juridisch analyse

Reiskosten horen ook bij kinderalimentatie

Kan de rechter die een omgangsregeling vaststelt of wijzigt in dat kader ook bepalen wie de reiskosten moet betalen?

De rechtsopvatting dat de rechter die een omgangsregeling vaststelt alleen maar kan beslissen over reiskosten die samenhangen met kinder- of partneralimentatie is onjuist, zo oordeelt de Hoge Raad.

In het kader van internationale omgangs- of zorgregelingen moeten vaak hoge reiskosten worden gemaakt. Deze reiskosten kunnen aanmerkelijk drukken op de financiële draagkracht van ouders. Zo ook in de zaak die is voorgelegd aan de Hoge Raad en heeft geleid tot de uitspraak van 20 juni 2025, ECLI:​NL:​HR:​2025:976. In deze zaak verzocht de in Californië (VS) wonende vader om een ruimere omgangsregeling met zijn in Nederland bij de moeder woonachtige kind. Aanvullend had hij verzocht te bepalen dat de reiskosten die gemaakt worden om het kind naar de Verenigde Staten en terug te brengen, gelijk verdeeld moeten worden over beide ouders.

De vraag die in deze zaak centraal stond, is of de rechter die op grond van artikel 1:377a lid 2 of artikel 1:377e lid 1 BW een omgangsregeling vaststelt, bevoegd is om daarbij een beslissing te nemen over de verdeling van de reiskosten. De Hoge Raad overweegt dat het in het belang is van het kind dat de rechter die een omgangsregeling vaststelt, een regeling kan treffen over geschil­punten met betrekking tot de uitvoering van de omgangsregeling, zoals in dit geval reiskosten. Dat bevordert dat de omgangsregeling daadwerkelijk wordt nagekomen en strookt met de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichting van de rechter om te bevorderen dat een kind contact heeft met beide ouders. Dit geldt evenzo voor de rechter die een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststelt als bedoeld in artikel 1:253a BW.

Hiervoor is het volgens de Hoge Raad niet nodig dat tevens een verzoek ten aanzien van kinder- of partneralimentatie voorligt. Een alimentatierechtelijke kwalificatie voor reiskosten ligt volgens de conclusie in deze zaak van de procureur-generaal F. Ibili ook niet voor de hand. Het gaat immers niet om een op basis van de behoefte van het kind vast te stellen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. De reiskosten zijn gebaseerd op de reisafstand en de kosten van vervoer, ongeacht de alimentatierechtelijke behoefte van het kind. In dit soort zaken gaat het evenmin om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van een echtgenoot, vastgesteld op basis van diens huwelijks­gerelateerde behoefte.

Hoe moeten deze reiskosten tussen ouders worden verdeeld? De Hoge Raad overweegt dat de rechter hierbij acht kan slaan op alle omstandig­heden van het geval. De omstandigheid dat het mogelijk maken van omgang tussen een kind en zijn ouders een gedeelde ouderlijke verant­woordelijk­heid is (artikel 1:247 lid 3 BW), brengt niet mee dat in de regel of als uitgangspunt de reiskosten bij helfte tussen de ouders verdeeld dienen te worden. Als de reiskosten substantieel zijn, ligt het volgens de Hoge Raad voor de hand dat de rechter een verschil in draagkracht tussen de ouders in aanmerking neemt bij het vaststellen van een regeling over de verdeling daarvan.

Deze uitspraak roept bij ons de vraag op in welke mate de draagkracht van de ouders van invloed is op de verdeling van hoge reiskosten en hoe deze zich verhoudt tot de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Moeten de reiskosten (in het kader van vaststelling van kinderalimentatie) worden opgeteld bij de behoefte van het kind en/​of moet er bij de ouder die de reiskosten betaalt altijd een correctie worden gemaakt op zijn draag­kracht­loos inkomen, en zo ja, in welke mate? De juris­prudentie over dit vraagstuk is casuïstisch, waarbij deels het partij­debat een rol speelt.

