (ongeacht de hoogte) van een werk­nemer uit hoofde van een arbeids­overeen­komst, kan eiser gebruikmaken van deze procedure. Deze keuze is voor gedaagde dwingend.noot 54 Het doel van dit experiment is om te bezien of toepassing van deze procedure ertoe leidt dat in genoemde zaken: a) de drempel om een zaak aanhangig te maken of verweer te voeren wordt verlaagd, b) de procedure tot beëindiging van het geschil eenvoudiger, sneller en effectiever kan worden doorlopen of c) een geschil vaker op minnelijke wijze kan worden opgelost.

De procedure wijkt op een aantal punten af van de gewone procedure.noot 55 Daartoe zijn enkele bepalingen in het Rv geschrapt en gewijzigd, maar voor het overige gehandhaafd. Dat maakt volgens M. Ahsmann de regeling tot een doolhof en door de vermenging van rollen wordt volgens haar de positie van de rechter diffuus. Zie ook haar bijdrage ‘Betere toegang tot het recht met de regelrechter; Wenkend perspectief of zeepbel?’ in NJB 2025/​582.

Meest in het oog springend is dat zowel het aanhangig maken van de zaak als het voeren van verweer met een formulier gebeurt dat (ook) digitaal kan worden ingediend.noot 56 Verder is opvallend dat direct na het in behandeling nemen van de zaak een mondelinge behandeling wordt bepaald waarvoor de griffie partijen – indien mogelijk– digitaal oproept, maar in ieder geval ook per gewone post en gedaagde met een aangetekende brief.noot 57

J. Nijenhuis komt in zijn analyse in TvPP 2025/​3 tot de conclusie dat dit een juridisch innovatief experiment is met duidelijke sociale ambities, maar tegelijk fundamentele onzekerheden of zelfs onevenwichtigheden kent op het gebied van rechts­bescherming, rolverdeling en uitvoerbaarheid. De evaluatie zal volgens hem moeten uitwijzen of deze balans tussen toegankelijkheid en juridische waarborgen houdbaar is. Tot die tijd blijft volgens Nijenhuis de vraag gerecht­vaardigd of eenvoud hier niet ten koste gaat van rechtszekerheid. R.C. Hartendorp is in TCR 2025/​1 en BER 2025/​20 positiever gestemd. Volgens hem bevat de procedure voldoende waarborgen om de afwijking van de oproepingsregels te kunnen rechtvaardigen. Wel vraagt hij zich in laatstgenoemd artikel af of bij het ontbreken van een serieuze versnelling niet voor een ‘gewone’ wetswijziging gekozen had moeten worden.

Gezag van gewijsde

Nieuwe omstandig­heden na uitspraak

Hoe moet de rechter omgaan met omstandig­heden die zijn opgekomen nadat in een andere procedure reeds over deze rechtsbetrekking in geschil is beslist en deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan? In HR 25 april 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:667) brengt de Hoge Raad vooropgesteld in herinnering dat de vraag of de eerdere uitspraak de rechtsbetrekking in geschil betreft, uitleg behoeft.noot 58 Daarbij wijst hij erop dat als een vordering is afgewezen omdat de voor de vordering aangevoerde grondslag niet is komen vast te staan of dat deze grondslag de vordering niet kan dragen, de beslissing tot dit ontbreken c.q. niet toereikend zijn van de grondslag gezag van gewijsde heeft (artikel 236 Rv) en aldus bindende kracht tussen dezelfde partijen.noot 59 Dit is echter anders indien relevante omstandig­heden zijn gewijzigd nadat de uitspraak in het eerste geding in kracht van gewijsde is gegaan.noot 60 In dat licht had het hof terecht het beroep op gezag van gewijsde gepasseerd.

Hoger beroep

Incidenteel appel

De keuze van geïntimeerde om in eerste aanleg gevoerde verweren in de vorm van een voorwaardelijk incidenteel appel onder de aandacht van het hof te brengen, kan er volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet toe leiden dat verwerping van die verweren – en dientengevolge de verwerping van het incidentele appel – deze partij op een kostenveroordeling komt te staan.noot 61 Het gaat dan immers om punten die het hof hoe dan ook moest onderzoeken in verband met de devolutieve werking van het appel. In dit Kroniekjaar wordt dit nog eens bevestigd in HR 31 oktober 2025, ECLI:​NL:​HR:​2025:1631 (zie voor de beslagrechtelijke aspecten van deze uitspraak ook hiervoor onder ‘Beslag sub Tweemaal hetzelfde bewijsbeslag niet onrecht­matig’). En in zijn arrest van 23 mei 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:801) laat de Hoge Raad er geen twijfel over bestaan dat deze regel ook geldt als geïntimeerde in eerste aanleg eiser was.noot 62

Is een (inschrijvings)herstelexploot mogelijk na een eerdere intrekking?

De aanhangigheid van het geding vervalt indien het exploot van dagvaarding niet tijdig ter griffie is ingediend, tenzij binnen twee weken na de in de dagvaarding vermelde roldatum een geldig (inschrijvings)herstelexploot is uitgebracht (artikel 125 lid 5 Rv; in hoger beroep in verbinding met artikel 353 Rv). In de zaak die leidde tot HR 21 februari 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:318) was de appeldagvaarding wel tijdig door appellant ingediend maar een dag later door hem weer ingetrokken met een H4-formulier (‘Verzoek intrekken nieuwe zaak voor eerstdienende dag’). Dit met de kennelijke bedoeling om – met behoud van de tijdig uitgebrachte appeldagvaarding – door middel van een (inschrijvings)herstel­exploot een latere verschijningsdatum te bewerkstelligen.noot 63 In de praktijk wordt de appeldagvaarding nog weleens niet tijdig ingediend om zo alsnog een verder gelegen roldatum te kunnen kiezen dan in de uitgebrachte appeldagvaarding is vermeld.noot 64 Het niet tijdig indienen behoeft immers niet te berusten op een verzuim.noot 65 In deze zaak maakt de Hoge Raad duidelijk dat dit niet kan als de appeldagvaarding aanvankelijk wel was ingeschreven maar kort daarna weer wordt ingetrokken. Oppassen dus.

Tweeconclusieregel

In hoger beroep geldt de tweeconclusieregel: er worden slechts twee memories genomen, dus zonder repliek en dupliek, zoals die in eerste aanleg wettelijk mogelijk zijn (artikel 132 Rv). Deze regel beoogt het debat in hoger beroep te beperken en brengt mee dat de geïntimeerde bij het inrichten van zijn verweer in beginsel ervan mag uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appel door de memorie van grieven is vastgelegd en er geen rekening mee hoeft te houden dat zijn verweer tot nieuwe grieven aanleiding kan geven. Daaruit volgt dat alle stellingen in de memorie van grieven of de memorie van antwoord moeten worden aangevoerd en dat de hogerberoepsrechter in beginsel niet behoort te letten op later aangevoerde nieuwe standpunten.noot 66 Ook in verzoekschriftzaken moeten alle grieven en standpunten in beginsel in het eerste processtuk en dus in het beroepschrift of verweerschrift worden aangevoerd.noot 67

Op deze zogenoemde ‘in beginsel strakke regelnoot 68 heeft de Hoge Raad onder meer als uitzondering aanvaard dat de aard van het geschil het later aanvoeren van stellingen kan rechtvaardigen.noot 69 Hierbij kan gedacht worden aan alimentatie- en omgangsgeschillen.noot 70 Evenals bij dergelijke geschillen gaat de Hoge Raad er in zijn arrest van 16 mei 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:764) vanuit dat bij de beslissing op een verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen of een verzoek tot het geven van een bevel om terug te verhuizen (artikel 1:253a BW), de rechter in hoger beroep ook rekening mag – en in beginsel zelfs moet – houden met latere nieuwe standpunten.

