van de nova

uitspraken

Van de tuchtrechter

Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Maurice Mooibroek, Oscar Pluimer, Leonie Rammeloo en Robert Sanders.

Optreden in andere hoedanigheid

  • Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 28 juli 2025, zaak nr. 25-161/​AL/​MN, ECLI:​NL:​TADRARL:​2025:186.
  • Gedragsregel 9 en 15.
  • Aan welke verplichtingen moet een gezamenlijk advocaat voldoen op het punt van opdracht­bevestiging, dossiervorming, advisering en onpartijdig optreden?

Mr. X heeft, naar eigen zeggen als vriendendienst, de boedelscheidingsovereen­komst opgesteld voor klaagster en haar ex-partner na de beëindiging van hun samen­leving. De overeen­komst is op briefpapier van zijn advocaten­kantoor vastgelegd en door mr. X als advocaat medeondertekend. Op vragen van klaagster, zes maanden nadien, om een nadere uitleg van de overeen­komst en toezending van het dossier heeft mr. X geantwoord dat hij geen dossier heeft en dat hij zich niet met de zaak wil bemoeien anders dan als getuige. Klaagster en de ex-partner hebben geprocedeerd tegen elkaar over de uitleg van de overeen­komst. Op de dag van de zitting in die procedure was mr. X aanwezig in het gerechtsgebouw, op verzoek van de advocaat van de ex-partner, en heeft toen contact gehad met deze advocaat en de ex-partner.

Klaagster verwijt mr. X onder meer dat hij zijn hoedanigheid van gezamenlijke advocaat niet kenbaar heeft gemaakt en erkend en dat hij in die hoedanigheid zijn zorgplicht jegens ook haar heeft geschonden. De raad leidt uit de stukken af dat de vriendendienst die mr. X leverde op enig moment is vermengd met de uitoefening van zijn advocaten­praktijk en oordeelt dat mr. X, om onduidelijkheid en misverstanden achteraf te voorkomen, zijn hoedanigheid had moeten vastleggen, ook richting beide partijen bij de overeen­komst. De onduidelijkheid die daarover is ontstaan komt, bij gebrek aan vastlegging, voor risico van verweerder. Verder oordeelt de raad dat mr. X bij zijn bijstand aan klaagster en haar ex-partner niet heeft voldaan aan de zware zorgplicht die op hem, als gezamenlijk advocaat in een boedelscheiding, rustte. Nu mr. X geen dossier heeft aangelegd, kan hij niet aantonen dat hij zich destijds heeft vergewist dat beide partijen de afspraken in de overeen­komst begrepen en dat, als een partij met minder genoegen neemt dan waarop deze aanspraak kan maken, hij deze partij daarover heeft geadviseerd en deze partij die concessie welbewust aanvaardde. Een ander verwijt van klaagster is dat mr. X naderhand de schijn van partijdigheid jegens de ex-partner heeft gewekt door ter gelegenheid van de zitting overleg te voeren met de ex-partner en diens advocaat. De Raad van Discipline overweegt op dat punt dat mr. X de schijn van partijdigheid heeft gewekt, terwijl hij zich afzijdig had moeten houden van het geschil tussen partijen omdat hij eerder klaagster en haar ex-partner gezamenlijk had bijgestaan. Overigens heeft mr. X tegenover de raad erkend dat hij niet in het gerechtsgebouw aanwezig had moeten zijn. De klacht is gedeeltelijk gegrond. Berisping.

Herhaalde klacht

  • Hof van Discipline 21 juli 2025, zaak nr. 240336, ECLI:​NL:​TAHVD:​2025:137.
  • Artikel 46g en 47b Advocatenwet.
  • Klager heeft eerder dezelfde klacht ingediend tegen advocaat.

