juridisch kronieken

Kroniek
Vermogensrecht 2025

In deze Kroniekperiode, die loopt van 1 juni 2024 tot en met 14 juli 2025, doen wij verslag van de meest opmerkelijke Hoge Raad-arresten op het gebied van het vermogensrecht. In deze selectie van uitspraken komen onder meer verbintenis­rechtelijke uitlegkwesties, wilsgebreken en consumentenkoop en -krediet en het goederenrecht aan bod. Wij sluiten af met enkele varia.

Van (gedwongen) uitleg

We beginnen met vier recente uitspraken die een illustratieve dwarsdoorsnede vormen van de uitlegrechtspraak. Elk arrest bevestigt dat de Hoge Raad onderscheid maakt tussen enerzijds het vaststellen van de inhoud van de rechtsverhouding via de Haviltex-maatstaf of de cao-norm en anderzijds de daaropvolgende kwalificatie en toepassing van dwingendrechtelijke of aanvullende regels. In het Bouwregelingen-arrest benadrukt de Hoge Raad bovendien dat de rechter onduidelijke bepalingen moet uitleggen; enkel constateren dat de tekst ambigu is, volstaat niet. Parallel hieraan tonen het arrest Westinvest/​Huurgarantie en het arrest Portaal/​Vaststellingsovereen­komst hoe de Hoge Raad de aanvulling en correctie van overeen­komsten door redelijkheid en billijkheid positioneert. In Westinvest maakt de Hoge Raad duidelijk dat een strikte taalkundige benadering onvoldoende is wanneer partijen in de uitvoering tegen een onvoorziene lacune aanlopen. Het arrest Portaal/​Vaststellingsovereen­komst bevestigt op zijn beurt de tweestap uit HR 20 december 2019 (Inscharing) en HR 11 februari 2011 (Timeshare): eerst uitleg, dan kwalificatie.

Warmtepomp – garantie?

De Hoge Raad wees op 5 juli 2024 arrest in een garantiegeschil. In cassatie stond centraal of het enkele niet-behalen van de gegarandeerde temperatuur (16 °C bij -10 °C buiten­temperatuur) automatisch een toerekenbare tekortkoming oplevert en of de vordering tot schade­vergoeding, op te maken bij staat, terecht was afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing (ECLI:​NL:​HR:​2024:1028). De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat met het enkele niet-nakomen van de garantie zonder meer sprake is van een toerekenbare tekortkoming. De uitleg van de garantie dient te geschieden aan de hand van het Haviltex-criterium, waarbij de wederzijdse verwachtingen en verklaringen van partijen leidend zijn. Het hof had de stellingen van partijen over de inhoud en reikwijdte van de garantie expliciet moeten betrekken bij zijn oordeel.

Ten aanzien van de schade­vergoeding corrigeert de Hoge Raad het hof eveneens. Voor verwijzing naar de schade­staat­procedure is niet vereist dat de schadeposten en omvang reeds in detail zijn onderbouwd; het is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is gemaakt. De Hoge Raad acht de stellingen van eiser over productie­vertraging en aanpassingen in het bedrijfsproces voldoende om deze drempel te halen zodat de vordering tot schade­vergoeding niet zonder meer had mogen worden afgewezen. Tot slot: een omzettingsverklaring ex artikel 6:87 BW is niet aan formele eisen gebonden en kan ook besloten liggen in processtukken, mits daaruit blijkt dat de schuldeiser schade­vergoeding in plaats van nakoming wenst.

Werkingssfeerbepaling

De Hoge Raad sprak zich op 30 augustus 2024 uit over de vraag of [verweerster] B.V. onder de werkingssfeer van de bouwregelingen valt, en daarmee verplicht is deel te nemen aan het Bedrijfstakpensioen­fonds voor de Bouwnijverheid (BpfBOUW) en aanverwante fondsen (ECLI:​NL:​HR:​2024:1102). Het geschil draaide om de uitleg van de werkings­sfeer­bepaling in het Verplichtstellingsbesluit en de cao’s Bouw & Infra. Het hof had geoordeeld dat de tekst van de werkings­sfeer­bepaling onvoldoende duidelijk was, met name waar het de zinsnede ‘op het gebied van’ betreft, en had daarom geoordeeld dat [verweerster] niet onder de bouwregelingen viel.noot 1 De Hoge Raad corrigeert dit: ook als de bewoordingen onduidelijk zijn, dient de rechter de bepaling objectief uit te leggen aan de hand van de cao-norm. Daarbij kan de rechter onder meer letten op: de context van de bepaling binnen de regeling, elders in de regeling gebruikte formuleringen, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van verschillende interpretaties, eerdere of latere versies van de regeling en eventuele schriftelijke toelichtingen. Het enkele feit dat discussie mogelijk is over de uitleg is onvoldoende om een bepaling buiten toepassing te laten. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling. Duidelijk is dat de rechter zich niet mag onttrekken aan de taak om een bepaling uit te leggen, ook niet wanneer de tekst op het eerste gezicht onduidelijk of voor meerdere uitleg vatbaar is. Het enkele feit dat discussie mogelijk is over de betekenis van een werkings­sfeer­bepaling ontslaat de rechter niet van de verplichting om via de cao-norm tot een objectieve, onderbouwde uitleg te komen.noot 2

Huurgarantie

Op 15 november 2024 wees de Hoge Raad arrest in een geschil tussen Westinvest en haar weder­partijen over de uitleg en nakoming van een huurgarantie bij de verkoop van een kantoorgebouw (ECLI:​NL:​HR:​2024:1663). De huurovereen­komst voorzag erin dat [verweerster 1] het niet-verhuurde deel van het gebouw voor zeven jaar zou huren tegen een gegarandeerde huurprijs, met de mogelijkheid tot onderverhuur na toestemming van Westinvest. In de praktijk ontstond discussie toen onderhuurovereen­komsten werden voorgesteld die deels na afloop van de garantietermijn zouden doorlopen tegen een lagere huur dan de garantiehuur.

Het hof had geoordeeld dat geen sprake was van een leemte in de overeen­komst, maar dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) meebracht dat Westinvest haar aanspraak op de volledige huurgarantie met 50% gereduceerd zag nu zij zich te afhoudend en weinig meedenkend had opgesteld bij het toestaan van onderhuur. De Hoge Raad verwerpt in cassatie de klachten van Westinvest. Volgens de Hoge Raad heeft het hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat voor de door Westinvest bepleite risicoverdeling – inhoudende dat de huurgarantie ook na afloop van de garantietermijn de beleggingswaarde van het pand zou moeten waarborgen – onvoldoende aanknopings­punten bestonden in de partijafspraken. Het oordeel van het hof dat de huurgarantie mede strekte tot het veiligstellen van het bruto-aanvangs­rendement na de garantietermijn onvoldoende kenbaar voor de weder­partij was, vindt de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad acht voorts het oordeel van het hof, dat Westinvest zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de gerecht­vaardigde belangen van de huurder en daardoor diens mogelijkheden tot onderverhuur wezenlijk heeft beperkt, niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. De klachten over de motivering en concretisering van de medewerkingsplicht worden verworpen.