Ook in HR 11 april 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:561) staat de ‘in beginsel strakke regel’ centraal. Hier had het hof een beroep op rechtsverwerking dat pas ter zitting was gedaan in zijn oordeel betrokken, omdat het in het verlengde lag van de grieven. Dat mag natuurlijk.noot 71 Toch sneuvelt het arrest van het hof, maar dan op een andere grond. De rechter in hoger beroep die een geschilpunt in de beslissing betrekt dat in het verlengde ligt van de reeds aangevoerde grieven dient, alvorens op dat geschilpunt te beslissen, zich ervan te vergewissen dat de weder­partij zich over dat geschilpunt voldoende heeft kunnen uitlaten. Zo nodig dient daartoe alsnog gelegenheid te worden geboden. Dat was hier allemaal niet gebeurd.

Verwijzen naar eerste aanleg bij onderbouwing grief

Naar vaste rechtspraak dient aan een grief de eis te worden gesteld dat voor de weder­partij en de rechter voldoende kenbaar wordt gemaakt tegen welke oordelen van de eerste rechter de grief zich richt en wat de gronden daarvoor zijn.noot 72 Als daarbij alleen wordt verwezen naar hetgeen in eerste aanleg is gesteld, dan hangt het af van de omstandig­heden van het geval of aan deze eis is voldaan.noot 73 In de zaak die leidde tot HR 12 december 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1899) hadden appellanten in hun grief volstaan met een verwijzing naar wat zij bij de recht­bank hadden aangevoerd over de toepasselijkheid van een bepaling uit Boek 2 Burgerlijk Wetboek en het hof verzocht om een herbeoordeling. Het hof vond dit onvoldoende duidelijk en ging aan de grief voorbij als onvoldoende gepreciseerd en gemotiveerd. De HR ziet dit anders: de stukken van het geding lieten geen andere conclusie toe dan dat appellanten voor de weder­partij en de rechter voldoende kenbaar hadden gemaakt tegen welk oordeel hun grief zich richtte en op welke gronden. Uit de gedingstukken in eerste aanleg bleek duidelijk welke rechtsvraag in het geding was. A-G Vlas hecht er in zijn conclusie (ECLI:​NL:​PHR:​2025:723) voor dit arrest ook nog aan dat de weder­partij niet had aangegeven dat het voor hem niet kenbaar was waartegen hij zich had te verweren en op zijn beurt voor de weerlegging van bedoelde grief had verwezen naar zijn stellingen in eerste aanleg. Een casuïstisch leerstuk dus waarvan het goed is als advocaten hier attent op zijn.

Incidenten

Partijvoeging en laatste conclusie

Een vordering tot partijvoeging en/​of tussenkomst wordt ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen (artikel 218 Rv). Dit betekent niet dat de incidentele vordering tot voeging en/​of tussenkomst na de laatste conclusie nog kan worden ingesteld als de rechter nog geen datum voor vonnis heeft bepaald.noot 74 Dit lijkt op het eerste gezicht eenduidig, maar toch ontstaat in de praktijk soms verwarring over de vraag wat wordt bedoeld met de ‘laatste conclusie’ en in welke gevallen de gelegenheid om een dergelijke vordering in te stellen al dan niet herleeft. Dat deed zich ook voor in de zaak die leidde tot gerechtshof Den Haag van 13 mei 2025 (ECLI:​NL:​GHDHA:​2025:1049). Hier had de rechter in eerste aanleg een incidentele vordering tot partijvoeging afgewezen op de grond dat deze na de conclusie van antwoord was ingediend en daarmee dus te laat. Dit probeert appellant in hoger beroep te repareren met het betoog dat de conclusie van antwoord die in eerste aanleg was ingediend niet per definitie kon worden beschouwd als de laatste conclusie in de procedure. Volgens appellant is voeging zelfs in hoger beroep nog mogelijk. Het hof gaat hier niet in mee. In een dagvaardingsprocedure geldt de conclusie van antwoord in beginsel als de laatste conclusie, tenzij de rechter bij tussen­vonnis expliciet gelegenheid geeft tot het indienen van nadere conclusies, aldus het hof. Daar is in dit geval geen sprake van.

Internationale bevoegdheid

Forumkeuzebeding onder Brussel I bis Vo

Ook in internationale zaken geldt als uitgangspunt dat de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd is.noot 75 Partijen kunnen daarvan afwijken door in een overeen­komst een forumkeuzebeding op te nemen, waarbij zij een gerecht van een andere staat aanwijzen als bevoegde rechter in het geval er geschillen tussen hen ontstaan. Onder Brussel I bis Vo moet een dergelijk beding voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 25 van deze verordening. In de praktijk komt nog weleens een zogenoemd asymmetrisch forumkeuzebeding voor. De ene partij kan dan elke bevoegde rechter kiezen, terwijl de andere partij zich slechts tot de forumkeuzerechter kan wenden. HvJ EU 27 februari 2025 (ECLI:​EU:​C:​2025:120) leert daarover het volgende: als in een dergelijk beding wordt verwezen naar de gerechten van een derde staat (geen EU of staat die partij is bij het EVEX II-verdrag) dan voldoet het beding niet aan genoemde bepaling voor zover het naar die derdelandgerechten verwijst. Verder volgt uit dit arrest ook dat een dergelijk beding nauwkeurig de objectieve elementen moet bevatten om de aangezochte rechter in staat te stellen te bepalen of hij bevoegd is, zoals onder meer de aanduiding van het gerecht of de gerechten, de soort geschillen die onder het beding vallen en de rechtsbetrekking waarop het beding betrekking heeft.