Er is ons geen juris­prudentie bekend waarbij de hoge reiskosten worden opgeteld bij de behoefte van een kind. Kennelijk omdat deze kosten los moeten worden gezien van de kosten van verzorging en opvoeding, zoals de procureur-generaal opmerkte in zijn conclusie. Wel zijn er diverse (hierna opgenomen) voorbeelden te vinden van uitspraken, waarbij bij de vaststelling van de draagkracht een correctie is gemaakt op het draag­kracht­loos inkomen van de ouder die de reiskosten betaalt. De Hoge Raad heeft overigens in 1981 al uitgemaakt dat dergelijke reiskosten in de regel van invloed zijn op de draagkracht (Hoge Raad 29 mei 1981, ECLI:​NL:​PHR:​1981:AG4201). Daarbij overwoog de Hoge Raad dat in hoeverre van die regel kan worden afgeweken, afhangt van de omstandig­heden van het geval. Daarbij kan onder meer een rol spelen het antwoord op de vraag of de hoogte van die reiskosten is veroorzaakt door de keuze van de verblijfplaats van de ouder die de reiskosten moet maken alsmede het bij de omgangsregeling betrokken belang van de kinderen en van de ouder aan wie zij niet zijn toevertrouwd. Voorts kan volgens de Hoge Raad van belang zijn of aanpassingen in het uitgavenpatroon mogelijk zijn.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden maakte in de beschikking van 5 september 2023, ECLI:​NL:​GHARL:​2023:7419 bij de vaststelling van de kinderalimentatie een correctie op het draagkrachtloos inkomen van de vader, omdat de moeder zonder zijn toestemming met de minderjarige was verhuisd. Hierdoor was de vader genoodzaakt elke maand 1216 kilometer te rijden om de minderjarige te kunnen zien. Gelet daarop en de onbetwiste verklaring van de vader dat zijn vorige auto niet geschikt was voor dergelijke lange afstanden en moeder meermaals heeft aangegeven dat ze die auto te onveilig vond, achtte het hof het redelijk om met het maandelijkse leasebedrag van (afgerond) € 275 per maand rekening te houden.

Het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch oordeelde op 12 maart 2020 (ECLI:​NL:​GHSHE:​2020:1177) dat een vader die maandelijks € 276 aan reiskosten maakt voor omgang met zijn kinderen, recht had op opname van twee derde van deze kosten in zijn draag­kracht­loos inkomen. Omdat de andere ouder deze kosten niet meedeelde, achtte het hof het redelijk dat de onderhoudsplichtige ouder daardoor een lagere draagkrachtruimte had.

Ten slotte overwoog de recht­bank Zeeland-West-Brabant in de beschikking van 20 juli 2022, ECLI:​NL:​RBZWB:​2022:4920 dat er over het algemeen geen rekening wordt gehouden met reiskosten voor halen en brengen. De recht­bank maakte echter een uitzondering, omdat de moeder niet haalt en brengt door een omstandigheid die in haar risicosfeer ligt. De recht­bank maakte (alleen) voor de reiskosten die de moeder eigenlijk zou moeten maken een correctie op het draagkrachtloos inkomen van de vader, gebaseerd op € 0,19 per gereden kilometer (het ging om 132 kilometer enkele reis).

Concluderend heeft de Hoge Raad met de uitspraak van 20 juni 2025 duidelijk gemaakt dat de rechter die een omgangs- of zorgregeling vaststelt, ook bevoegd is te beslissen over de verdeling van de reiskosten die nodig zijn om die regeling uit te voeren. Daarbij geldt een gelijke verdeling van deze kosten niet als uitgangspunt: het verschil in draagkracht tussen de ouders en andere bijzondere omstandig­heden mogen worden meegewogen. Uit de rechtspraak volgt dat rechters bij de vaststelling van kinderalimentatie, naargelang de omstandig­heden, bereid zijn om een correctie op het draagkrachtloos inkomen te maken van de ouder die de reiskosten maakt. Wat echter ontbreekt, is een duidelijke richtlijn over hoe die correctie concreet vorm moet krijgen. Dit draagt niet bij aan de rechts­zekerheid, maar biedt wel ruimte voor maatwerk.

Ons inziens kan de verdeling van hoge reiskosten in het kader van een omgangsregeling niet los worden gezien van de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Het is dan ook aan te bevelen om in een casus als deze een verzoek tot vaststelling of wijziging van een omgangs-/​zorgregeling gepaard te laten gaan met een verzoek tot vaststelling/​wijziging van kinderalimentatie. Daarbij is van belang om concreet te stellen en te bewijzen welke reiskosten er in het kader van die regeling moeten worden gemaakt en aan te geven hoe de rechter deze moet meewegen bij de vaststelling van de draagkracht.

Saskia Braun (advocaat familierecht) en Vivienne van Eenennaam (stagiair) zijn verbonden aan LYS Advocaten in Den Haag.