vak & mens cover

Vormvrije feedback veruit favoriet

Vijf jaar na invoering van de kwaliteits­toetsen voor advocaten waagt slechts een enkeling zich aan peer review. GIO is favoriet, gevolgd door intervisie. Het aantal voorstanders stijgt gestaag, de negatievelingen volharden in hun standpunt.

Op 1 maart 2020 werd het huidige stelsel van kwaliteits­toetsen voor de advocatuur van kracht. Het stelsel kent drie vormen van gestructureerde feedback: intervisie, peer review en gestructureerd intercollegiaal overleg (GIO). De toetsen beogen de kwaliteit van de advocatuur verder te verhogen.

Aan de invoering gingen jaren van discussie vooraf. De voorkeur van de algemene raad ging uit naar peer review. Een belangrijk bezwaar van het college van afgevaardigden was de mogelijke schending van privacy bij cliënten – juist bij peer review, waar advocaten elkaar inhoudelijk beoordelen op basis van dossiers.

Het Advocatenblad hield in juni een onderzoek naar de kwaliteits­toetsen voor advocaten. Ruim driehonderd advocaten vulden de vragenlijst in. Sinds de invoering van het huidige stelsel in 2020 nam 48 procent deel aan intervisie en 47 procent aan GIO. Slechts vijf procent van de respondenten zegt aan peer review te hebben gedaan.

Vraag: Hoe beoordeelde u het stelsel van kwaliteitstoetsen bij de invoering in 2020 en anno 2025? (n=322)

Toen en nu

Bij de invoering van het stelsel van kwaliteits­toetsen in 2020 stond achtentwintig procent positief tegenover het stelsel. Een ruime veertig procent was neutraal. Ruim dertig procent was negatief. Anno 2025 heeft er een verschuiving plaatsgevonden. De groep positief gestemden is met tien procent gestegen. Deze mensen komen uit de ‘neutrale groep’. Het gezelschap negatief gestemden is in omvang gelijk gebleven.

Een groot voorstander schrijft: ‘Geen enkele twijfel. Veel advocaten opereren vanuit een eenmanskantoor en dan is het een verademing op deze manier met vakgenoten in contact te komen.’ ‘Boven verwachting. Zeer interessant om dilemma’s met andere advocaten (uit het hele land) te bespreken,’ zegt een ander. ‘Je bent nooit te oud om te leren en kunt zo bij twijfel makkelijker collega’s raadplegen; feedback en het is nog gezellig ook.’ Een positieve respondent vindt het ‘goed dat GIO en intervisie nú gecombineerd mogen worden’.

Verantwoording

Het Advocatenblad vroeg in juni abonnees van de nieuwsbrief en het e-magazine een vragenlijst in te vullen. In totaal gaven 322 advocaten hun mening. De respondenten komen uit alle delen van Nederland en werken zowel op grote als kleine kantoren. Het merendeel nam anoniem deel. Sommige advocaten lieten hun naam achter, zodat ze konden worden gebeld voor een nadere toelichting.

Negatieve geluiden zijn er ook. ‘In alle jaren nooit enige waarde gehad, je weet met elkaar van gekkigheid niet meer wat je moet bespreken en ziet er steeds als een berg tegenop,’ luidt een antwoord. ‘Het is allemaal bemoeizucht en politieke flauwekul, net als de studiepunten. Het is allemaal “buitenkant”. Een kok krijgt zijn Michelinster niet vanwege dit soort flauwekul, maar door de kwaliteit van zijn gerechten,’ aldus een respondent. Een ander noemt het ‘een wassen neus. Wie er geen tijd en aandacht aan wil besteden, doet het lekker op kantoor. En voor allen die buiten eigen kantoor een vorm moeten volgen, heeft de industrie een mooi verdienmodel erbij gekregen’.

‘Je moet de rotte appels niet uit de mand willen halen door regels op te stellen waar je álle advocaten mee belast’

John Molenaar, advocaat in Utrecht, is kritischer over de kwaliteits­toetsen dan vijf jaar geleden. ‘Ik ben niet zo enthousiast. Het effect is toch vooral afhankelijk van de eigen inzet. Als een advocaat uit zichzelf geen oog heeft voor kwaliteit, zal hij niet zijn best gaan doen voor GIO of intervisie. Voor de advocaten die intrinsiek wel gemotiveerd zijn, voegt het niets toe.’