Ankergedaagde onder Brussel I bis Vo

Een ander voorbeeld van het afwijken van de hiervoor genoemde hoofdregel van de woonplaats van de gedaagde is de zogenoemde ankergedaagderegeling. Brussel I bis Vo faciliteert dat in artikel 8 daarvan.noot 76 Op grond van deze bepaling kan een (rechts)persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, indien er meer dan één gedaagde is, ook worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van één van de andere gedaagden (de ankergedaagde). Daarvoor schrijft genoemde bepaling wel voor dat er tussen de vorderingen op deze partijen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting. In HvJ EU 13 februari 2025 (ECLI:​EU:​C:​2025:85) worden hierover prejudiciële vragen beantwoord in een mededingingsrechtelijk geschil. Een Griekse bierbrouwer had de Nederlandse moedervennootschap (Heineken) en haar Griekse dochteronder­neming samen aansprakelijk gesteld voor kartelschade. Volgens het Europese hof verzet artikel 8 Brussel I bis Vo zich er niet tegen dat de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap zich bij het vaststellen van genoemde nauwe band baseert op het volgende vermoeden: wanneer een moedervennootschap direct of indirect (nagenoeg) het gehele kapitaal van een dochteronder­neming in handen heeft, oefent zij op die onder­neming beslissende invloed uit. Wel moet de gedaagde de mogelijkheid krijgen dit vermoeden in de bevoegdheidsfase te weerleggen.

Toetreden Verenigd Koninkrijk tot Haags Vonnissenverdrag 2019

Sinds de zogenoemde Brexit zijn de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in en van het Verenigd Koninkrijk bemoeilijkt doordat de Brussel I bis Vo niet langer van toepassing is. Noemenswaardig is daarom dat het Verenigd Koninkrijk sinds 1 juli 2025 is toegetreden tot het Haags Vonnissenverdrag 2019,noot 77 zoals voor Nederland als lidstaat van de EU al in werking was getreden op 1 september 2023. Het verdrag biedt een minimum­norm voor de erkenning en tenuitvoerlegging van civiele en handelsvonnissen tussen verdragsluitende staten, waarbij de erkenning of de tenuitvoerlegging uitsluitend kan worden geweigerd op de in het Verdrag vermelde gronden. Anders dan voor de Brussel I bis Vo, is voor tenuitvoerlegging wel een exequatur vereist (artikel 12 en 13 verdrag en artikel 985 Rv).

Inzagerecht

Zoals hiervoor onder ‘Bewijs’ toegelicht, werd het herziene bewijsrecht op 1 januari 2025 van kracht. Daarbij is artikel 843a Rv (oud) vervangen door enerzijds artikel 194 Rv (het inzagerecht), waarbij de wetgever gegevensverstrekking buiten rechte heeft willen aanmoedigen door dit materiële recht afzonderlijk op te nemen,noot 78 en anderzijds de verschillende artikelen om inzage te vorderen in een lopende procedure (artikel 195 Rv tegen de weder­partij en artikel 195a Rv tegen een derde), dan wel voorafgaand een voorlopige bewijsverrichting te verzoeken (artikel 196 e.v. Rv), al dan niet bij spoed­eisendheid in kort geding (zie artikel 197 lid 1 Rv). De hiervoor bij ‘Bewijs’ besproken ontwikkelingen voor voorlopige bewijsverrichtingen kunnen daarom ook voor inzageverzoeken relevant zijn.

Voldoende belang als drempelverlaging?

In hoeverre de inhoudelijke toets voor het bestaan van een inzagerecht is gewijzigd ten opzichte van artikel 843a Rv (oud) is dit jaar helaas onvoldoende duidelijk geworden. Zo wezen wij in de vorige Kroniek al op de twijfel of de wetswijziging van ‘rechtmatig belang’ naar ‘voldoende belang’ een drempelverlaging behelst. Daarover lijkt in de rechtspraak nog wisselend te worden geoordeeld, zie bijvoorbeeld ogenschijnlijk bevestigend voorzieningen­rechter recht­bank Zeeland-West-Brabant 7 mei 2025 (ECLI:​NL:​RBZWB:​2025:3337), maar ook afwijzingen van inzagevorderingen waaruit geen materieel lagere toets lijkt te zijn toegepast dan onder oud recht (bijvoorbeeld recht­bank Oost-Brabant 17 september 2025, ECLI:​NL:​RBOBR:​2025:5843 en recht­bank Den Haag 3 juni 2025, ECLI:​NL:​RBDHA:​2025:9696).

Rechtsbetrekking voldoende aannemelijk?

Dezelfde onduidelijkheid geldt voor het vereiste onder artikel 843a Rv (oud) dat de rechtsbetrekking voldoende aannemelijk moest zijn, zoals door de Hoge Raad duidelijk uiteengezet in het genuanceerde Semtex-arrestnoot 79 waar veelal zowel eiser als gedaagde zich beiden op beriepen. De minister merkte naar aanleiding van consultatiereacties op dat de verzoekende partij niet eerst voldoende aannemelijk hoeft te maken dat zij een vorderingsrecht heeft, zoals bij IE-zaken onder artikel 1019a Rv is vereist, nu de inzet van de inzageprocedure kan bestaan in de vraag of de rechtsbetrekking al dan niet bestaat.noot 80 Conform die toelichting wees A-G De Bock hier in haar conclusie van 3 oktober 2025 (ECLI:​NL:​PHR:​2025:1073, onder r.o. 4.17) eveneens op. Niettemin vragen wij ons af of de minister in zijn toelichting niet te gemakkelijk over het hiervoor genoemde Semtex-arrest is heengestapt, nu het fishing expeditions in de hand kan werken als geen aannemelijkheidsvereiste meer zou bestaan, vooral als de door verzoeker aangevoerde rechtsbetrekking een vermeende onrecht­matige daad is. De praktijk moet dit leren, waarbij vooralsnog opvalt dat rechters onverminderd aan het vereiste vast lijken te houden, zie bijvoorbeeld de afwijzingen wegens onvoldoende aannemelijkheid in voorzieningen­rechter recht­bank Noord-Holland 10 oktober 2025 (ECLI:​NL:​RBNHO:​2025:11644) en voorzieningen­rechter recht­bank Gelderland 19 november 2025 (ECLI:​NL:​RBGEL:​2025:9902).

Kort geding

Freezing order voorafgaand aan de mondelinge behandeling

Het enkele feit dat een kort geding is aangevraagd of daarvoor al een datum is bepaald, leidt er niet zonder meer toe dat gedaagde zich van de gewraakte handeling zou moeten onthouden.noot 81 Wanneer gedaagde niet wil toezeggen het kort geding af te wachten of anderszins direct handelen geboden is, kan voorafgaand aan de zitting een voorlopige voorziening worden gevorderd die geldt tot de mondelinge behandeling of het eindvonnis.noot 82 Uitgangspunt daarbij is dat de gedaagde zich daarover wel moet kunnen uitlaten.noot 83 Soms ziet de rechter daar toch vanaf. Dat is goed verdedigbaar als de aan de gevraagde freezing order ten grondslag gelegde feiten en de spoedeisendheid van de verzochte voorziening tot het niet-horen noodzaken.noot 84

Het is de vraag of dat ook het geval was in voorzieningen­rechter recht­bank Noord-Nederland 30 januari 2025 (ECLI:​NL:​RBNNE:​2025:599). Hier had de gedaagde kennelijk een groot (ontwikkelaars)belang bij de kap van een beukenhaag en eiseres vreesde dat gedaagde voorafgaand aan de zitting in kort geding gebruik zou maken van een eerder verkregen vergunning om de beukenhaag te kappen. De rechter acht een ex parte voorziening gerecht­vaardigd omdat deze anders – in haar woorden – te gemakkelijk kan worden ontlopen en verbiedt het kappen van de haag totdat bij eindvonnis hierover anders is beslist dan wel de zaak alsnog wordt ingetrokken of anderszins is geëindigd. Dit op verbeurte van een dwangsom van € 50.000. In zijn noot onder deze uitspraak in JBPr 2025/​31 vraagt Schotel zich terecht af of hier een voldoende zwaar­wegende recht­vaardiging bestaat voor een inbreuk op het fundamentele recht om gehoord te worden. Volgens hem is het enkele feit dat een vergunning ongeveer anderhalve maand eerder is verkregen in ieder geval onvoldoende om aan te nemen dat er een acuut risico bestaat dat de gedaagde direct tot actie zal overgaan als hij wordt gehoord.

