juridisch opinie
Advocatenkantoren stellen in de algemene voorwaarden vaak dat iedere aanspraak jegens het kantoor vervalt als niet binnen een bepaalde termijn wordt geklaagd. Die bepaling past de advocatuur niet, vindt Aldert van der Bent.
Advocaten zijn verplicht zich adequaat te verzekeren tegen het risico van beroepsaansprakelijkheid, zo is bepaald in artikel 6.24 Voda. Doel van deze regel is om het publiek tot op zekere hoogte waarborg te bieden dat iedere advocaat voldoende verhaal biedt in geval van schade door een beroepsfout. Het is dan ook niet mogelijk een ontheffing van de verzekeringsplicht te krijgen, aldus de toelichting.
Wat ‘adequaat’ is, blijkt niet uit de verordening. Wel is in artikel 6.25 voorgeschreven dat de dekking per advocaat of samenwerkingsverband ten minste € 500.000 per aanspraak en ten minste tweemaal dat bedrag per verzekeringsjaar is. Indien aan die voorschriften is voldaan, is het de advocaat op grond van artikel 6.26 toegestaan om de aansprakelijkheid, buiten het bedrag van het eigen risico, te beperken tot het bedrag waarop de verzekering aanspraak op uitkering geeft.
Op het oog is hiermee een hoogwaardig sluitstuk gecreëerd voor het waarborgen van de kwaliteit van de advocaat: als het, ondanks alle opleidingseisen, kwaliteitstoetsen, regels voor de kantoororganisatie en toezicht dan toch een keer misgaat, kan de cliënt terugvallen op verzekeringsdekking. Toch is de praktijk hier weerbarstiger dan de theorie doet vermoeden.
Vrijwel ieder kantoor bedingt in de relatie tot de opdrachtgever een beperking van de beroepsaansprakelijkheid. Zo’n beperking is een algemene voorwaarde, aangezien zij is opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen.noot 1 En als er dan toch een algemene voorwaarde wordt gehanteerd, is de stap naar een meeromvattende set voorwaarden snel gemaakt.
Het hebben van algemene voorwaarden is dus anno 2025 ook in de advocatuur gangbare praktijk. Maar een verschijnsel dat daarin in opkomst is, is het bedingen van een vervaltermijn voor aanspraken.
Het wettelijke uitgangspunt is dat een vordering tot vergoeding van schade na vijf jaar verjaart. Het betreft hier echter een subjectieve termijn, die pas gaat lopen als de benadeelde bekend is zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. De objectieve verjaring treedt pas in door verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.noot 2
Kennelijk is die langdurige blootstelling aan schadevorderingen van cliënten een toenemend aantal advocaten een doorn in het oog. Steeds vaker wordt namelijk in de algemene voorwaarden bedongen dat iedere aanspraak jegens het kantoor vervalt, indien niet binnen een bepaalde termijn wordt geklaagd, of zelfs: een vordering wordt ingesteld bij de bevoegde rechter.
Het beroep van een aansprakelijk gesteld kantoor op zo’n vervaltermijn heeft lang niet in alle gevallen succes. In een eerder artikel over de klachtplicht gaf ik diverse voorbeelden van zowel geslaagde als falende beroepen op een vervaltermijn.noot 3 Maar juist het gegeven dat zo’n beroep soms wel slaagt,noot 4 maakt dat de gelaedeerde cliënt met extra kosten wordt geconfronteerd voor het voeren van een discussie over dat onderwerp. En met een bijkomende onzekerheid over de succesvolle afloop van een procedure.
De vraag is: waarom eigenlijk? Als de advocatuur zich wil positioneren als high end juridische dienstverlening die met waarborgen voor verhaal van schade is omgeven, wordt immers het paard achter de wagen gespannen als ondertussen een geslaagd beroep op dit financiële vangnet feitelijk onmogelijk wordt gemaakt. Vrijwel geen enkele cliënt zal immers de algemene voorwaarden lezen, laat staan erover onderhandelen. Het bestaan van de vervaltermijn komt doorgaans pas aan het licht als het te laat is.
Hoog tijd dus voor de orde om in te grijpen. Als we hechten aan de waarborg van een verplichte verzekering, mag de dekking ervan niet met juridische trucs worden uitgehold.
Noten
-
Artikel 6:231 aanhef en sub a BW.
-
Artikel 3:310 lid 1 BW.
-
A.C. van der Bent, ‘De advocaat en de klachtplicht’, Adv.bl. 2022-01, p. 61.
-
Zie voor een recent voorbeeld Hof ’s‑Hertogenbosch 27 mei 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1473.