Huurregime

De Hoge Raad oordeelt in deze zaak over de vraag of overeen­komsten die na het overlijden van een huurster zijn gesloten tussen haar inwonende volwassen kinderen en woning­corporatie Portaal als huurovereen­komsten moeten worden aangemerkt (ECLI:​NL:​HR:​2025:167). De kinderen hadden na het overlijden van hun moeder met Portaal een vaststellings­overeen­komst gesloten, waarin werd bepaald dat zij geen huurders of medehuurders waren, maar dat Portaal tijdelijk zou gedogen dat zij de woning gebruikten tegen betaling van een vergoeding gelijk aan de huurprijs. Deze regeling werd eenmaal verlengd. Toen de kinderen de woning na afloop van de verlenging niet verlieten, vorderde Portaal ontruiming.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de gesloten overeen­komsten niet als huurovereen­komsten kwalificeren in de zin van artikel 7:201 BW. Daarbij wordt de maatstaf uit eerdere rechtspraak (onder andere het Timeshare-arrestnoot 3 en Inscharing-arrestnoot 4) herhaald: doorslaggevend is niet of de overeen­komst elementen bevat die op zichzelf voldoen aan de wettelijke omschrijving van huur, maar of in de gegeven omstandig­heden, gelet op de inhoud en strekking van de overeen­komst, deze in haar geheel als huurovereen­komst kan worden aangemerkt. In dit geval was het doel van de overeen­komsten uitsluitend het vastleggen van een ontruimingstermijn en een gebruiksvergoeding, zonder dat partijen beoogden een huurrelatie tot stand te brengen. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof dat de verplichtingen uit de overeen­komsten te weinig gelijkenis vertonen met huur om het beschermende huurregime toe te passen, niet onbegrijpelijk of onjuist.noot 5

Wilsgebreken

Wederzijdse dwaling

De Hoge Raad bevestigt in zijn uitspraak van 12 juli 2024 het oordeel van het hof dat de huurovereen­komst tussen Goudhoed B.V. (verhuurder) en Tamoil Nederland B.V. (huurder) betreffende een locatie waarop beoogd werd een tankstation te vestigen, terecht buitengerechtelijk is vernietigd vanwege wederzijdse dwaling (ECLI:​NL:​HR:​2024:1065). Centraal stond de vraag of partijen er bij het sluiten van de overeen­komst van mochten uitgaan dat het bestemmingsplan de vestiging van een tankstation op het perceel toestond en of de latere voorwaarde van de gemeente – dat het bestaande tankstation elders eerst moest verdwijnen – een relevante dwalingsgrond opleverde. Het hof had geoordeeld dat beide partijen bij het sluiten van de overeen­komst uitgingen van een onjuiste voorstelling van zaken, namelijk dat vergunningverlening zonder aanvullende voorwaarden mogelijk was. Toen na ondertekening bleek dat de gemeente alleen wilde meewerken aan vergunningverlening als het oude tankstation werd verplaatst, was sprake van wederzijdse dwaling.

De Hoge Raad acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat de huurder (Tamoil) mocht vertrouwen op de door de verhuurder (Goudhoed) overgelegde schriftelijke mededeling van de gemeente dat het bestemmingsplan een tankstation toestond. De omstandigheid dat Tamoil als professionele partij mogelijk een verdergaande onderzoeksplicht had, doet daaraan niet af, nu het hof aannemelijk achtte dat Tamoil pas na ondertekening met de beperkende voorwaarde werd geconfronteerd. De Hoge Raad verwerpt het cassatie­beroep en bevestigt dat de huurovereen­komst rechtsgeldig is vernietigd.

Collegegeld

De Hoge Raad oordeelt in deze zaak over de vraag of Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) gerechtigd was om voor de parttime master bedrijfskunde, een bekostigde opleiding, bedragen in rekening te brengen die het wettelijk- of instellingscollegegeld overstijgen (ECLI:​NL:​HR:​2025:165). De oud-studenten hadden circa € 34.000 betaald, terwijl het wettelijk collegegeld rond de € 2.000 per jaar bedroeg en het instellingscollegegeld circa € 11.000 per jaar. De EUR stelde dat het hogere bedrag gerecht­vaardigd was vanwege extra’s in het programma, maar de Inspectie van het Onderwijs en de minister hadden reeds geoordeeld dat deze extra kosten niet aan studenten mochten worden doorberekend. De Hoge Raad bevestigt dat de Wet op het hoger onderwijs en weten­schappelijk onderzoek (WHW) het slechts in specifieke gevallen toestaat dat naast het collegegeld extra bijdragen worden gevraagd en dat de EUR gehouden was studenten duidelijk te informeren over de aard van de opleiding, de kosten en eventuele kosteloze alternatieven.

Het hof had het beroep van de oud-studenten op dwaling afgewezen, onder meer omdat zij volgens het hof wisten waarvoor zij tekenden en de EUR mocht aannemen dat zij op de hoogte waren van het bekostigde karakter van de opleiding. De Hoge Raad acht deze motivering onjuist en onvoldoende. Volgens de Hoge Raad rustte op de EUR een mededelings­plicht om studenten te informeren dat het om een bekostigde opleiding ging waarvoor geen extra kosten boven het collegegeld mochten worden gevraagd. Het oordeel van het hof dat de studenten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij bij juiste voorstelling van zaken de overeen­komst niet zouden hebben gesloten, is eveneens onvoldoende gemotiveerd, nu het hof niet is ingegaan op het betoog dat zij zich anders voor de reguliere master zouden hebben ingeschreven, dan wel dat de studenten binnen de master bedrijfskunde aanspraak hadden kunnen maken op een kosteloos alternatief.

Terugbetaling advocaat na dwaling

Is een advocaat gehouden tot terugbetaling van reeds ontvangen declaraties aan een particuliere cliënt nadat de tussen partijen gesloten overeen­komst van opdracht wegens dwaling is vernietigd? In deze zaak (ECLI:​NL:​HR:​2025:557) had de cliënt zich op dwaling beroepen omdat hij door de advocaat niet was gewezen op de mogelijkheid van door de overheid gefinancierde rechts­bijstand (toevoeging). De recht­bank had de overeen­komst vernietigd en de advocaat veroordeeld tot terugbetaling van het reeds betaalde bedrag. Het hof oordeelde dat er weliswaar sprake was van dwaling, maar achtte het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de advocaat het ontvangen bedrag moest terugbetalen, mede omdat een eventuele toevoeging later zou zijn ingetrokken en de cliënt dan alsnog het volledige honorarium verschuldigd zou zijn geweest.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof op het punt van de terugbetaling. Volgens de Hoge Raad heeft het hof ten onrechte aangenomen dat de advocaat een beroep heeft gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 en 6:248 BW) ten aanzien van de terugbetalingsvordering. Uit de proces­stukken blijkt niet dat de advocaat heeft gesteld dat terugbetaling onredelijk zou zijn indien de overeen­komst wegens dwaling zou worden vernietigd. Het hof heeft daarmee de feitelijke grondslag van het verweer van de advocaat aangevuld in strijd met artikel 24 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De Hoge Raad bekrachtigt het vonnis van de recht­bank, voor zover de advocaat is veroordeeld tot terugbetaling van het reeds betaalde bedrag.

Misbruik van omstandig­heden

De Hoge Raad oordeelt op 16 mei 2025 over de vernietiging van gewijzigde huwelijkse voorwaarden op grond van misbruik van omstandig­heden (artikel 3:44 lid 4 BW). De kern van het geschil betreft de vraag of de vrouw, door afhankelijkheid of onervarenheid, is bewogen tot het instemmen met een wijziging van de huwelijkse voorwaarden, waardoor zij haar aanspraak op verrekening van tijdens het huwelijk opgebouwd vermogen prijsgaf (ECLI:​NL:​HR:​2025:762). Het hof had geoordeeld dat sprake was van een samenstel van rechtshandelingen, waaronder de overdracht van de echtelijke woning aan de man, kwijtschelding van een deel van de koopsom en het schrappen van het periodiek verrekenbeding die tot een onevenredige benadeling van de vrouw leidde. Daarbij werd van belang geacht dat de man de financiële zaken overwegend regelde, de vrouw de man had gevolmachtigd tot haar rekening-courant (die feitelijk door de man werd gebruikt) en dat de notaris voorafgaand aan de wijziging van de huwelijkse voorwaarden vooral met de man had gecommuniceerd.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en overweegt dat voor het aannemen van misbruik van omstandig­heden alle relevante omstandig­heden in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Het hof heeft niet uitsluitend de benadeling van de vrouw doorslaggevend geacht, maar ook de wijze waarop de wijziging tot stand is gekomen, het ontbreken van een plausibele verklaring voor de kwijtschelding en de feitelijke gang van zaken rond de financiële afwikkeling. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof dat de vrouw door haar afhankelijkheid dan wel onervarenheid is bewogen tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd, mede gelet op de betwisting door de man.