Zie ook voorzieningen­rechter recht­bank Rotterdam 3 maart 2025 (ECLI:​NL:​RBROT:​2025:5686) waarin de rechter juist een ex parte voorziening voorafgaand aan de zitting afwijst, die strekte tot het voorkomen van een verdere overdracht van aandelen. Daarvoor zag de rechter onvoldoende concrete aanwijzingen. Hij heeft daarbij ook meegewogen dat eisers pas twee maanden later reageerden op vragen van de rechter over de gevraagde ex parte maat­regelen.

Omvang proces­stukken

Sinds 1 juli 2025 geldt een nieuw landelijk proces­reglement voor civiele zaken in eerste aanleg waarin de eerdere reglementen voor kanton- en handelszaken zijn samengevoegd.noot 85 In verzoekschriftzaken geldt sinds 1 januari 2025 een samengevoegd reglement in kanton- en handelszaken. In kort geding is dat al sinds 1 januari 2024 het geval (zie ook de Kroniek van 2023). Deze samengevoegde reglementen bevatten grotendeels dezelfde of vergelijkbare bepalingen, waarin sinds 1 juli 2025 regels over de omvang van proces­stukken zijn geïntroduceerd.noot 86 In hoger beroep gelden natuurlijk al sinds 2021 dergelijke regels.noot 87 Bij de hoven is destijds gekozen voor het voorschrijven van een maximumaantal pagina’s met de mogelijkheid om op voorhand toestemming voor een langer stuk te vragen. In eerste aanleg geldt nu een andere – voor gemachtigden en advocaten – minder duidelijke regeling: de omvang van een processtuk exclusief producties (bewijsstukken) moet in overeenstemming zijn met de aard, de complexiteit en het belang van de zaak. Als een processtuk onnodig lang is, kan de rechter een bevel geven om het processtuk te vervangen. Een processtuk van meer dan tien pagina’s moet beginnen met een samenvatting en deze moet tussenkopjes bevatten. Bij een processtuk van meer dan 25 pagina’s moet kort worden toegelicht waarom die omvang nood­zakelijk is. Een vervangend processtuk moet de vermelding ‘VERVANGEND PROCESSTUK’ bevatten alsmede de datum van indiening en de datum van het oorspronkelijke processtuk. Als datum van indiening blijft gelden de datum waarop het oorspronkelijke processtuk is ingediend. Verder zijn er voorschriften voor het lettertype, de marges en de regelafstand.

De nieuwe regels gelden zowel in nieuwe als lopende zaken.noot 88 Als een dagvaarding in een lopende zaak niet aan de hiervoor genoemde vereisten mocht voldoen, lijkt het uitbrengen van een herstelexploot niet aangewezen. Een eenmaal uitgebrachte dagvaarding kan immers alleen met een herstelexploot worden vervangen als deze een (wettelijk) gebrek bevat dat nietigheid meebrengt of als de dagvaarding niet tijdig is ingeschreven (artikel120 lid 2 jo. artikel 66 lid 2 Rv respectievelijk artikel 125 lid 5 Rv).

Zie voor de regels over de omvang van proces­stukken in rechtsvergelijkend perspectief ook de bijdrage van T. van Osch in NJB 2025/​923, waarin hij – op basis van een internationale inventarisatie – ingaat op de vraag ‘Wat kunnen wij nog leren?’. Zijn belang­rijkste aanbeveling: maak een rechterlijke stage of een cursus ‘Vonnis schrijven’ – onder het motto ‘Think as a Judge’ – een vast onderdeel van het curriculum van de Beroepsopleiding Advocatuur.noot 89

Proceskosten

Oneerlijk proces­kostenbeding: alsnog kostenveroordeling?

In HR 23 mei 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:820) staat een tweetal prejudiciële vragen van de recht­bank Amsterdam (kantonrechter) centraal, waarin de huurder consument en verhuurder een professionele partij was.noot 90 In de huurovereen­komst was een beding opgenomen dat ertoe strekte dat de huurder bij een tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen alle proces­kosten van de weder­partij moest betalen. De Hoge Raad oordeelt dat een dergelijk beding in beginsel oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/​13/​EEG (Richtlijn oneerlijke bedingen) en daarmee vernietigbaar. Een dergelijk beding tast de positie van de consument aan doordat het de begrenzing wegneemt die besloten ligt in het wettelijk stelsel van de proces­kosten­veroordeling (liquidatietarief). De Hoge Raad wijst erop dat een veroordeling in de werkelijke proces­kosten slechts kan plaatsvinden in buitengewone omstandig­heden, zoals misbruik van proces­recht of onrecht­matig handelen. Toch kleurt de Hoge Raad het beding – in lijn met de conclusie van plv. P-G Wissinknoot 91 – niet zwart, maar (in de bewoording van C.M.D.S. Pavillon) (donker)grijs, waarbij een dergelijk proces­kostenbeding in ‘bijzondere gevallen’ wel toegestaan kan zijn. Pavillon is in haar noot onder dit arrest in NJ 2025/​186 kritisch op dit punt, nu het volgens haar moeilijk is in te zien welke bijzondere omstandig­heden een dergelijk beding dan zouden kunnen rechtvaardigen.

De vervolgvraag is of de rechter na vernietiging van een dergelijk beding de huurder alsnog kan veroordelen in de proces­kosten overeen­komstig het nationale proces­recht (artikel 237 Rv), of dat Richtlijn 93/​13 zich hiertegen verzet. Een antwoord op die vraag valt – anders dan plv. P-G Wissink meent en uitgebreid gemotiveerd uiteenzetnoot 92 – volgens de Hoge Raad niet goed af te leiden uit de rechtspraak van de HvJ EU. Daarom stelt de Hoge Raad hierover een prejudiciële vraag aan het HvJ EU bij HR 4 juli 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1081).