Per saldo beschouwt Molenaar de verplichte uren intervisie en GIO vooral als corvee. ‘Ik denk dat het door veel advocaten als ergerlijk wordt ervaren. Het draagt bij aan het beeld van de orde als bureaucratische instelling. Ik heb de indruk dat het instrument vooral bedoeld is om te voorkomen dat eenpitters afdwalen. Voor hen is het minder vanzelf­sprekend dat ze contact hebben met vakgenoten terwijl er op een kantoor met meerdere advocaten vrijwel altijd overleg plaatsvindt. Ik denk dat daarvoor andere maat­regelen beter passen. Een eenpitter moet een waarnemer hebben. Die lijkt me bij uitstek geschikt om het werk en de praktijk mee te bespreken.’

Marjolein Oonk-Pallandt van Lawwise Advocaten in Breda is uitgesproken negatief. Oonk zit 34 jaar in het vak en werkte bij verschillende kantoren. ‘In al die kantoor­omgevingen hebben we altijd allerlei vormen van feedback met elkaar gehad. Niet verplicht of georganiseerd, maar spontaan bij het koffiezetapparaat of gewoon bij elkaar binnenlopen als iets actueel is. Daar hadden we geen regels van de orde voor nodig, dat was en is heel nuttig en leuk. Dat zit in je bloed.’

De verplichte kwaliteitstoets is in de ogen van Oonk een typisch voorbeeld van door­geschoten regeldrift. ‘We hebben inmiddels 101 regeltjes voor van alles en nog wat. Die zijn alleen geschreven met het oog op de rotte appels. Die moet je niet uit de mand willen halen door regels op te stellen waar je álle advocaten mee belast.’

Ook Pam Biesbroek (De Hef Advocaten in Rotterdam) is na vijf jaar intervisie minder positief dan bij de start. ‘In het begin vond ik het interessant om met anderen dan kantoor­genoten na te denken over bepaalde vraagstukken. Op een zeker moment is alles echter wel zo’n beetje besproken en dat wordt het een soort trucje.’

De Hef, dat onderdak biedt aan zes advocaten, geeft samen met een handvol andere kantoren invulling aan de kwaliteits­toetsen. Biesbroek schakelt later dit jaar over van intervisie op GIO. De stap naar peer review vindt ze te groot. ‘Ik heb een vrij drukke praktijk, waarvoor ik veel moet doen. Ook qua opleiding. Ik heb collega’s met wie ik sowieso veel spar over mijn dossiers. Als ik dan ook nog peer review moet gaan doen, wordt dat te veel. Het kost allemaal tijd en dus geld. Bovendien stapelt het werk zich dan nog verder op. Ik zit in de sociale advocatuur, dus het is al bikkelen om de boel overeind te houden. De administratieve last wordt simpelweg te groot.’

Op het kantoor van Igna Oomen is er eens per maand gestructureerd intercollegiaal overleg. De Amsterdamse asiel­recht­advocaat ervaart de bijeenkomsten als positief. ‘De groep bestaat inmiddels uit advocaten van vijf verschillende kantoren. Die stem van buitenaf maakt het interessant. Je hoort dan ook van de ervaringen en dilemma’s uit de praktijk van anderen.’

De gesprekken bieden Oomen de kans om zich even te onttrekken aan de waan van de dag. ‘In zo’n overleg kun je dingen delen. Zowel vakinhoudelijk en ethisch als gewoon praktisch. Jongens, ik loop hier tegenaan. Herkent iemand dit? Hoe ga je om met een bepaald type cliënten of, als je zelf iets stoms gedaan hebt, hoe corrigeer je dat? Moet je dat nog ergens melden?’

Toch denkt ook Oomen dat de verplichte feedback vooral voor eenpitters van waarde is. ‘Bij ons op kantoor overleggen we al uitgebreid met elkaar. Over hoe je je werk doet en tegen dingen aankijkt. En als je ergens mee zit. Voor een eenpitter lijkt me dat niet vanzelf­sprekend. De kwaliteitstoets biedt hun die mogelijkheid. Maar uiteindelijk is het voor iedereen nuttig. Mits je daar eens in de zoveel tijd ook echt tijd voor maakt, bijvoorbeeld met een GIO.’

(On)zin

Advocaten ervaren GIO als het zinvolst (44 procent). Intervisie volgt als tweede (34 procent), gevolgd door de combinatie van beide (20 procent). Slechts negen procent ziet peer review als een zinvolle vorm van gestructureerde feedback.