Ongerecht­vaardigde verrijking door natrekking

Het arrest van 21 februari 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:322) betrof het tweede cassatiearrest met betrekking tot het faillissement van Zalco, de Zeeland Aluminium Company N.V. Zalco failleerde in december 2011 en kwam met een natrekkingsvraagstuk al eerder aan bod in onze Kroniek van 2021.noot 6 Kort gezegd ging het in de eerste cassatie­procedure over de vraag of Glencore – als pandhouder van het geproduceerde aluminium van Zalco – haar pandrecht op het aluminium was verloren als gevolg van natrekking, doordat vloeibaar aluminium in de elektrolyse-ovens van Zalco was gestold na het stopzetten van het productieproces door de curatoren. Deze vraag werd door de Hoge Raad bevestigend beantwoord. Door de stolling van het aluminium vond natrekking plaats, verloor Glencore haar pandrecht en werd het gestolde aluminium, via natrekking, bestanddeel van de elektrolysefabriek. In deze tweede cassatie­procedure was de subsidiaire vordering van Glencore aan de orde, zijnde dat door natrekking de hypotheekhouders op het erfpacht- en opstalrecht van Zalco (waar als gevolg van natrekking de waarde van het aluminium toe was gaan behoren) ongerecht­vaardigd door de natrekking zijn verrijkt.

De stelling van Glencore werd door de hypotheekhouders betwist omdat de waarde van hun hypotheken, vanwege achterstallige canonverplichtingen van Zalco, in zijn geheel een negatieve waarde vertegen­woordigde en de natrekking veranderde daar niets aan. Daarnaast hadden het faillissement en het besluit van de curatoren van Zalco ervoor gezorgd dat de going-concernwaarde van Zalco drastisch was teruggelopen en waren er extra schadeposten ontstaan voor het verwijderen van het gestolde aluminium.noot 7

De Hoge Raadnoot 8 stelt dat in beginsel dient te worden aangenomen dat verrijking als gevolg van natrekking (artikel 6:212 BW) in beginsel ongerecht­vaardigd is. Dit maakt echter niet dat er bij natrekking in beginsel direct sprake is van verrijking. Dat er sprake zou zijn van verrijking is aan de partij die zich daarop beroept om te stellen, en zo nodig te bewijzen. Het hof oordeelde in dat kader, welk punt door de Hoge Raad werd bevestigd, dat Glencore er niet in was geslaagd om voldoende te onderbouwen dat de hypotheek­houders door natrekking waren verrijkt. Het besluit dat had geleid tot de stolling van het aluminium in de elektrolyse-ovens had namelijk gelijktijdig gezorgd voor de vermindering van de waarde van het onderpand van de hypotheekhouders zodat niet kon worden aangenomen dat er verrijking had plaatsgevonden. Het hof oordeelde – welk punt door de Hoge Raad in stand werd gelaten – dat al zou er wel sprake zijn geweest van verrijking, het tevens niet redelijk was geweest om afdracht van deze verrijking te verlangen. Daarbij werd onder meer meegewogen dat het verlies van het pandrecht door natrekking voor Glencore voorzienbaar was, gezien de aard van het pandobject en de bedrijfsrisico’s. De klachten van Glencore werden opnieuw verworpen.

Opzeggen duurovereen­komst en waardevergoedingsverweer

Opzegregeling

De Hoge Raad oordeelt op 16 mei 2025 over de opzegging van duurovereen­komsten tussen DPD en twee transportbedrijven, Get Moving en Bosch Transport (ECLI:​NL:​HR:​2025:763). In de overeen­komsten was een opzegtermijn van één maand opgenomen. DPD maakte gebruik van deze mogelijkheid, waarna Get Moving c.s. schade­vergoeding vorderden wegens de volgens hen te korte opzegtermijn, mede gelet op de langdurige en intensieve samen­werking en hun afhankelijkheid van DPD. Het hof oordeelde dat de contractuele opzegtermijn van één maand in de gegeven omstandig­heden onvoldoende was en op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid een langere termijn (drie respectievelijk twee maanden) moest gelden, wat tot schade­plichtig­heid van DPD leidde. Het hof kwam tot die conclusie door aan te nemen dat de overeen­komsten een leemte bevatten omdat de overeen­komsten niet waren aangepast gelet op de substantiële uitbreiding van de samen­werking sinds het begin ervan in 2008 respectievelijk 2011, wat volgens het hof wel op de weg van partijen had gelegen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof. Volgens de Hoge Raad kan een contractuele opzegregeling in beginsel slechts terzijde worden gesteld op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW), dus indien het beroep op de contractuele termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) kan slechts worden ingeroepen als de overeen­komst op het punt van de opzegging een leemte bevat. In dit geval was echter expliciet een opzegtermijn overeen­gekomen, zodat van een leemte geen sprake was. Het hof had daarom moeten toetsen of het beroep van DPD op de overeen­gekomen opzegtermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was en niet de contractuele regeling via de aanvullende werking buiten toepassing mogen laten.

Waardevergoeding

De Hoge Raad oordeelt in deze zaak op 18 juli 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1156) over de gevolgen van de ontbinding van twee overeen­komsten van opdracht tussen Derco c.s. en een adviesbureau (de ‘maatschap’), waarbij de kernvraag is of Derco c.s. recht hebben op terugbetaling van betaalde voorschotten en vergoeding van kosten die zijn gemaakt naar aanleiding van normschendingen door de maatschap. De Hoge Raad stelt voorop dat bij ontbinding van een overeen­komst op grond van artikel 6:271 BW in beginsel een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties ontstaat. Slechts als de aard van de prestatie ongedaanmaking uitsluit, komt een waardevergoeding in de plaats (artikel 6:272 BW). In deze zaak hadden Derco c.s. terugbetaling van het betaalde voorschot gevorderd, terwijl de maatschap geen stellingen had ingenomen over het bestaan of de omvang van een waardevergoedingsvordering. Het hof had desal­niette­min geoordeeld dat de prestatie van de maatschap niet waardeloos was geweest en daarom terugbetaling van de voorschotten niet voor de hand lag. De Hoge Raad acht dit in strijd met artikel 24 Rv, nu het hof daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door ambtshalve een waardevergoedingsverweer te construeren.

Voorts overweegt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op de essentiële stelling van Derco c.s. dat zij kosten hebben gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijk­heid (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW) en ter verkrijging van voldoening buiten rechte (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW). Het enkele feit dat geen schade­vergoeding wordt toegekend, staat niet in de weg aan toewijzing van deze kostenposten indien aan de wettelijke vereisten is voldaan. Het hof had deze kostenposten afzonderlijk moeten beoordelen.

Consumentenkoop en -krediet

De onlinebestelknop ex artikel 6:230v lid 3 BW

Op 4 oktober 2024 beantwoordde de Hoge Raadnoot 9 een aantal prejudiciële vragen van de recht­bank Rotterdam over de online’bestelknop’ ofwel toepassing van artikel 6:230v lid 3 BW (ECLI:​NL:​HR:​2024:1355 (Bol.com) en ECLI:​NL:​HR:​2024:1366 (Capabel)). Deze bepaling, de implementatie van artikel 8 lid 2, tweede alinea, richtlijn consumenten­rechten, verplicht handelaren om bij online-overeen­komsten via een website ervoor te zorgen dat de consument vóór het sluiten van de overeen­komst ondubbelzinnig begrijpt dat hij een betalings­verplichting aangaat. Dit moet expliciet blijken uit de tekst op de bestelknop, bijvoorbeeld door de woorden ‘bestelling met betalings­verplichting’ of een vergelijkbare, niet voor misverstand vatbare formulering. Een overeen­komst in strijd met dit lid is vernietigbaar.

In de Bol.com-zaak draait het, onder meer, om de vraag of een bestelknop met daarop alleen de tekst ‘bestellen’, ‘bestelling plaatsen’ of ‘bestelling afronden’ conform artikel 6:230v lid 3 BW is. Nee, luidt het antwoord van de Hoge Raad. Met verwijzing naar het Fuhrmann-arrest overweegt de Hoge Raad dat dergelijke formuleringen niet nood­zakelijkerwijs en consistent door de gemiddelde consument worden geassocieerd met het aangaan van een betalings­verplichting. De overeen­komst is daarom vernietigbaar.noot 10

De tweede prejudiciële vraag luidt: ‘Moet de rechter in verstekzaken ambtshalve de overeen­komst volledig vernietigen als niet voldaan is aan artikel 6:230v lid 3 BW?’ en de derde: ‘Als de overeen­komst niet volledig wordt vernietigd, mag of moet de rechter de overeen­komst dan gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalings­verplichting van de consument wordt verminderd als niet is voldaan aan artikel 6:230v lid 3 BW?’