Schadestaatprocedure

Verhouding hoofdprocedure en schade­staat­procedure

In de verhouding tussen de hoofdprocedure en de schade­staat­procedure geldt als uitgangspunt dat de rechter in de hoofdprocedure de grondslag voor aansprakelijk­heid vaststelt, waaraan de rechter in de schade­staat­procedure gebonden is. HR 16 mei 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:756) maakt duidelijk dat wanneer een exoneratieclausule niet slechts de omvang van de schade, maar ook de grondslag van de schade­vergoedingsplicht betreft, een aan die clausule ontleend verweer in de hoofdzaak moet worden behandeld. Het hof had in deze zaak geoordeeld dat het beroep op exoneratieclausules in de schade­staat­procedure aan de orde gesteld kon worden. De Hoge Raad casseert en overweegt dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht of deze verweren de grondslag van de vergoedingsverplichting ter discussie stellen en daarom niet thuishoren in de schade­staat­procedure. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat de grondslag voor aansprakelijk­heid bij uitsluiting in de hoofdprocedure dient te worden vastgesteld.noot 93

Voorwaarden voor verwijzing naar de schade­staat­procedure

In zijn arrest van 28 november 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1761) oordeelt de Hoge Raad over de vraag of er voldoende grond was voor verwijzing naar de schade­staat­procedure in een zaak waar twee liftfabrikanten boetes opgelegd hebben gekregen wegens deelname aan een kartel. Een claimstichting die woningcorporaties vertegen­woordigt, meende dat het kartel een prijsopdrijvend effect heeft gehad en vordert schade­vergoeding van de liftfabrikanten, op te maken bij staat. Volgens de Hoge Raad had het hof voor verwijzing naar de schade­staat­procedure terecht voldoende geacht dat tussen een karteldeelnemer en een woningcorporatie – direct of indirect – ten minste één transactie heeft plaats­gevonden tijdens de inbreukperiode. Daarmee staat de grondslag voor aansprakelijk­heid vast en is de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk.

Wraking

Een rechter kan worden gewraakt als er omstandig­heden zijn die zijn onpartijdigheid in twijfel trekken (artikel 36 Rv). Uitgangpunt is dat een rechter als onpartijdig wordt verondersteld, tenzij uitzonderlijke omstandig­heden zwaar­wegende aanwijzingen geven voor (de schijn van) vooringenomenheid (artikel 6 EVRM). Daarbij wordt aangesloten bij de rechtspraak van het EHRM, dat onderscheid maakt tussen subjectieve onpartijdigheid (persoonlijke overtuiging van de rechter) en objectieve onpartijdigheid (feiten en omstandig­heden die de schijn van partijdigheid rechtvaardigen).noot 94

Niet-ontvankelijk in wrakingsverzoek

Een wrakingsverzoek kan alleen worden ingediend tegen rechterlijke beslissingen. In een uitspraak van de recht­bank Den Haag (wrakingskamer) van 11 februari 2025 (ECLI:​NL:​RBDHA:​2025:1810) wraakte de verzoeker de rechter omdat deze weigerde de zaak in te boeken. De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek, aangezien dit een administratieve handeling betreft en geen rechterlijke beslissing. Onder het ‘behandelen van een zaak’ (in de zin van artikel 36 Rv) valt iedere vorm van rechter­lijke betrokkenheid, ongeacht aard of omvang.noot 95 Dit omvat echter geen administratieve handelingen, aldus de wrakingskamer.

Schijn van partijdigheid door geïrriteerd gedrag van de rechter

Het gedrag van een rechter tijdens een zitting kan de schijn van partijdigheid wekken en daarmee aanleiding geven tot toewijzing van een wrakingsverzoek. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de recht­bank Overijssel (wrakingskamer) van 7 februari 2025 (ECLI:​NL:​RBOVE:​2025:704). De betreffende rechter had de mondelinge behandeling geopend met een ‘tirade’ – door de rechter zelf later aangeduid als een ‘kritische bejegening’ – en had daarbij het dossier op zijn bureau gesmeten. Verzoekster voelde zich hierdoor ernstig geschoffeerd en belachelijk gemaakt. Tijdens de zitting gedroeg de rechter zich zichtbaar geïrriteerd. De wrakingskamer oordeelt dat de rechter hiermee niet bijdroeg aan een positief zittingsklimaat en dat, hoewel de rechter niet daadwerkelijk partijdig was, wel sprake was van een objectief gerecht­vaardigde schijn van partijdigheid. De wrakings­kamer wijst het wrakingsverzoek toe.

Schijn van partijdigheid door uitspraak doen ondanks lopend wrakingsverzoek

De schijn van partijdigheid kan ook worden gewekt indien de rechter een wrakings­verzoek negeert. Dit deed zich voor in de zaak die leidde tot recht­bank Noord-Holland (wrakingskamer) van 1 april 2025 (ECLI:​NL:​RBNHO:​2025:3620). Verzoeker had tijdens de mondelinge behandeling de rechter gewraakt omdat hij het gevoel had niet gelijkwaardig te worden behandeld. De rechter wachtte de behandeling van het wrakingsverzoek niet af en deed alsnog mondelinge uitspraak. Hoewel de wrakingskamer geen vooringenomen­heid vóór de schorsing ziet, oordeelt zij dat het negeren van het wrakingsverzoek wél een objectieve bevestiging gaf van de ervaren ongelijk­heid. De wrakingskamer wijst het verzoek toe.

Vrijheid van menings­uiting versus onpartijdigheid rechter

Rechters beschikken in beginsel over het recht op vrijheid van menings­uiting, maar die is in het licht van de vereiste onpartijdigheid niet onbeperkt. Die beperking houdt nauw verband met de invloed die het uiten van een mening kan hebben op het vertrouwen in de rechtspraak. Van rechters wordt verwacht dat zij terug­houdendheid betrachten bij de uitoefening van hun recht op vrijheid van menings­uiting in gevallen waarin het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht in het geding kunnen komen.noot 96 Interessant in dit kader is de uitspraak van de recht­bank Amsterdam (wrakingskamer) van 10 april 2025 (ECLI:​NL:​RBAMS:​2025:2609), waarin de vraag speelde of de Mercedes-Benz Group en haar Nederlandse dochtervennootschap terecht twijfelden aan de onpartijdigheid van de rechter. De betreffende rechter had in een hoofdstuk van een boek over collectieve acties geschreven over regieverzoeken als vertragingstactiek en daarbij tweemaal verwezen naar de zaak van verzoeksters onder het gebruik van de term ‘sjoemelsoftware’. Deze zaak illustreert de spanning tussen de wenselijkheid dat rechters bijdragen aan rechts­ontwikkeling via publicaties en de noodzaak tot terug­houdendheid bij het schrijven over eigen uitspraken of lopende zaken. De wrakingskamer oordeelt dat een rechter behoedzaam en omgevingsbewust moet zijn bij uitlatingen over lopende zaken, maar dat dit niet betekent dat hij in het geheel niets mag zeggen. De term ‘sjoemelsoftware’ is verworden tot een algemene term en de verwijzingen waren slechts illustratief. De wrakingskamer wijst het verzoek af. Oud-raadsheer A. Hammerstein merkt in zijn kritische noot onder deze uitspraak in JBPr 2025/​55 op dat de wrakingskamer miskent dat internationale gedrags­regels (Opinie 25 CCJE) rechters verplichten tot ‘maximum discretion’ bij lopende zaken. Behoedzaamheid is volgens hem geen vrijbrief om over een zaak iets te zeggen; rechters moeten zich onthouden van ieder commentaar dat afbreuk zou kunnen doen aan de rechterlijke onpartijdigheid. De wrakingskamer legt het accent op de oprechte bedoeling van de rechter, maar gaat voorbij aan de gewekte schijn van partijdigheid. Hammerstein wijst er eveneens op dat hij de afgelopen jaren tal van uitspraken heeft gezien waarin wraking gegrond werd verklaard op basis van veel lichtere verwijten.

