van de nova

uitspraken

Van de tuchtrechter

Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Maurice Mooibroek en Robert Sanders.

Buiten reikwijdte klacht

  • Hof van Discipline 10 juni 2025, zaak nr. 240279, ECLI:​NL:​TAHVD:​2025:107.
  • Artikel 46c Advocatenwet; artikel 2 en 15 gedrags­regels advocatuur.
  • Klachtomschrijving door de tuchtrechter wordt vastgesteld aan de hand van de klacht zoals bij deken is ingediend en uit diens onderzoek is gebleken.

Sprake is van een zakelijk conflict binnen een familiebedrijf dat wordt geleid door twee broers, broer B en broer R, waarin ook hun zoons werken. De aandelen in de holding­vennootschap zijn gelijk verdeeld tussen de persoonlijke holdings van de broers. Beiden zijn zelfstandig bevoegd bestuurder, en via die route dus ook indirect bestuurder van de werkmaatschappij.

Tussen de broers is een conflict over de bedrijfsvoering ontstaan. Broer R schakelde een advocaat in, mr. X, om hem en de vennootschap te adviseren over de interne problemen. Dit deed hij eenzijdig, hoewel formeel bevoegd. Broer B verzette zich vervolgens hiertegen en stelde dat mr. X in werkelijkheid enkel handelde in het belang van R.

Mr. X stelde zich op het standpunt dat hij namens de vennootschap handelde zoals vertegen­woordigd door broer R, die daartoe bevoegd was. Hij adviseerde over de situatie en schakelde zonder instemming van broer B een forensisch accountant in om onderzoek te doen naar de administratie van het bedrijf, mede naar aanleiding van zorgen over onvolledige facturatie en andere financiële onregel­matig­heden. Toen het conflict aanhield, is mr. X een enquêteprocedure gestart. Vervolgens diende (de holding van) broer B een tuchtklacht in tegen mr. X. De klacht luidde dat mr. X in strijd met artikel 2 en 15 van de gedrags­regels handelde door op te treden voor de vennootschap terwijl hij feitelijk enkel in opdracht en in het belang van één van de twee bestuurders (broer R) handelde.

De raad oordeelde dat het niet tucht­rechtelijk verwijtbaar was dat mr. X de opdracht van de vennootschap, vertegen­woordigd door slechts één van de twee zelfstandig bevoegde bestuurders, had aanvaard. Ook het starten van een enquêteprocedure werd niet als klachtwaardig gezien. Echter, de raad vond wel dat mr. X tekort was geschoten in zijn zorgplicht rond het laten uitvoeren van het forensisch onderzoek. Hij had onvoldoende gewaarborgd dat beide bestuurders op gelijke voet konden meedoen aan het onderzoek. De raad verklaarde de klacht op dit punt gegrond en legde een waarschuwing op.

In hoger beroep stelde mr. X dat dit onderdeel van de klacht – zijn rol bij het forensisch onderzoek – helemaal geen onderdeel van de klacht was, en dat hij hierover niet adequaat zijn verweer had kunnen voeren. Het hof gaf hem hierin gelijk. De klachtomschrijving door de tuchtrechter wordt vastgesteld aan de hand van de omschrijving van de klacht zoals deze bij de deken is ingediend en zoals deze uit het onderzoek bij de deken blijkt. Het hof stelt vast dat klaagster in de toelichting op de klacht wel verwijst naar het onderzoek, maar meer in de vorm van een voorbeeld en ter inkleuring van de klacht dat mr. X als vertegen­woordiger van de vennootschap niet enkel de belangen van één bestuurder mocht dienen. Daarnaast viel het handelen rond het forensisch onderzoek volgens het hof buiten de reikwijdte van de oorspronkelijke klacht, omdat deze al was ingediend voordat het onderzoek goed en wel begonnen was.

Volgens het hof had de raad de klacht ambtshalve uitgebreid zonder mr. X daarover te informeren of hem de kans te geven om zich te verdedigen, wat in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor.

Het hof vernietigde daarom het oordeel van de raad, verklaarde de klacht in zijn geheel ongegrond en trok de waarschuwing aan mr. X in.

Redelijke bezwaren belangenconflict

  • Hof van Discipline 21 juli 2025, zaak nr. 240337, ECLI:​NL:​TAHVD:​2025:136.
  • Gedragsregel 15 lid 1 en 3.
  • Klager is in het verleden door meerdere, thans huidige collega’s van advocaat bijgestaan.

Mr. X heeft op enig moment een nieuwe kantoor­genoot gekregen: mr. Y. Deze mr. Y heeft klager geadviseerd over de aankoop van een boerderij. Enkele jaren later is mr. X als advocaat van de weder­partij opgetreden tegen klager in een huurgeschil als gevolg waarvan klager een achter de boerderij gelegen schuur en achtererf heeft moeten ontruimen.