Het antwoord op de tweede vraag luidt ook ontkennend. In het licht van het beginsel van hoor en wederhoor mag de rechter in verstekzaken ambtshalve niet de overeen­komst volledig vernietigen. In dergelijke gevallen kan de rechter slechts overgaan tot gedeeltelijke vernietiging die de rechten van de consument uit de overeen­komst onverlet laat, aldus de Hoge Raad. In geval van een gedeeltelijke vernietiging, inantwoord op de derde vraag, acht de Hoge Raad een korting van een derde op de betalings­verplichting van de consument in beginsel redelijk. Verschijnt de consument wel in de procedure, dan kan de rechter de overeen­komst volledig vernietigen, mits de consument zich daar niet tegen verzet.

In de Capabel-zaak gaat het om de gevolgen van volledige vernietiging van de overeen­komst. Het draaide om de prejudiciële vraag of ‘de handelaar recht kan hebben op een vergoeding op grond van onverschuldigde betaling of ongerecht­vaardigde verrijking (artikel 6:203, 6:210 of 6:212 BW) nadat een overeen­komst op grond van artikel 6:230v lid 3 BW is vernietigd’.

Ja, luidt het antwoord van de Hoge Raad,noot 11 maar alleen voor zover dit mogelijk is. Bij de levering van goederen blijft een eventuele waardedaling voor rekening van de handelaar. Gaat het om prestaties die niet ongedaan kunnen worden gemaakt, zoals het geven van onderwijs, dan kan de handelaar slechts aanspraak maken op een redelijke vergoeding voor de waarde van de prestatie op het moment van ontvangst door de consument ex artikel 6:210 lid 2 BW. De sanctie op het niet-voldoen aan de bestelknopbepaling blijft leidend: volledige vergoeding is doorgaans niet redelijk, juist om de afschrikkende werking van de sanctie te waarborgen. Ook bij een vordering uit ongerecht­vaardigde verrijking geldt dat alleen een redelijke vergoeding toekomt aan de handelaar zodat de sanctie haar effect niet verliest.

Buy Now, Pay Later

In het arrest van 27 juni 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1008) draait het om zogeheten ‘Buy Now, Pay Later’-diensten (BNPL-diensten) en het toepassings­bereik van de richtlijn consumentenkrediet. De kantonrechter Arnhem stelde in dat verband een aantal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, die op zijn beurt weer vragen stelde aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Na uitspraak van het HvJ EU beantwoordde de Hoge Raad de vragen van de kantonrechter.noot 12, noot 13, noot 14, noot 15

De centrale vraag is of vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of sprake is van een kredietovereen­komst ‘zonder kosten of met onbetekenende kosten’ (artikel 7:58 lid 2 sub e BW). Het Hof van Justitie van de EU oordeelde dat die kosten in beginsel buiten beschouwing blijven, tenzij het verdienmodel van de aanbieder in feite juist drijft op inkomsten uit zulke kosten.

De Hoge Raad sluit daar nu bij aan en overweegt: ‘Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een krediet zonder kosten of een krediet met onbetekenende kosten in de zin van artikel 7:58 lid 2, onder e, BW mogen vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten niet in aanmerking worden genomen, ongeacht of de vertragingsrente en buiten­gerechtelijke kosten verschuldigd zijn op grond van de wet of op grond van de overeen­komst en ongeacht of deze – als het gaat om bedongen rente en kosten – hoger zijn dan hetgeen zonder het beding op grond van de wet verschuldigd zou zijn. Vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten moeten daarbij echter wel in aanmerking worden genomen indien de kredietgever, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereen­komst al op anticipeert dat de consument zijn betalings­verplichting niet zal nakomen. Bij de beoordeling of zich het in de vorige volzin bedoelde geval voordoet, dient de rechter alle omstandig­heden rond de sluiting van de krediet­overeen­komst en andere relevante factoren te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waar­binnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten.’noot 16

Verjaring

Ook in deze Kroniekperiode heeft de Hoge Raad meerdere arresten kunnen wijzen over verjaring. In deze Kroniek behandelen wij vier uiteen­lopende arresten op dit onderwerp die respectievelijk zien op het toepasselijke verjaringsregime van een collectieve actie (ECLI:​NL:​HR:​2024:1311), de verjaring van dwangsommen (ECLI:​NL:​HR:​2024:1904), verjaring van een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling (ECLI:​NL:​HR:​2025:761) en de beoordelingsmaatstaf van de verkrijgende verjaring van een onroerende zaak met een publieke bestemming (ECLI:​NL:​HR:​2024:1606).

Stuitende werking collectieve actie voor individuele schuldeiser

Bij het eerste arrestnoot 17 dat wij behandelen (ECLI:​NL:​HR:​2024:1311) staat de vraag centraal of een collectieve actie waarin een verklaring voor recht wordt gevorderd, de verjaring stuit van een individuele vordering tot schade­vergoeding van een schuldeiser die geen partij was bij de collectieve actie (pre-WAMCA). In de procedure tussen Groeivermogen N.V. en een individuele schuldeiser, verweerder in cassatie (Verweerder), stond de verjaring van de schade­vergoedingsvordering vanwege schending van de bijzondere zorgplicht door de aanbieder van effectenleaseproducten (Groeivermogen) centraal. De overeen­komsten tussen Groeivermogen en Verweerder werden in 1997 en 1998 gesloten en eindigden in 2002 en 2003 met betaling van een restschuld van Verweerder aan Groeivermogen. In mei 2005 startten dertien individuele eisers een collectieve actie tegen Groeivermogen waarin een verklaring voor recht werd gevorderd dat de aanbieder onrecht­matig had gehandeld. Verweerder was geen procespartij in dit geschil. Deze procedure duurde ruim veertien jaar en leidde in augustus 2019 tot een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin werd vastgesteld dat Groeivermogen ten aanzien van bepaalde effectenleaseproducten onrecht­matig had gehandeld door schending van de op haar rustende bijzondere zorgplicht. Dit arrest ging op 20 november 2019 in kracht van gewijsde.

Op 24 december 2020 startte Verweerder een procedure tegen Groeivermogen en vorderde een verklaring voor recht dat Groeivermogen onrecht­matig jegens hem had gehandeld en eiste een schade­vergoeding ter hoogte van alle betalingen die hij in het kader van de effectenleaseovereen­komsten aan Groeivermogen had voldaan.

Groeivermogen stelde dat de vorderingen van Verweerder waren verjaard. Groeivermogen legde hieraan (kennelijk) ten grondslag dat Verweerder geen stuitingshandeling had verricht, en dat Verweerder, hoewel hij geen partij was bij de collectieve actie, toch binnen zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de einduitspraak in de collectieve actie op grond van artikel 3:316 lid 2 BW een nieuwe stuitingshandeling had moeten verrichten. Verweerder stelde daarentegen dat op grond van artikel 3:324 BW een verjarings­termijn van twintig jaar van toepassing was vanaf de datum dat het eindarrest in de collectieve actie was gewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:​NL:​GHARL:​2023:1540) overweegt hieromtrent in de appelprocedure dat de collectieve actie in het onderhavige geval is geëindigd door (gedeeltelijke) toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht. Anders dan door Verweerder is gesteld, zo overweegt het hof, komt hem daarmee geen beroep toe op de verjarings­termijn van twintig jaar. In de eerste plaats omdat hij zelf geen partij was bij de collectieve actie, en in de tweede plaats omdat artikel 3:324 BW alleen van toepassing is op uitspraken die een veroordeling ‘van enige aard’ inhouden. Een declaratoire uitspraak zoals de verklaring voor recht in de collectieve actie is dat niet. Verweerder kon dus geen beroep doen op de verjarings­termijn van artikel 3:324 BW. Overigens had Verweerder, aldus het hof, ook niet binnen zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de einduitspraak in de collectieve actie een stuitingshandeling hoeven verrichten in de zin van artikel 3:316 lid 2 BW, aangezien de vorderingen in de collectieve actie deels zijn toegewezen.