Wrakingsprocedure is niet bedoeld om voortzetting behandeling af te dwingen

In de zaak die leidde tot een beslissing van de wrakingskamer van de recht­bank Den Haag van 1 mei 2025 (ECLI:​NL:​RBDHA:​2025:7501) wraakte de verzoeker de kortgedingsrechter omdat deze naar zijn oordeel onvoldoende onderzoek deed en hem onvoldoende gelegenheid gaf om te reageren. Tegelijkertijd verzocht hij om voortzetting van de behandeling door dezelfde rechter onder door hem opgestelde voorwaarden. De wrakingskamer wijst dit verzoek af, omdat de wraking uitsluitend wordt gebruikt om de behandeling onder de gewenste voorwaarden af te dwingen. Hiervoor is de wrakingsprocedure niet bedoeld.

De auteurs zijn allen werkzaam bij Van Doorne N.V. in Amsterdam.noot 97 Robert Hendrikse is tevens docent Burgerlijk Procesrecht aan de Universiteit van Amsterdam.

Noten

  1. Vgl. o.m. HR 31 oktober 2014, ECLI:​NL:​HR:​2014:3076 (zie ook de Kroniek van 2014).

  2. Vgl. HR 25 september 2020, ECLI:​NL:​HR:​2020:1509 (zie ook de Kroniek van 2020).

  3. Zie ook P. Langbroek die in Ars Aequi september 2025, p. 656 e.v. erop wijst dat een online zitting niet tot dezelfde ervaring als een fysieke zitting leidt. Voor het behoud van het gezag van de rechtspraak dient er volgens hem daarom (ook) bij digitale zittingen en livestreams veel aandacht te worden besteed aan het uiterlijk van rechtspraak en de rituele aspecten daarvan.

  4. Vgl. EHRM 27 oktober 1993, ECLI:​NL:​XX:​1993:AD1977.

  5. Zie ook Kamerstukken II 2018/​19, 35175, nr. 3, p. 9. Zie tevens het in artikel 87 lid 2 Rv opgenomen uitgangspunt dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen mondeling toe te lichten.

  6. Vgl. onder meer HR 24 maart 2023, ECLI:​NL:​HR:​2023:449 (zie ook de Kroniek van 2023).

  7. Vgl. onder meer HR 30 juni 1978 (ECLI:​NL:​HR:​1978:AC6322) en HR 31 oktober 2003, (ECLI:NL:2003:AI0865). Zie ook HR 11 juli 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1130) waarin dit fout ging doordat het hof een stelling uit het laatste processtuk aan zijn beslissing ten grondslag had gelegd zonder de weder­partij in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.

  8. Zie ook artikel 2.25 Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de gerechtshoven.

  9. Zie ook artikel 5.1 Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de gerechtshoven.

  10. Zie ook artikel 2.29 en artikel 6.2 Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken (handel en kanton). Zie ten aanzien van deze reglementen ook hierna sub ‘Omvang proces­stukken’.

  11. Artikel 2.13 Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de recht­banken (versie 16 juli 2024) voorzag hier nog wel. In kantonzaken gebeurde dit (vrijwel) nooit.

  12. HR 31 oktober 2014, ECLI:​NL:​HR:​2014:3076. Zie ook de Kronieken van 2014, 2016, 2017, 2019, 2020, 2021 en 2023.

  13. Zie voor wat dat laatste betreft ook de noot van G. van Rijssen onder dit arrest in JBPr 2015/​18, waarin hij sub 5 betoogt dat om die reden de eindbeslissing binnen een relatief korte termijn moet worden gewezen.

  14. HR 20 maart 2020, ECLI:​NL:​HR:​2020:472 (zie ook de Kroniek van 2020).

  15. HR 5 november 2021, ECLI:​NL:​HR:​2021:1645 (zie ook de Kroniek van 2021).

  16. Vgl. HR 21 januari 2005, ECLI:​NL:​HR:​2005:AR2776, r.o. 5.3.4.

  17. HR 13 september 2013, ECLI:​NL:​HR:​2013:BZ9958 (Molenbeek). Zie de Kroniek van 2013.

  18. Rechtbank Amsterdam 5 maart 2024, ECLI:​NL:​RBAMS:​2024:1212; zie hierover de Kroniek van 2024.

  19. Stb. 2025, 124.

  20. Zoals toegelicht in de Kroniek van 2024; te raadplegen via www.hogeraad.nl.

  21. Beslagsyllabus, hoofdstuk C.1, pagina 18.

  22. Wet griffierechten burgerlijke zaken.

  23. Stb. 2024, 62 en Stb. 2024, 72 (zie hierover de Kroniek van 2024).

  24. Kamerstukken II 2019/​20, 35498, 3, pagina 55.

  25. Zie daarover F.J.P. Lock, ‘De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht: wat er (niet) gaat veranderen’, TCR 2024/​3, p. 72, zoals aangehaald in r.o. 4.11 van recht­bank Amsterdam 2 mei 2025, ECLI:​NL:​RBAMS:​2025:2936.

  26. HR 17 februari 2023, ECLI:​NL:​HR:​2023:255. Zie daarover de Kroniek van 2023.

  27. R. Rijnhout e.a., Vijf jaar WAMCA. Evaluatie Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (2020-2025).

  28. Het arrest wijkt daarmee af van eerdere uitspraken, waarin recht­banken zich slechts gedeeltelijk bevoegd achtten. Zie recht­bank Amsterdam 27 december 2023, ECLI:​NL:​RBAMS:​2023:8425 (ASC/​Alphabet Inc. c.s.), r.o. 5.22-5.24 en recht­bank Rotterdam 1 mei 2024, ECLI:​NL:​RBROT:​2024:4313, (SDBN/​X), r.o.3.14.

  29. In het amendement-Van Gent c.s wordt verder verduidelijkt dat 15 november 2016 de datum is dat het wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd en de partijen dus in theorie konden weten dat de nieuwe wet eraan kwam. Zie ook Kamerstukken II 2018/​19, 34608, nr. 13.

  30. In de evaluatie wordt tevens uitgebreid aandacht besteed aan de doelstelling doelmatigheid. Zie R. Rijnhout e.a., Vijf jaar WAMCA. Evaluatie Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (2020-2025), paragraaf 4.3.2.

  31. Zie R. Rijnhout e.a., Vijf jaar WAMCA. Evaluatie Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (2020-2025), p. 111.

