van de nova
uitspraken
Van de tuchtrechter
Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Maurice Mooibroek en Robert Sanders.
Bewust napleiten
- HvD 12 mei 2025, zaak nr. 240095, ECLI:NL:TAHVD:2025:80.
- Gedragsregel 21 lid 3; artikel 21 Rv.
- Advocaat benadert zonder toestemming wederpartij gerechtshof na bepaling arrest met beroep op waarheidsplicht.
Mr. X staat een werkgever bij in een arbeidsrechtelijk geschil. Na de mondelinge behandeling in hoger beroep richt mr. X zich schriftelijk tot de advocaat van de wederpartij over een stelling die namens de wederpartij naar voren is gebracht. Nader onderzoek zou een ander licht op die stelling hebben doen schijnen en mr. X wijst op de waarheidsplicht van artikel 21 Rv. Mr. X geeft aan voornemens te zijn het gerechtshof daarover te informeren en hij verzoekt de advocaat te bevestigen dat deze geen bezwaar heeft tegen het benaderen van het hof. De advocaat maakt echter uitdrukkelijk bezwaar, aangezien het hof reeds arrest heeft bepaald. Desondanks zet mr. X zijn voornemen door en hij zendt een brief aan het gerechtshof waarin hij het standpunt van zijn cliënt naar voren brengt dat de wederpartij het hof onjuist heeft geïnformeerd en zodoende artikel 21 Rv heeft geschonden. In een bericht aan de advocaat van de wederpartij rechtvaardigt mr. X zijn handelwijze met de opvatting dat de waarheidsverplichting – en meer in het algemeen het belang van waarheidsvinding – van artikel 21 Rv van zwaarder dan wel doorslaggevender gewicht is dan gedragsregel 21 lid 3.
De advocaat van de wederpartij dient een klacht in tegen mr. X met het verwijt dat deze zich nadat de zaak voor uitspraak is komen te staan zonder toestemming van klager tot de rechter heeft gewend. De raad volgt mr. X niet in diens standpunt dat hij een rechtvaardiging had om op deze wijze te handelen omdat klager en zijn cliënt op de zitting onjuiste informatie hebben verschaft die voor de beslissing van het hof van belang zou kunnen zijn. Volgens de raad bevat gedragsregel 21 lid 3 een duidelijke norm en daarop mag niet te lichtvaardig een uitzondering worden gemaakt. De omstandigheid dat mr. X zich kennelijk na de zitting realiseerde dat een stelling van de wederpartij (in zijn ogen) onjuist was, is geenszins een rechtvaardiging om vervolgens in strijd met die gedragsregel het hof te benaderen. Daarbij maakt het in beginsel niet uit of de interpretatie van klager en zijn cliënt al dan niet juist is. Het beroep op artikel 21 Rv kan mr. X niet baten nu de daarin neergelegde norm niet het belang van de andere partij beoogt te beschermen, aldus de raad.
Zelfs indien het belang van de cliënte van mr. X zou hebben geëist dat hij na het bepalen van de uitspraak nog iets onder de aandacht van het hof zou hebben moeten brengen, had mr. X eerst de deken om advies moeten vragen. De raad legt een berisping op, onder meer omdat mr. X ook op zitting is blijven volhouden dat hij gelet op artikel 21 Rv de gedragsregel mocht schenden.
In hoger beroep stelt het hof vast dat de mededeling van klager op zitting bij het gerechtshof geen nieuw standpunt was, waar mr. X nog niet eerder op had kunnen reageren. Het had op de weg van mr. X gelegen om, indien hij van mening was dat dit standpunt van klager onjuist was, hier in de stukken of op de zitting inhoudelijk op te reageren en aan te geven waarom het gerechtshof die interpretatie niet zou moeten volgen. Dat mr. X op de zitting slechts in algemene bewoordingen het standpunt van klager kon betwisten en geen tegenberekening paraat had, komt doordat hij eerdere mogelijkheden van betwisting in de desbetreffende procedure ongebruikt heeft gelaten en was geen rechtvaardiging het gerechtshof alsnog te benaderen. Ook indien het wel een nieuw standpunt van klager was geweest, had mr. X op de zitting – op het moment dat hij door zijn cliënt op zijn schouder werd getikt met de mededeling dat het standpunt van klager onjuist was – aan het gerechtshof kunnen verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld zijn reactie op het nieuwe feit bij akte nader te mogen onderbouwen, al dan niet met een berekening. Ook had mr. X nader bewijs kunnen aanbieden.
Volgens het hof kan het handelen van mr. X niet anders worden opgevat dan als bewust napleiten. Dit is een fout die niet iedere advocaat zou kunnen overkomen. Bekrachtiging.
Signalen uit strafrechtketen
- Hof van Discipline, 8 april 2025, zaak nr. 240275D, ECLI:NL:TAHVD:2025:62.