De Hoge Raad volgt het hof hierin en concludeert met het hof dat na de einduitspraak in de collectieve actie opnieuw een verjarings­termijn voor de tenuitvoerlegging van die uitspraak is gaan lopen voor Verweerder. De Hoge Raad overweegt hieromtrent dat bij een toewijzende uitspraak die niet voor tenuitvoerlegging vatbaar is, zoals een declaratoire uitspraak, doorgaans geen nieuwe verjarings­termijn begint te lopen. In een geval als het onderhavig, waarin de collectieve actie op grond van artikel 3:305a BW de verjaring van individuele vorderingen heeft gestuit en deze stuiting eindigt door het in kracht van gewijsde gaan van de toewijzende uitspraak, geldt echter de hoofdregel van artikel 3:319 lid 1 BW. Dit betekent dat vanaf de dag na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak voor de individuele vorderingen een nieuwe verjarings­termijn begint te lopen van maximaal vijf jaar.

Stuit een executiegeschil de verjaring van dwangsommen?

In zijn uitspraak van 20 december 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:1904) oordeelt de Hoge Raad over de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van verbeurde dwang­sommen. Centraal staat de vraag of op de vordering tot betaling van dwangsommen het verjaringsregime van artikel 3:324 BW (twintig jaar) of de korte verjarings­termijn van zes maanden ex artikel 611g lid 1 Rv van toepassing is.

In deze procedure zijn eiser tot cassatie en verweerder broers en vennoten van een vof. Op vordering van verweerders (de broer van eiser en de vof) heeft de voorzieningen­rechter van de recht­bank Zeeland-West-Brabant bij vonnis van 9 september 2021 eiser verboden om met de vof concurrerende activiteiten te verrichten, op straffe van een dwangsom. Dit vonnis is op 10 september 2021 aan eiser betekend en hem is bevel gedaan tot naleving. Op 21 december 2021 is aan eiser aangezegd dat hij € 50.000 aan dwangsommen heeft verbeurd, waarna op 28 december 2021 beslag is gelegd. In het daaropvolgende kort geding vorderde eiser dat verweerder zou worden geboden de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen en/​of te staken en de gelegde beslagen op te heffen. De voorzieningen­rechter heeft verweerders verboden het vonnis ten uitvoer te leggen voor zover de dwangsommen berekend tot 18 januari 2022 een bedrag van € 37.500 te boven zouden gaan. In hoger beroep voerde eiser aan dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging was verjaard op grond van artikel 611g Rv. Het hof wees dit verjaringsberoep af en bekrachtigde de uitspraak van de voorzieningen­rechter, overwegende dat na een toewijzende uitspraak zoals het toewijzen van een dwangsom, het verjaringsregime van artikel 3:324 BW geldt, zodat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging pas na twintig jaar verjaart.

Ook in dit arrest concludeert de Hoge Raad kort en bondig dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat op de vordering tot betaling van verbeurde dwangsommen de verjarings­termijn van twintig jaren uit artikel 3:324 BW van toepassing is. Artikel 611g lid 1 Rv bepaalt dat een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd. Artikel 3:324 BW geldt slechts voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak die een zelfstandige veroordeling tot betaling van dwangsommen inhoudt, bijvoorbeeld na toewijzing van een vordering van de dwangsomschuldeiser tot betaling van verbeurde dwangsommen. Dit moet worden onderscheiden van het geval waarin de dwangsomschuldenaar een executiegeschil aanhangig maakt en schorsing of staking van de tenuitvoerlegging vordert; een dergelijk vonnis levert voor de dwangsomschuldeiser geen uitspraak op in de zin van artikel 3:324 lid 1 BW.

Als de dwangsomschuldenaar vordert om de tenuitvoerlegging van het vonnis waarbij dwangsommen zijn opgelegd te schorsen of te staken, is geen sprake van het instellen van een eis zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 1 BW die de verjarings­termijn van artikel 611g lid 1 Rv stuit. Aan het vonnis waarbij op zo’n vordering van de dwangsomschuldenaar wordt beslist, ontleent de dwangsomschuldeiser ook niet de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van dwangsommen. Zo’n vonnis levert ter zake van verbeurde dwangsommen voor de dwangsomschuldeiser daarom niet een uitspraak op zoals bedoeld in artikel 3:324 lid 1 BW.

Hoewel deze uitspraak op zichzelf niet revolutionair is, benadrukt hij wel dat het oppassen geblazen is als een dwangsom wordt opgelegd. Ook als een executiegeschil wordt gestart, blijft de verjarings­termijn van zes maanden ex artikel 611g lid 1 Rv van toepassing.

Aanvangsmoment verjaring vordering uit onverschuldigde betaling (artikel 3:309 BW)

Op grond van artikel 3:309 BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met zowel het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden, en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. In de procedure tussen SnowWorld en ABN AMRO wees de Hoge Raad op 16 mei 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:761) arrest over de vraag wanneer de schuldeiser kan worden geacht bekend te zijn met het bestaan van zijn vordering in het kader van de veelbesproken verkoop van renteswaps.

Tussen medio 2007 en 17 juni 2010 heeft SnowWorld (en haar rechtsvoorgangers) in totaal negen renteswaps (renteswaps 1-9) afgesloten bij (de rechtsvoorganger van) ABN AMRO, ter afdekking van het renterisico op kredietovereen­komsten voor de financiering van twee skihallen. In december 2008 en maart 2009 kondigde ABN AMRO per brief aan dat een liquiditeitspremie van 0,30% respectievelijk 0,50% in rekening zou worden gebracht, waartegen de CFO van SnowWorld namens haar telefonisch protesteerde. SnowWorld bleef echter ook na dit telefoon­gesprek de liquiditeits­premies betalen. Bij overeen­komst van 10 juni 2010 werden de kredietafspraken opnieuw vastgelegd, met een variabele rente, kredietopslag en een aanpasbare liquiditeitspremie, waarbij wijzigingen schriftelijk zouden worden meegedeeld. Op 17 juni 2010 werden de toen nog lopende renteswaps 4-8 voortijdig beëindigd en renteswap 9 afgesloten. In november 2016 klaagde SnowWorld over de geschiktheid van de renteswaps en stelde zij dat zij onvoldoende was geïnformeerd over de risico’s van dit product. In december 2018 is renteswap 9 vroegtijdig opgezegd door SnowWorld, die hiervoor € 1.201.600 aan ABN AMRO betaalde.

SnowWorld vroeg in deze procedure een verklaring voor recht dat ABN AMRO ten onrechte de liquiditeitspremies in rekening had gebracht en vorderde de terugbetaling van deze premies ter hoogte van € 1,6 miljoen, mede op grond van onverschuldigde betaling.

Het gerechtshof volgde het betoog van ABN AMRO dat de verjarings­termijn voor alle betalingen door SnowWorld op grond van onverschuldigde betaling in maart 2009 is gaan lopen, omdat SnowWorld vanaf dat moment, aldus het Hof, ‘moet hebben begrepen dat de bank iets deed wat zij in de ogen van SnowWorld niet mocht doen en dat SnowWorld in dat kader dus een (vermeende) vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op de bank had. Dat zij daarna steeds opnieuw de liquiditeitspremie heeft betaald, maakt daarbij geen verschil, omdat de grondslag voor de vordering ook daarna bleef dat de bank niet bevoegd was de liquiditeitspremie in rekening te brengen’.

De Hoge Raad oordeelt echter anders. Onder verwijzing naar zijn uitspraak uit 2014noot 18 overweegt de Hoge Raad dat een vordering uit onverschuldigde betaling pas kan ontstaan op het moment dat een betaling zonder rechtsgrond wordt verricht. Aangezien SnowWorld ook ná de dag dat zij voor de eerste keer heeft geklaagd bij ABN AMRO nog betalingen heeft verricht, kon de verjarings­termijn voor deze betalingen niet al zijn gaan lopen voordat zij werden gedaan. Er is dus geen enkele verjarings­termijn voor alle betalingen die SnowWorld heeft verricht, maar meerdere verjarings­termijnen die op zijn vroegst konden beginnen te lopen op het moment dat de afzonderlijke betalingen werden verricht.