  32. Voor een heldere uiteenzetting van de verschillende wettelijke gelijk­soortig­heids­vereisten (artikel 3:305a lid 1 BW, artikel 1018c lid 5 sub b Rv en artikel 1018d lid 1 Rv), zie de noot van mr. A. Knigge en mr. drs. E.M. Hoogervorst bij JBPr 2025/​38. Zie over dit ontvankelijkheidsvereiste uitgebreider: T. Arons, D.J. Beenders & J.A.M. Gijsbers, Handboek Massaschade, hoofdstuk 6: Bundelbare belangen, gemeenschappelijke feitelijke en rechtsvragen.

  33. Zie ook R. Rijnhout e.a., Vijf jaar WAMCA. Evaluatie Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (2020-2025), p. 93-95.

  34. Alleen als, gelet op de ernst en de aard van de normschending, de schade zó voor de hand ligt, wordt een uitzondering op dit vereiste gemaakt. Zie HR 15 maart 2019, ECLI:​NL:​HR:​2019:376 (EBI).

  35. Zie https://​www.rechtspraak.nl/​Voor-advocaten-en-juristen/​Reglementen-procedures-en-formulieren/​Civiel/​Paginas/​digitaal-hoger-beroep-verzoekschrift.aspx.

  36. Zie ook https://​www.rechtspraak.nl/​Organisatie-en-contact/​Organisatie/​Raad-voor-de-rechtspraak/​Nieuws/​Paginas/​Burgers-krijgen-digitaal-toegang-in-civiele-jeugdrechtzaken-kort-gedingzaken-en-beslagrekesten-.aspx.

  37. Zie https://​www.rechtspraak.nl/​Voor-advocaten-en-juristen/​Reglementen-procedures-en-formulieren/​Civiel/​Paginas/​beslagrekest-digitaal.aspx. Zie ook de Kronieken van 2021, 2022 en 2024.

  38. Zie https://​www.rechtspraak.nl/​Voor-advocaten-en-juristen/​Reglementen-procedures-en-formulieren/​Civiel/​Paginas/​Kort-geding-handel-en-familie.asp. Zie ook de Kronieken van 2022 en 2024.

  39. Zie ook https://​www.rechtspraak.nl/​Organisatie-en-contact/​Organisatie/​Raad-voor-de-rechtspraak/​Nieuws/​Paginas/​Digitaal-procederen-in-alle-familie--en-jeugdzaken-bij-alle-recht­banken.aspx. Zie ook de Kroniek van 2024.

  40. Zie o.m. artikel 2.3 Landelijk proces­reglement civiele dag­vaardings­zaken (handel en kanton), artikel 2.1 sub a Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de gerechtshoven, artikel 1.2.3 Landelijk proces­reglement verzoek­schrift­procedures recht­banken (kanton, handel en voorzieningen­rechter) en artikel 3.3 Landelijk proces­reglement kort gedingen recht­banken.

  41. Zie o.m. artikel 6.6 Landelijk proces­reglement civiele dag­vaardings­zaken (handel en kanton), artikel 5.9 Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de gerechtshoven, artikel 1.7.5 Landelijk proces­reglement verzoek­schrift­procedures recht­banken (kanton, handel en voorzieningen­rechter) en artikel 12.3 Landelijk proces­reglement kort gedingen recht­banken.

  42. Zie o.m. artikel 2.8 Landelijk proces­reglement civiele dag­vaardings­zaken (handel en kanton), artikel 2.2 Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de gerechtshoven, artikel 1.2.8 Landelijk proces­reglement verzoek­schrift­procedures recht­banken (kanton, handel en voorzieningen­rechter) en artikel 3.6 Landelijk proces­reglement kort gedingen recht­banken.

  43. Zie o.m. artikel 2.6 Landelijk proces­reglement civiele dag­vaardings­zaken (handel en kanton), artikel 2.1 sub b Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de gerechtshoven, artikel 1.2.6 Landelijk proces­reglement verzoek­schrift­procedures recht­banken (kanton, handel en voorzieningen­rechter) en artikel 3.5 Landelijk proces­reglement kort gedingen recht­banken.

  44. Zie o.m. artikel 1.12 Landelijk proces­reglement civiele dag­vaardings­zaken (handel en kanton), artikel 1.7 Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de gerechtshoven, artikel 1.1.9 Landelijk proces­reglement verzoek­schrift­procedures recht­banken (kanton, handel en voorzieningen­rechter) en artikel 1.9 Landelijk proces­reglement kort gedingen recht­banken.

  45. Rechtbank Gelderland 7 juni 2024, ECLI:​NL:​RBGEL:​2024:3636.

  46. Vgl. J.C. Heuving, ‘Internet en de (minder) lijdelijke rechter’, TvPP 2012, afl. 1, p. 12. Zie ook D.C. Theunis, ‘Het recht op bewijslevering tijdens de procedure en zelfstandige bewijsgaring (gebruik van Google en AI) door rechters onder het nieuwe bewijsrecht’, TvPP 2025/​5 en de reactie van R. Jongeneel daarop in TvPP 2025/​6.

  47. Zie bijvoorbeeld de volgende bestuurs­rechtelijke uitspraak waarin de recht­bank zich niet aan de indruk kon onttrekken dat gebruik is gemaakt van ChatGPT of een andere AI-tool: recht­bank Gelderland 6 november 2025, ECLI:​NL:​RBGEL:​2025:9423.

  48. M. Barendrecht e.a., De goede procesorde in beeld, researchmemorandum Raad voor de rechtspraak RM 2011, nr. 1, p. 23. Dit rapport hanteert ‘procesverstorend gedrag’ van advocaten als paraplubegrip voor gedragingen die in strijd zijn met de goede procesorde of die het proces nodeloos vertragen of compliceren (zie ook p. 18). Dit rapport is nog steeds zeker het lezen waard en te raadplegen via https://​www.rechtspraak.nl/​SiteCollectionDocuments/​RM-2011-1-De-goede-procesorde-in-beeld.pdf.

  49. Zie zijn conclusie (ECLI:​NL:​PHR:​2013:839; sub 3.6.2) voor HR 25 oktober 2013 (ECLI:​NL:​HR:​2013:1041). Zie ook de Kroniek van 2013.