Mr. X heeft in het verleden een aannemingsbedrijf bijgestaan in een geschil met (de vennootschap van) klager over openstaande facturen en een ingeroepen retentierecht. Destijds heeft klager een klacht ingediend ten aanzien van het handelen van mr. X in dat geschil. Deze klacht is door de voorzitter van de raad ‘kennelijk ongegrond’ verklaard (RvD Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2015, ECLI:​NL:​TADRARL:​2015:306). Van deze beslissing is klager in verzet gekomen. Het verzet heeft de raad ongegrond verklaard (RvD Arnhem-Leeuwarden 8 januari 2016, ECLI:​NL:​TADRARL:​2016:36). Het hiertegen door klager ingediende hoger beroep is door het hof verworpen (HvD 11 juli 2016, ECLI:​NL:​TAHVD:​2016:149).

Op 8 april 2024 heeft klager opnieuw een klacht ingediend tegen mr. X. De klacht houdt in dat mr. X tijdens het geschil zijn taken niet eerlijk en zorgvuldig zou hebben uitgevoerd. Volgens klager zou dit hebben geleid tot schendingen van belangen en misbruik van rechten. Klager verwijt mr. X onder andere rechtshandelingen te hebben verricht zonder geldige titel, wetten te hebben overtreden, oneerlijk te hebben gehandeld en valsheid in geschrifte te hebben gepleegd. Klager dient de klacht opnieuw in, omdat deze volgens hem zodanig ernstig is dat doorbreking van het verjaringsprincipe gerecht­vaardigd is en klager pas recent op de hoogte is van de ware omvang van het handelen van mr. X.

De raad overweegt dat de gebeurtenissen waarop de klacht ziet en ten aanzien waarvan klager mr. X een verwijt maakt, hebben plaatsgevonden vóór 2016 en klager de driejaarstermijn ruimschoots heeft overschreden door zijn klacht in 2024 in te dienen (RvD Arnhem-Leeuwarden 25 november 2024, ECLI:​NL:​TADRARL:​2024:285). De raad deelt de visie van klager niet dat er gronden zijn om de verjarings­termijn te doorbreken. In de visie van de raad kan die reden in ieder geval niet worden gevonden in de stelling van klager dat hij pas onlangs op de hoogte is geraakt van de ware omvang van het handelen van mr. X. De raad oordeelt dat klager feitelijk dezelfde klacht heeft ingediend als die hij in 2015 ook al had ingediend. Nu op die klacht al onherroepelijk is beslist, kan de klacht niet opnieuw worden ingediend. De raad verklaart de in 2024 ingediende klacht niet-ontvankelijk.

Het hof overweegt dat de beroepsgronden van klager louter een herhaling van eerder ingenomen standpunten zijn en dat het ook in het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding ziet om tot een andere beoordeling te komen. Voorts bevestigt het hof dat in hoger beroep geen nieuwe klachten, voor zover klager deze in aanvulling op zijn beroepschrift had geformuleerd, kunnen worden beoordeeld. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

Onduidelijkheid optreden in privé

  • Hof van Discipline 8 augustus 2025, zaak nr. 250046, ECLI:​NL:​TAHVD:​2025:145.
  • Gedragsregel 9.
  • Heeft de advocaat ervoor gezorgd dat geen misverstand kon bestaan over de hoedanigheid waarin hij in het geschil met zijn buurvrouw is opgetreden?

Nadat mr. X en zijn partner de badkamer in hun voormalige woning hadden verbouwd, ontstond er bij de buurvrouw (klaagster) lekkage. Klaagster stelde mr. X en zijn vrouw aansprakelijk voor de ontstane schade.

Mr. X heeft mede namens zijn partner inhoudelijk gecorrespondeerd over de aansprakelijk­stelling zowel per brief op zijn kantoorbriefpapier als vanuit zijn persoonlijke mailadres.

De klacht houdt in dat mr. X zijn positie als advocaat op ongepaste, grens­over­schrijdende en intimiderende wijze heeft ingezet.

In de tucht­procedure in eerste aanleg heeft mr. X gesteld dat hij niet als advocaat is opgetreden, maar dat het enkel een privékwestie betrof.