Verkrijgende verjaring van onroerend goed met publieke bestemming

In een procedure tussen een woningeigenaar en de gemeente Laarbeek verduidelijkt de Hoge Raad bij arrest van 8 november 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:1606) de maatstaf die geldt voor verkrijgende verjaring voor onroerende zaken met een publieke bestemming. De gemeente Laarbeek is eigenaar van een perceel waarop de openbare weg is gelegen. Verweerder bezit sinds 2009 het aangrenzende perceel. In 2019 meldde de gemeente aan verweerder dat hij zonder recht of grond gebruikmaakte van een strook grond die tot het perceel van de gemeente behoorde, waarmee hij inbreuk zou maken op het eigendoms­recht van de gemeente. De gemeente vorderde een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van de strook grond tussen de kadastrale grens en de molgoot, en dat verweerder de strook zou ontruimen. Verweerder vorderde in reconventie een verklaring voor recht dat hij eigenaar is van de strook grond en stelde dat hij door bevrijdende verjaring eigenaar was geworden van deze strook grond. Verweerder voerde daarbij aan dat er sinds 1990 bezitsdaden door hem en zijn rechtsvoorgangers zijn verricht. Zo had een rechts­voorganger van verweerder bielzen geplaatst ter afbakening van de voortuin, die later waren vervangen door buxushagen. Deze afscheiding markeerde de grens van de voortuin tot aan de molgoot van de weg. De voortuin, inclusief de strook grond tot aan de molgoot, is vanaf dat moment voortdurend als één geheel onderhouden en ingericht, waarbij de strook grond feitelijk bij de voortuin werd getrokken. De gemeente heeft daarnaast in 2008 in een brief aan de rechtsvoorganger van verweerder bevestigd dat de bijzondere leibomen die op het bestreden stuk grond stonden volgens haar informatie op het perceel van verweerder stonden. Ook op de Groene kaart van 2014, vastgesteld op grond van de Bomenverordening, staat de strook grond met de leilinden als particulier eigendom vermeld.

In appel overweegt het gerechtshof Den Haag dat de voornoemde omstandig­heden voldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van openbaar en niet dubbelzinnig bezit en verweerder dus door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond. In cassatie voert de gemeente aan dat het hof met dit oordeel miskent dat voor inbezit­neming van publieke grond een bijzondere en strengere maatstaf geldt, maar dat middel faalt. In een bijzonder beknopt college overweegt de Hoge Raad dat voor de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan. Daarvoor dienen in alle gevallen de aard en de bestemming van het desbetreffende goed in aanmerking te worden genomen. Dat is ook het geval indien dat goed een publieke bestemming heeft. Dat betekent echter niet dat dit een afzonderlijke maatstaf behelst of dat voor die goederen een strengere maatstaf geldt.

Varia

Berekening koerswijzigingsschade op grond van artikel 6:125 lid 1 BW

Het arrest van 20 september 2024,noot 19 (ECLI:​NL:​HR:​2024:1258) betrof – evenals het eerder in deze Kroniek besproken Zalco-arrest – een geschil dat voor de tweede keer tot de Hoge Raad kwam. Ditmaal met een kwestie over de berekening van koerswijzigingsschade (artikel 6:125 lid 1 BW). Partijen in cassatie (PVB en DST) hebben tussen 2001 en 2018 geprocedeerd over een geschil rond de koop door DST van een dochteronder­neming van PVB, waarbij DST had nagelaten de koopprijs te voldoen. In 2018 werd DST in het ongelijk gesteld en moest zij de koopprijs, plus wettelijke rente over zeventien jaar, vergoeden aan PVB. De koopprijs bestond namelijk uit een bedrag in dollars, waarbij de koers van de dollar ten opzichte van de euro tussen 2001 en 2018 flink was gedaald. PVB stelde als gevolg van deze koerswijziging schade te hebben geleden.

PVB kreeg in eerste aanleg van de recht­bank gelijk, maar in hoger beroep oordeelde het hof dat er dient te worden gekeken of de koerswijzigingsschade daadwerkelijk door de schuldeiser is geleden en niet of er eventueel schade is ontstaan. PVB had namelijk een groot deel van het in 2018 ontvangen bedrag in dollars betaald aan een van haar aandeel­houders en was aldus niet toegekomen aan de conversie naar euro’s.

De Hoge Raad ging daar niet in mee en oordeelde dat ‘voor het aannemen van het bestaan van koerswijzigingsschade (…) het in beginsel voldoende [is] dat de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt,noot 20 is veranderd op voor de schuldeiser nadelige wijze ten opzichte van het geld van een ander land en dat de waarde van het geld van dat andere land voor de schuldeiser relevant is’. Of de waarde van een valuta relevant is voor een schuldeiser dient te worden beoordeeld naar alle omstandig­heden van het geval, waaronder de woon- of vestigingsplaats van de schuldeiser en de valuta waarin de schuldeiser doorgaans zijn transacties afwikkelt. De omvang van de koerswijzigings­schade dient dan vervolgens te worden vastgesteld aan de hand van i) de koerswaarde per het moment van het intreden van het verzuim van de schuldenaar en ii) de koerswaarde per moment van betaling, waarbij de rechter bij de begroting van koerswijzigingsschade op grond van artikel 6:97 BW in zekere mate mag abstraheren van de concrete omstandig­heden, met name in commerciële verhoudingen. Wel zal de schuldeiser moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de valuta – die onderworpen was aan de koerswijziging – voor hem van belang is, bijvoorbeeld omdat hij zijn transacties gewoonlijk in die valuta afwikkelt. Het is niet ondenkbaar dat vooral dit laatste vereiste voor grote internationale onder­nemingen niet altijd even gemakkelijk zal zijn.

Subrogatie verzekeraar bij verkeersongevallen – de 50%-regel en billijkheidscorrecties

In het arrest van 11 juli 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1133) stond de vraag centraal of de zorgverzekeraar van het slachtoffer van een verkeersongeval aanspraak heeft op hetzelfde percentage schade­vergoeding als het verkeersslachtoffer zelf.

Aan dit geschil tussen twee verzekeraarsnoot 21 lag een ongeval tussen een automobilist en een fietser ten grondslag. Het stond vast dat het handelen van de fietser voor 75% had bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Als gevolg van de in de literatuur ontwikkelde 50%-regel bij verkeersongevallen werd de aansprakelijk­heid van de automobilist, vanwege de afwezigheid van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid aan de kant van de fietser, via een standaard billijkheidscorrectie verhoogd naar 50%. Tussen de verzekeraar van de automobilist en het slachtoffer is vervolgens via een vaststellings­overeen­komst een percentage van 75 als schade­vergoeding overeen­gekomen, welk percentage een aanvullende billijkheidscorrectie van 25% op grond van artikel 6:101 lid 1 BW bevatte, vanwege de ernst van het letsel van de fietser.

De verzekeraar van de fietser stelde, via subrogatie, aanspraak te hebben op het volledige schade­bedrag, wat door de andere verzekeraar werd betwist. De Hoge Raad bevestigt in dit arrest dat een verzekeraar geen aanspraak kan maken op de verhoging die voortvloeit uit de 50%-regel en slechts in beperkte mate kan profiteren van een individuele billijkheidscorrectie en onderworpen blijft aan de gewone causale toerekening van artikel 6:101 BW. Aldus kan een verzekeraar slechts regres nemen op grond van artikel 7:962 BW voor het deel van de schade dat op basis van de gewone causaliteits­afweging aan de aansprakelijke partij wordt toegerekend (25%) en slechts in beperkte mate voor een eventuele billijkheidscorrectie (afhankelijk van alle omstandig­heden).

Oude erfpachtvoorwaarden niet vernietigbaar door ontbrekende kennis­geving

Met het arrest van 20 december 2024 biedt de Hoge Raad definitieve duidelijkheid over de vraag of oude erfpachtvoorwaarden, de Algemene Erfpachtvoorwaarden Utrecht 1974 en 1983 (ABU74 en ABU83), na ruim vijftig jaar alsnog kunnen worden vernietigd omdat erfpachters destijds vooraf geen kennis hadden kunnen nemen van die voorwaarden.