- Artikel 10a lid 1 sub d Advocatenwet; gedragsregel 1.
- Dekenbezwaar op grond van elf signalen en meldingen in drie jaar van onbetamelijk en onprofessioneel gedrag
Mr. X, beëdigd in 2017, is een strafrechtadvocaat. Sinds 2018 zijn er vier tuchtklachten tegen hem ingediend, waarvan twee hebben geleid tot waarschuwingen. Daarnaast ontving de deken verschillende meldingen en signalen over zijn gedrag.
Een signaal betreft zijn bezoek aan een PI, waar de directeur klaagde over het aantal en de logistiek van bezoeken van mr. X. Na bemiddeling door de deken werd geen vervolgproblematiek gemeld. Een ander incident in een PI betrof ongepast gedrag van mr. X tijdens een beklagzitting, waarbij hij herhaaldelijk tussen zijn cliënt en de beklagvoorzitter kwam en de beklagvoorzitter verstoorde, wat leidde tot het neerleggen van de zitting. De deken vond het signaal op zichzelf onvoldoende om in gesprek te gaan met mr. X.
Weer een ander incident vond plaats op een parkeerplaats van een McDonald’s, waar mr. X werd aangetroffen met twee cliënten in zijn auto, één met een lachgastank. Tijdens een politiecontrole gedroeg mr. X zich aanvankelijk niet meewerkend, maar later verklaarde hij dat de mappen in de kofferbak documenten van zijn cliënten waren. De deken besprak het incident met mr. X, die verklaarde dat hij alleen nog snel zijn cliënten wilde spreken na een lange werkdag.
Verder ontving de deken een klacht van een rechter-commissaris over het gedrag van mr. X tijdens getuigenverhoren in een strafzaak. De klacht betrof onprofessioneel en respectloos gedrag, met name tegenover kwetsbare getuigen. Daarna werd mr. X de toegang tot een cellencomplex geweigerd, omdat hij weigerde de camera van zijn telefoon af te plakken, wat volgens de huisregels verplicht was. Hierna werd mr. X de toegang tot een PI ontzegd na het gebruik van zijn telefoon in het bijzijn van een cliënt, waarbij niet-zaaksgerelateerde content werd bekeken.
Ook daarna vonden incidenten plaats in PI’s. Tijdens een beklagzitting had mr. X een verhitte discussie met de voorzitter, die door de PI als buitenproportioneel werd ervaren. Een PI sprak mr. X aan nadat hij herhaaldelijk verboden datadragers meenam, waaronder een USB-stick. Bij andere PI’s ontstond discussie tussen mr. X en personeel over een verzoek voor extra spreekkamers en veroorzaakte mr. X onrust door te verzoeken om acht gedetineerden te spreken in plaats van de toegestane vijf. Verder leidde een opmerking van mr. X in een PI tot verontwaardiging bij de plaatsvervangend directeur, die de opmerking als racistisch en grensoverschrijdend ervaarde.
De deken verwijt mr. X onbetamelijk en onprofessioneel gedrag, waarbij niet de vereiste distantie wordt betracht.
De raad heeft het dekenbezwaar gegrond verklaard en mr. X de maatregel van voorwaardelijke schorsing opgelegd, met de bijzondere voorwaarde om zich te laten bijstaan door een coach.
In beroep betoogt mr. X dat de raad niet voldoende concrete voorbeelden heeft gegeven van zijn verweten gedrag en dat meldingen van personeelsleden van de PI’s ontbreken. Hij stelt dat beschuldigingen vanuit de PI’s niet geloofwaardig zijn, onder meer gezien de gegronde beklagzaken die hij heeft ingediend. Ook betwist hij de beschuldiging van racisme, wijzend op de verklaring van zijn cliënt die zijn versie ondersteunt. Mr. X vindt het verder niet terecht dat zijn vergetelheid over een USB-stick in de PI als onprofessioneel wordt gezien, vooral omdat de stick beveiligd was. Hij betwist ook de regel die hem zou verplichten de camera van zijn telefoon af te plakken, omdat deze regel volgens hem niet bestond. Ten slotte verdedigde mr. X zijn optreden tijdens de beklagzitting in de PI.
Het hof acht het beroep gegrond. Het hof concludeert dat mr. X in drie gevallen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld: zijn ongepaste uitlatingen tijdens getuigenverhoren, het onprofessionele gebruik van zijn mobiele telefoon in een PI en het verkeerd omgaan met zijn gedrag tijdens een beklagzitting. De overige signalen, zoals de miscommunicatie in PI’s, zijn volgens het hof niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Gezien de jonge leeftijd en onervarenheid van mr. X oordeelt het hof dat een waarschuwing passend is. Verder raadt het hof mr. X aan een coachingstraject te volgen om zijn professionele houding te verbeteren, aangezien zijn gedrag regelmatig weerstand oproept bij andere strafrechtprofessionals.