De Raad van Discipline oordeelt dat het tuchtrecht van toepassing is, nu, kort samengevat, verwevenheid bestaat met de praktijkuitoefening van advocaat door het gebruik van het kantoorbriefpapier.

De raad heeft vervolgens geoordeeld dat mr. X onduidelijkheid heeft gecreëerd over de hoedanigheid waarin hij acteerde en bewust het risico heeft genomen, door het gebruiken van zijn statuur als advocaat, dat klaagster dat als intimiderend zou ervaren. De raad heeft de klacht deels gegrond verklaard en de maatregel van waarschuwing opgelegd.

In hoger beroep heeft mr. X aangevoerd als advocaat te zijn opgetreden en dat dit voor klaagster duidelijk was. Daarop heeft het Hof van Discipline overwogen dat gedragsregel 9 bedoeld is om rolzuiverheid van een advocaat te bevorderen en dat beoordeeld zal worden of mr. X er voor heeft gezorgd dat geen misverstand kon bestaan over de hoedanigheid waarin hij in het geschil met klaagster is opgetreden. Op grond van de feiten, de wisselende standpunten van mr. X bij de raad en het hof, de bij klaagster levende onduidelijkheid en het negeren van haar verzoek om niet meer vanuit zijn advocaten­kantoor te corresponderen, oordeelt het hof dat mr. X ‘op ambivalente wijze heeft geschermd met zijn hoedanigheid van advocaat’. Daarmee heeft mr. X gehandeld in strijd met gedragsregel 9. Bovendien acht het hof het aannemelijk dat klaagster zich daardoor geïntimideerd voelde. Het hof bekrachtigt het oordeel van de raad.

Declaratie zonder opdracht

  • Raad van Discipline ’s‑Hertogenbosch 10 juli 2025, zaak nr. 25-152/​DB/​LI, ECLI:​NL:​TADRSHE:​2025:93.
  • Gedragsregel 1.
  • Schorsing voor het sturen van een declaratie aan de weder­partij voor werkzaamheden die in het belang van de eigen cliënte zijn verricht.

Nadat tussen de cliënte van mr. X en klager een echt­scheidingsconvenant tot stand is gekomen, moesten nog de nodige documenten worden verzameld om het convenant uit te voeren (te verdelen). Dit leidde tot een trage en moeizame afwikkeling. Klager wilde dit niet met zijn ex-vrouw, cliënte van mr. X, afhandelen en benaderde daarvoor mr. X. Voor die werkzaamheden heeft mr. X haar declaratie aan klager gestuurd.

De klacht houdt in dat mr. X heeft gehandeld in strijd met de financiële integriteit door een declaratie te sturen voor het verzamelen van documenten. Verweerster geeft als reden voor die declaratie dat klager haar de opdracht had gegeven de benodigde documenten te verzamelen.

De Raad van Discipline oordeelt dat de klacht gegrond is. Klager had mr. X gevraagd om de documenten zodat de verdeling (mede) in het belang van verweersters cliënte kon worden afgewikkeld. Als haar cliënte daarvoor geen advocaatkosten had willen maken, had mr. X díé boodschap aan klager moeten overdragen. Door onverwacht een declaratie aan klager te sturen, heeft mr. X hem ontoelaatbaar onder druk gezet en zijn belangen onnodig geschaad. Dit is in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit.

Daarbij overweegt de raad dat mr. X het vertrouwen in de advocatuur hierdoor aanzienlijk heeft geschaad. Partijen in een juridisch geschil moeten er immers op kunnen vertrouwen dat zij met de advocaat van hun weder­partij kunnen corresponderen over een kwestie, zonder dat zij daar plotseling zelf een declaratie voor ontvangen. Voor het herstel van het vertrouwen in de advocatuur acht de raad het nood­zakelijk dat er een schorsing wordt opgelegd.

Voorwaardelijke schorsing van vier weken met een proeftijd van twee jaar.