De zaak was aangespannen door een groep Utrechtse erfpachters die hun rechten vóór 1 januari 1992 verkregen, dus vóór de inwerkingtreding van Boek 6 BW. Zij baseerden hun vernietigingsvordering op artikel 6:233 onder b BW, dat een beding in algemene voorwaarden aantast wanneer de gebruiker de weder­partij niet vóór contractsluiting redelijker­wijs in staat heeft gesteld van die voorwaarden kennis te nemen (de terhandstelling).

Zowel de recht­bank Midden-Nederland als het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde al dat de erfpachters geen beroep op dit artikel kon toekomen omdat de vernietigingsgrond pas per 1 januari 1992 bestaat. De Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow NBW) bevat immers in artikel 79 een zogenoemde ‘eerbiedigende werking’: rechtshandelingen die vóór die datum zijn verricht, blijven geldig, ook al introduceerde de nieuwe wet daarna extra vernietigingsgronden.

In cassatie klagen de erfpachters dat het hof heeft miskend dat artikel 191 lid 2 Ow NBW een uitzondering op deze regel beoogt: algemene voorwaarden die al vóór 1992 werden gebruikt, zouden na een overgangstermijn van één jaar alsnog volgens het nieuwe regime vernietigbaar zijn. Volgens hen omvat die uitzonderings­bepaling óók het recht om te vernietigen wegens het ontbreken van een redelijke mogelijkheid tot kennisname.

De Hoge Raad verwerpt dat betoog en overweegt: ‘Met artikel 191 Ow NBW is beoogd de gebruiker van algemene voorwaarden in staat te stellen de inhoud van de algemene voorwaarden binnen het in die bepaling genoemde tijdvak van een jaar aan te passen met het oog op afdeling 3 van titel 5 van Boek 6 BW. Artikel 191 Ow NBW moet daarom zo worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op de vernietigingsgrond van artikel 6:233, aanhef en onder b, BW dat de gebruiker voorafgaand aan de totstand­koming van de overeen­komst de weder­partij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Een andere uitleg zou het onwenselijke gevolg hebben dat algemene voorwaarden vanaf een jaar na de inwerkingtreding op 1 januari 1992 van Boek 6 BW vernietigbaar zijn op de grond dat die mogelijkheid niet is geboden, terwijl de wet dit ten tijde van de totstand­koming van de overeen­komst niet eiste en de mogelijkheid tot voorafgaande kennisneming naar haar aard ook niet alsnog kon worden geboden. Voor de vernietigingsgrond van artikel 6:233, aanhef en onder b, BW geldt daarom de hoofdregel van eerbiedigende werking zoals neergelegd in artikel 79 Ow NBW.’noot 22

Artikel 6:233 onder b BW blijft aldus voor pre-1992-overeen­komsten buiten toepassing. Het cassatie­beroep faalt.

Verdeling nalatenschap. Verbeuren aandeel in gemeenschap (artikel 3:194 lid 2 BW). Leveringshandeling niet vereist

Dan nog een arrest over het verbeuren van een aandeel in een gemeenschap door een oneerlijke deelgenoot. Het arrest van 21 maart 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:420) betrof een geschil tussen twee broers met betrekking tot de nalatenschap van hun ouders. Zowel in de periode voor als na het overlijden van de laatste ouder (de vader) in 2013 heeft er zonder rechtsgrond een vermogensverschuiving plaatsgevonden richting eiser in cassatie, wat resulteerde in het ontstaan van een vordering van de vader, en later de nalatenschap, op eiser. Eiser verzweeg deze vordering vervolgens voor zijn deelgenoot.

Met verwijzing naar artikel 3:194 lid 2 BW oordeelde het hof dat eiser in cassatie zijn aandeel in de verzwegen goederen aan de andere deelgenoot in de nalatenschap heeft verbeurd. Als gevolg van deze verbeurdverklaring werd de andere deelgenoot direct de rechthebbende van de verzwegen vordering van de nalatenschap.noot 23

In cassatie komt eiser op tegen deze automatische overgang van de betreffende vordering. De Hoge Raad gaat daar niet in mee en verwerpt het beroep. In het geval een deelgenoot opzettelijk goederen verzwijgt voor zijn deelgenoten wordt de betreffende vordering verbeurd. De regeling van artikel 3:194 lid 2 BW bevat een sanctie ter ontmoediging van een vorm van gemakkelijk bedrog tussen erfgenamen en ter bevordering van de rechtszekerheid en deze sanctie houdt in dat het betreffende goed automatisch (van rechtswege) overgaat naar de andere deelgenoot of deelgenoten zonder dat daarvoor verdere leveringshandelingen zijn vereist. Deze overgang van rechtswege betreft een rechtsverkrijging op basis van de wet (artikel 3:80 lid 3 BW).noot 24

De tenzij-bepaling van artikel 7:755 BW

In het arrest van 12 juli 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:1073) stond de tenzij-bepaling van artikel 7:755 BW centraal. In casu had een varkensfokkerij (verweerders) met MW Techniek (eiser tot cassatie) een overeen­komst tot aanneming van werk gesloten, op grond waarvan MW Techniek een mestwatermachine diende te installeren. Tussen partijen ontstond vervolgens een geschil over de uitvoering van de overeen­komst. Nadat verweerders de laatste twee facturen onbetaald hadden gelaten, heeft MW Techniek de overeen­komst gedeeltelijk ontbonden. In een van de laatste twee facturen was een eindafrekening opgenomen, waarin onder meer meerwerk was gefactureerd voor het plaatsen van een plc-kast. In de procedure vorderde MW Techniek betaling van de openstaande facturen.

Het hof vond, kort gezegd, dat MW Techniek niet had voldaan aan haar waarschuwingsplicht uit artikel 7:755 BW, nu zij verweerders niet tijdig had gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging voor de plc-kast als meerwerk. Daarom wees het hof het deel van de factuur dat betrekking had op de plc-kast als meerwerk af.

In cassatie klaagt MW Techniek dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of verweerders zelf hadden moeten begrijpen dat het ombouwen van de plc-kast een prijsverhoging meebracht. De Hoge Raad komt tot het oordeel dat die klacht slaagt. Het hof had die beoordeling wel moeten maken, nu de recht­bank in rov. 2.26 van zijn eindvonnis heeft overwogen dat [verweerders] hadden moeten begrijpen dat de bouw van één enkele plc-kast meerkosten met zich bracht, [verweerders] in hoger beroep tegen dat oordeel een grief hebben gericht en MW Techniek zich daartegen heeft verweerd met een betoog dat ertoe strekte dat [verweerders] de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf hadden moeten begrijpen.’

Volgt vernietiging en verwijzing. Hiermee bevestigt de Hoge Raad nog eens dat artikel 7:755 BW twee routes kent: óf de aannemer waarschuwt tijdig en adequaat voor de prijsverhoging, óf – bij gebreke daarvan – moet de rechter expliciet onderzoeken of de opdracht­gever de meerkosten uit eigen beweging had behoren te weten.

De klachtplicht ex artikel 6:89 BW geldt ook voor loonvorderingen

Dan twee (parallelle) arrestennoot 25 over de klachtplicht op loonvorderingen (ECLI:​NL:​HR:​2024:1278 en ECLI:​NL:​HR:​2024:1281). Horecawerk­nemers vorderden betaling van gemaakte, niet-betaalde overuren. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep worden de vorderingen afgewezen. Het hof legde daaraan ten grondslag dat de werk­nemers niet binnen bekwame tijd geklaagd hadden dat betaling van de gewerkte overuren uitbleef. Aldus hadden de werk­nemers hun klachtplicht geschonden. In cassatie klagen de werk­nemers dat artikel 6:89 BW niet van toepassing zou zijn op loonvorderingen en aanverwante aanspraken uit hoofde van een arbeids­overeen­komst.