  50. HR 19 mei 2000, ECLI:​NL:​HR:​2000:AA5863; HR 1 april 2016, ECLI:​NL:​HR:​2016:542 (zie ook de Kroniek van 2016).

  51. HR 20 december 2019, ECLI:​NL:​HR:​2019:2026 (zie ook de Kroniek van 2020).

  52. Zie over de Experimentenwet ook de Kroniek van 2017-2018 en de Kroniek van 2019.

  53. Artikel 3 Tijdelijk besluit experiment regelrechter.

  54. Artikel 5 lid 2 Tijdelijk besluit experiment regelrechter.

  55. Zie ook Stb. 2025/​13, p. 9 en 10 (nota van toelichting).

  56. Artikel 7 respectievelijk 10 Tijdelijk besluit experiment regelrechter.

  57. Artikel 8 Tijdelijk besluit experiment regelrechter.

  58. Onder verwijzing naar HR 18 december 2020, ECLI:​NL:​HR:​2020:2099.

  59. Ibid.

  60. HR 6 april 1990, ECLI:​NL:​HR:​1990:AB9374 en HR 28 oktober 1988, ECLI:​NL:​HR:​1988:AC3785.

  61. Vgl. o.m. HR 30 november 2007, ECLI:​NL:​HR:​2007:BB4977 (zie ook de Kroniek van 2007).

  62. Zie ook G.C.C. Lewin die in zijn noot onder HR 11 mei 2012 (ECLI:​NL:​HR:​2012:BV9966) in JBPr 2012/​44 de volgende (vuist)regel formuleert: indien een partij die in eerste aanleg in het gelijk is gesteld, incidenteel appel instelt zonder een materiële wijziging van de uitkomst van de procedure na te streven, behoort er geen proces­kosten­veroordeling in het incidenteel appel te worden uitgesproken. Dit geldt ongeacht de positie van die partij als oorspronkelijk eiser of oorspronkelijk gedaagde. Zie ook de Kroniek van 2012.

  63. Zie ook de conclusie van A-G Van Peursem (ECLI:​NL:​PHR:​2024:1234) voor dit arrest sub 2.4 en 2.13.

  64. Zie in gelijke zin de conclusie van A-G Van Peursem voornoemd sub 2.7 en de noot onder dit arrest van E.E. Neele & L. van den Reek in JBPr 2025/​45. In dat kader mag niet onvermeld blijven dat verval van aanhangigheid kan worden voorkomen, zelfs nog na ommekomst van de twee weken termijn van artikel 125 lid 5 Rv, door een zaak met – al of niet stilzwijgende – toestemming van de weder­partij alsnog op de rol te plaatsen. Zie ook Van de Hel-Koedoot, in: T&C Rv, artikel 125 Rv, aant. 5 en de daar genoemde vindplaatsen.

  65. Vgl. HR 21 december 2007, ECLI:​NL:​HR:​2007:BB7044 (zie ook de Kroniek van 2007).

  66. Vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:​NL:​HR:​2008:BC4959 (zie ook de Kroniek van 2008).

  67. Vgl. Asser Procesrecht/​Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/​236.

  68. Zie daarover ook paragraaf 2.3.2 van de recent verschenen herdruk van de verhelderende klassieker Ras/​Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 4), Deventer: Wolters Kluwer 2025.

  69. Vgl. HR 19 juni 2009, ECLI:​NL:​HR:​2009:BI8771 (zie ook de Kroniek van 2009).

  70. Vgl. HR 20 maart 2009 (ECLI:​NL:​HR:​2009:BG9917) respectievelijk HR 28 september 2012, (ECLI:​NL:​HR:​2012:BW922). Zie ook de Kronieken van 2009 en 2012.

  71. Vgl. HR 27 april 2012, ECLI:​NL:​HR:​2012:BV1301 (zie ook de Kroniek van 2012).

  72. Vgl. o.m. HR 6 februari 2009 (ECLI:​NL:​HR:​2009:BG6231); HR 5 april 2019 (ECLI:​NL:​HR:​2019:505) en HR 22 april 2022 (ECLI:​NL:​HR:​2022:594). Zie ook de Kronieken van 2009, 2019 en 2022.

  73. Vgl. o.m. HR 5 februari 1993 (ECLI:​NL:​HR:​1993:AJ8236).

  74. Vgl. conclusie A-G Vlas, ECLI:​NL:​PHR:​2017:279 voor HR 9 juni 2017, ECLI:​NL:​HR:​2017:1068.

  75. Vgl. o.m. artikel 2 Rv, artikel 4 Brussel I bis Vo en artikel 2 EVEX II-verdrag.

  76. Zie ook de vergelijkbare bepaling van artikel 7 Rv voor in het geval Brussel I bis Vo of een andere verordening of verdrag niet van toepassing is.

  77. Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken, ’s‑Gravenhage, 2 juli 2019 (Trb. 2024, 42).

  78. Kamerstukken II 2019/​20, 35498, nr. 3, p. 13.

  79. HR 10 juli 2020, ECLI:​NL:​HR:​2020:1251 (Semtex), zie hierover de Kroniek van 2020.

  80. Kamerstukken II 2019/​20, 35498, nr. 3, p. 47.

  81. Vgl. HR 7 januari 1994, ECLI:​NL:​HR:​1994:ZC1223.

  82. Zie ook Gras, Hendrikse & Jongbloed, Compendium burgerlijk proces­recht 2024/​12.7 sub 1 en de daar genoemde vindplaatsen.

  83. Vgl. Asser Procesrecht/​Boonekamp 6, 2024/​83.

  84. Dat was bijvoorbeeld het geval in de Kronieken van 2023 en 2024 besproken zaken waar fraude met cryptomunten speelde. Zie voorzieningen­rechter recht­bank Amsterdam 28 augustus 2023 (ECLI:​NL:​RBAMS:​2023:6218) respectievelijk voorzieningen­rechter recht­bank Limburg 24 april 2024 (ECLI:​NL:​RBLIM:​2024:2977) en voorzieningen­rechter recht­bank Midden-Nederland 14 maart 2024 (ECLI:​NL:​RBMNE:​2024:2007).

  85. Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de recht­banken handel en kanton.

  86. Zie ook artikel 2.13, 1.2.14 en 3.12 van genoemde reglementen.

  87. Zie artikel 2.13.1, 2.13.2 en 9.5.1 Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de Gerechtshoven. Zie ook de Kronieken van 2020, 2021 en 2024.

  88. Zie ook artikel 9.2 Landelijk proces­reglement voor civiele dag­vaardings­zaken bij de recht­banken handel en kanton, artikel 5.2 Landelijk proces­reglement verzoek­schrift­procedures recht­banken: kanton, handel en voorzieningen­rechter en artikel 15.2 Landelijk proces­reglement kort gedingen recht­banken.

  89. Zie ook M.J.A.M. Ahsmann, TvPP 2023/​4, p. 128.

  90. Rechtbank Amsterdam (kantonrechter) 16 juli 2024, ECLI:​NL:​RBAMS:​2024:4362.

  91. Plv. P-G Wissink, ECLI:​NL:​PHR:​2025:96 voor HR 23 mei 2025, ECLI:​NL:​HR:​2025:820, onder 3.3.

  92. Plv. P-G Wissink, ECLI:​NL:​PHR:​2025:96 voor HR 23 mei 2025, ECLI:​NL:​HR:​2025:820.

  93. Zie ook de Kroniek van 2014.

  94. EHRM 24 mei 1989, ECLI:​NL:​XX:​1989:AD0800, NJ 1990/​627.

  95. Zie in het kader van dezelfde terminologie in artikel 512 Sv: HR 25 september 2018, ECLI:​NL:​HR:​2018:1770.

  96. EHRM 23 juni 2016, nr. 20261/​12; HR 7 juli 2023, ECLI:​NL:​HR:​2023:1019.

  97. Voor de transparantie wijzen wij erop dat Van Doorne N.V. betrokken is geweest bij enkele in deze Kroniek behandelde zaken.