Klager verwijt mr. X dat hij in strijd met gedragsregel 15 klagers weder­partij heeft bijgestaan, terwijl klager in het verleden door meerdere, (deels) thans huidige collega’s van mr. X is bijgestaan.

De raad oordeelt dat de klacht van klager over belangen­verstrengeling niet slaagt omdat aan de in gedragsregel 15 lid 3 opgesomde cumulatieve voorwaarden is voldaan. Zo ziet de raad geen overlap tussen de huurkwestie en de advisering over de koop van een boerderij waarbij de kantoor­genoot van mr. X klager zo’n drie jaar eerder heeft bijgestaan. Volgens de raad kan daarnaast in het midden blijven of mr. Y de financiële situatie van klager (destijds) kende, omdat informatie over de financiën en/​of de persoon van klager redelijker­wijs niet van belang was in de huurzaak. Klager heeft volgens de raad ook geen andere redelijke bezwaren aangevoerd die aan de behandeling van de zaak door mr. X in de weg stonden.

In hoger beroep is het hof met de raad van oordeel dat niet is gebleken dat de aan mr. X toevertrouwde belangen dezelfde zaak betreffen. Een dergelijk verband is te ver van de kern van beide zaken (enerzijds de aankoop van een boerderij en anderzijds het huur­geschil) verwijderd. Ook het hof oordeelt dat niet is gebleken dat mr. X beschikte over vertrouwelijke informatie, zaaksgebonden informatie of informatie die redelijker­wijs van belang kon zijn bij de behandeling van de zaak, dan wel dat informatie over de financiën van klager redelijker­wijs van belang was in de huurzaak.

Ten aanzien van de derde voorwaarde komt het hof echter tot een ander oordeel. Klager heeft mr. X tweemaal gemotiveerd per e‑mail aangegeven dat hij bezwaar heeft tegen diens optreden in de zaak tegen klager en dat hij wil dat mr. X zich terugtrekt vanwege tegenstrijdig belang. Volgens het hof is hier sprake van een redelijk bezwaar aan de zijde van klager waarvan mr. X zich bewust had moeten zijn. Het hof acht hierbij met name van belang dat sprake is geweest van een langdurige advocaat-cliëntrelatie tussen klager en kantoor­genoot mr. Y. Volgens klager kende mr. Y hem door en door. Of dit daadwerkelijk zo was, kan volgens het hof in het midden blijven, omdat het in ieder geval in de perceptie van klager zo is geweest. Klager heeft voldoende aangetoond dat hij zich ongemakkelijk voelde bij de gedachte dat er al dan niet relevante kennis over hem of zijn bedrijf bij het kantoor van mr. X aanwezig was. Daarnaast heeft mr. X onvoldoende weersproken dat andere kantoor­genoten destijds ook werkzaamheden voor klager hebben verricht. Afgezet tegen de relatief korte periode dat mr. X tegen klager heeft opgetreden, kleurt dit alles de redelijkheid van klagers bezwaren. Hiertegenover is mr. X niet geslaagd in het aantonen dat de bezwaren van klager onredelijk zijn.

Het hof acht tevens van belang dat er vanwege de meerdere overstappen naar andere kantoren door mr. X en zijn kantoor­genoten geen registratie is van zaken die door mr. X in het verleden zijn gedaan. Van mr. Y zijn er wel gegevens opgenomen, maar slechts dat er door hem voor klager is opgetreden. Mr. X heeft dus niet het diepgaand onderzoek kunnen doen naar werkzaamheden die door hem of zijn kantoor­genoten voor klager zijn verricht, terwijl op hem de plicht rustte om aan te tonen dat aan de vereisten van gedragsregel 15 lid 3 is voldaan. Gelet op de langdurige advocaat-cliëntrelatie tussen klager en met name mr. Y, de door klager gestelde vriendschappelijke verhouding met hem en de waarschuwing die klager in zijn e‑mails aan mr. X heeft gegeven, had deze moeten begrijpen dat klagers gemotiveerde bezwaren niet zonder dergelijk diepgaand onderzoek hadden mogen worden genegeerd.

Er is volgens het hof dus niet voldaan aan alle drie de voorwaarden. Ook anderszins is het hof niet gebleken dat het optreden van mr. X tegen klager te rechtvaardigen viel. Daarbij verwijst het hof naar de toelichting bij gedragsregel 15, waarin wordt gesteld dat ook in twijfelgevallen de advocaat er beter aan doet om af te zien van het optreden. Mr. X heeft weliswaar advies aan de deken gevraagd, maar dit ontslaat hem niet van zijn eigen verant­woordelijk­heid.

Waarschuwing.