De Hoge Raad maakt korte metten met deze principiële klacht: artikel 6:89 BW geldt voor alle verbintenissen, dus óók voor loonvorderingen uit een arbeids­overeen­komst. Het niet volledig betalen van loon of overwerkvergoeding kwalificeert als een gebrekkige prestatie waarop de klachtplicht van toepassing kan zijn, tenzij in het geheel niet is gepresteerd. De Hoge Raad tekent echter direct aan dat bij de beoordeling of aan de klachtplicht is voldaan alle omstandig­heden van het geval moeten worden meegewogen, waaronder de aard van de rechtsverhouding, de prestatie en het gestelde gebrek, evenals het eventuele nadeel voor de schuldenaar door het late klagen.

Met deze uitspraak verschaft de Hoge Raad duidelijkheid over de toepassing van de klachtplicht op loonvorderingen. Overigens slaagde het cassatie­beroep van de werk­nemers, nu het hof een aantal door hen aangevoerde, relevante omstandig­heden ten onrechte buiten beschouwing had gelaten. Juist deze omstandig­heden waren essentieel voor de beoordeling of aan de klachtplicht was voldaan.noot 26

Openbaar water

In zijn arrest van 15 november 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2025:1662) bevestigt de Hoge Raad dat voor de beantwoording van de vraag of een waterperceel als openbaar water moet worden aangemerkt, het feitelijk gebruik van het water doorslaggevend is. Indien uit het feitelijk gebruik blijkt dat eenieder van het water gebruik kan maken, is het water openbaar (in de zin van artikel 5:22 BW), ongeacht of de eigenaar van het perceel toestemming heeft verleend of expliciet deze toestemming heeft geweigerd.

De casus betrof een situatie waarbij de eigenaar van een perceel (eiser in cassatie), omvattend een lange strook water, aan de eigenaren van de aangrenzende woningen duidelijk had gemaakt het gebruik door deze laatste eigenaren van de strook water niet toe te staan of te gedogen. Dit verbod van eiser in cassatie was immers niet voor het publiek kenbaar. De eigenaar van een niet-afgesloten waterperceel kan aldus slechts voorkomen dat het perceel openbaar wordt door op duidelijke wijze aan het publiek kenbaar te maken dat betreding of gebruik van het perceel zonder toestemming is verboden, en dat dit duidelijk moet zijn voordat het water door feitelijk gebruik openbaar is geworden. Dit kan een eigenaar bereiken door het plaatsen van borden. Is een water echter eenmaal openbaar geworden, dan dient de eigenaar het normale gebruik daarvan te dulden.noot 27

Conclusie

Ook dit jaar signaleren wij weer een tendens van korte en bondige arresten van de Hoge Raad en lijkt de tijd dat de Hoge Raad regelmatig ‘college’ geeft achter ons te liggen. Daarnaast lijkt de lagere rechtspraak haar weg naar de Hoge Raad bij wijze van het stellen van prejudiciële vragen dit jaar boven­gemiddeld vaak te hebben gevonden. Waar in 2022 en 2023 respectievelijk zes en negen prejudiciële vragen aan de Civiele Kamer werden gesteld, was dat in 2024 vijftien keer. Dat leverde onder meer in de hiervoor vermelde zaken noemenswaardige uitspraken op in een vroeg stadium van die procedures. Een ontwikkeling die wij verwelkomen!

De auteurs zijn allen advocaat bij Jones Day te Amsterdam.

Noten

  1. Procureur-generaal (P-G) Assink vond de werkings­sfeer­bepaling in het Verplichtstellingsbesluit overigens níét onoverkomelijk onduidelijk. In zijn conclusie (ECLI:​NL:​PHR:​2024:437) stelt hij juist dat de cao-norm zich hier goed laat toepassen en dat de tekst, ondanks discussie over de formulering ‘op het gebied van’, voldoende aanknopings­punten biedt voor een objectieve uitleg.

  2. De P-G betoogt dat de bepaling primair ziet op de aard van de bedrijfsactiviteiten van de onder­neming zelf, en niet op de activiteiten van haar klanten (‘derden’). Hij wijst erop dat het voor de hand ligt dat de werkingssfeer wordt bepaald door wat de onder­neming doet (productie of dienst­verlening op het gebied van het uitvoeren van bouwwerken), en niet door wat haar opdracht­gevers doen. Volgens de P-G zou een uitleg die de werkingssfeer laat afhangen van de activiteiten van derden tot ongerijmde en onaannemelijke rechtsgevolgen leiden, zoals een onduidelijke afbakening van de bedrijfstak en rechtsonzekerheid voor werkgevers en werk­nemers.

  3. Toch kunnen de auteurs wel enige sympathie opbrengen voor het hof, nu zij met enige regelmaat van hun arbeids- en pensioenrechtcollega’s horen over onduidelijke, overlappende of tegenstrijdige reikwijdtebepalingen. 

  4. ECLI:​NL:​HR:​2019:2034.

  5. ECLI:​NL:​HR:​2011:BO9673.

  6. 5 De conclusie van de procureur-generaal (ECLI:​NL:​PHR:​2024:810) is beslisthet lezen waard, zeker wat betreft de analyse van de ‘subtiele’ alsgeheeltoets uit het Timeshare-arrest. 

  7. 6 Adv.bl. 2024-08, https://​magazine.advocatenblad.nl/​2024-08/​kroniek-vermogensrecht/.

  8. 7 HR 21 februari 2025, ECLI:​NL:​HR:​2025:322, r.o. 2.4.

  9. 8 HR 21 februari 2025, ECLI:​NL:​HR:​2025:322, r.o. 3.1.2.

  10. 9 Richtlijn 2011/​83/​EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/​13/​EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/​44/​EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/​577/​EEG en van Richtlijn 97/​7/​EG van het Europees Parlement en de Raad. Voor de EER relevante tekst.

  11. 10 HvJ EU 7 april 2022, zaak C-249/​21, ECLI:​EU:​C:​2022:269 (Fuhrmann-2-GmbH/​B.)

  12. 11 Artikel 6:204 lid 1 BW. 

  13. 12 Richtlijn 2008/​48/​EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereen­komsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/​102/​EEG van de Raad, PbEU 2008, L 133/​66. De richtlijn consumentenkrediet wordt ingetrokken met ingang van 20 november 2026 (artikel 47 Richtlijn (EU) 2023/​2225 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake kredietovereen­komsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2008/​48/​EG, PbEU 2023, L 2225).

  14. 13 Rechtbank Gelderland 4 mei 2022, ECLI:​NL:​RBGEL:​2022:2441. 

  15. Hoge Raad 30 juni 2023, ECLI:​NL:​HR:​2023:1006. 

  16. HvJ EU 17 oktober 2024, ECLI:​EU:​C:​2024:895.

  17. Zie r.o. 3.4.4. 

  18. Tot voor de inwerkingtreding van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie per 1 januari 2020 was het nog niet mogelijk om een schade­vergoeding te vorderen in een collectieve actie. 

  19. ECLI:​NL:​HR:​2014:3678

  20. HR 20 september 2024, ECLI:​NL:​HR:​2024:1258, NJ 2025/​103, m.nt. M. Haentjens.

  21. HR 20 september 2024, ECLI:​NL:​HR:​2024:1258, r.o. 3.2.2.

  22. Zie voor een handig overzicht van de totstand­koming van de 50%- (en 100%-)regel bij verkeersongevallen, r.o. 3.4-3.11 van procureur-generaal T. Hartlief in ECLI:​NL:​PHR:​2025:396 van 28 maart 2025. 

  23. R.o. 3.2.3. 

  24. HR 21 maart 2025, ECLI:​NL:​HR:​2025:420, r.o. 2.4.

  25. HR 21 maart 2025, ECLI:​NL:​HR:​2025:420, r.o. 4.4.

  26. In eerste aanleg wees de kantonrechter de vorderingen af op de grond dat de werk­nemers onvoldoende hadden gesteld om tot bewijs te worden toegelaten. 

  27. Zo hadden de werk­nemers aangevoerd dat van hen niet kon worden verlangd dat zij (blijvend) klaagden en daarmee hun arbeidsrelatie op het spel zetten, en dat de werkgever zijn plicht om de arbeidstijden te registreren had verzuimd.