Een voorstander van intervisie schrijft: ‘Intervisie is in feite een vorm van coaching: met de groep help je een probleeminbrenger zelf diens probleem, vraag of dilemma op te lossen. Een (ervaren) intervisiebegeleider ondersteunt daarbij en creëert rand­voor­waarden (zoals vertrouwelijkheid, gelijkwaardigheid, commitment) en zorgt voor structuur én variatie met verschillende modellen.’ ‘Uiteindelijk gaat het wat mij betreft om uitwisselingen van ervaringen, zodat je van elkaar kunt leren en inzichten krijgt die je anders niet zou hebben. Of dat nog via GIO of intervisie is, maakt dan niet zoveel uit,’ aldus een advocaat die intervisie en GIO combineert.

Vraag: Welke vorm van gestructureerde feedback ervaart u als het zinvolst? (n=322)

Nardy Desloover, advocaat in Rotterdam en oud-deken, maakte deel uit van het college van afgevaardigden toen over de kwaliteits­toetsen werd besloten. Hij toonde zich destijds een warm pleitbezorger van peer review, maar bleek binnen het CvA een van de weinigen.

Het verbaast hem naar eigen zeggen niet dat peer review weinig populariteit geniet. ‘Advocaten hebben daar nou eenmaal veel reserves bij. Er was destijds al massief verzet, in mijn ogen met deels oneigenlijke argumenten. De geheim­houdings­plicht werd als troefkaart gebruikt om de verplichting tot peer review tegen te houden. Advocaten waren gewoon bang om zich te laten beoordelen. Kennelijk is dat nog steeds zo.

Reactie NOvA

‘Hoewel het onderzoek van het Advocatenblad kleinschalig is, is het goed om de ervaringen van de balie te lezen. Een groot deel van de respondenten ervaart de kwaliteits­toetsen als positief en onderkent de meerwaarde. Ook zijn er kritische geluiden, die vooral zien op de belasting ervan. Dat is in lijn met de evaluatie, die in 2022 vanuit het bureau van de NOvA is uitgevoerd. Ook daaruit kwam naar voren dat advocaten voorkeur hebben voor GIO en intervisie en minder voor peer review. Op basis van de evaluatie in 2022 is een aantal wijzigingen doorgevoerd, zoals de mogelijkheid de vorm intervisie en gestructureerd intercollegiaal overleg te mogen combineren. De NOvA blijft in gesprek met de balie over de verdere doorontwikkeling van de kwaliteits­toetsen, met oog voor zowel de inhoud als de praktische uitvoering.’

Het gemakkelijke van GIO en intervisie is dat je vrij kunt sparren met collega’s over van alles en nog wat. Maar er wordt jou niet echt de maat genomen. Er is geen sprake van een toets, waarbij wordt gekeken of je kwalitatief deugt als advocaat. Bij peer review gebeurt dat feitelijk wel.

‘In de sociale advocatuur is het al bikkelen om de boel overeind te houden. De administratieve last wordt simpelweg te groot’

In mijn ogen geeft alleen peer review de juiste invulling aan artikel 26 van de Advocatenwet. Een kneusje kan zich jarenlang verstoppen in intervisie en GIO, zonder dat hij te horen krijgt dat hij zijn werk anders en beter moet doen. Bij peer review gaat ’m dat niet lukken. Ik ben misschien belast door mijn ervaringen als deken, maar er zitten nou eenmaal minkukels in de beroeps­groep. Die ga je echt niet verbeteren door te praten over dilemma’s of over juris­prudentie van de Hoge Raad. Wel door hun werk inhoudelijk te toetsen en te koppelen aan een verbetertraject.’

Setting

Bij intervisie en GIO trekken advocaten graag op met collega’s van andere kantoren. Maar liefst 43 procent geeft aan alleen met advocaten van andere kantoren om de tafel te gaan, gevolgd door een groep van 32 procent die met advocaten van het eigen kantoor en van andere kantoren aan feedback doet. Circa zestien procent koos ‘alleen met advocaten binnen mijn kantoor’ en tien procent heeft geen voorkeur. In algemene zin geldt: hoe kleiner het kantoor, hoe sterker de voorkeur voor feedback met externe collega’s.

Intervisie, peer review & GIO

Intervisie is een gestructureerde en periodieke bespreking in een groep van advocaten onder begeleiding van een deskundige. Tijdens intervisie wordt niet ingegaan op de juridische inhoud van een dossier. Wel kunnen dilemma’s, vragen over het eigen functioneren, de praktijkvoering of praktijkuitoefening worden besproken.

Bij peer review geeft de reviewer een juridische beoordeling van ten minste vijf dossiers van een advocaat. De reviewer en de advocaat moeten binnen hetzelfde rechts­gebied werken. Ter voorbereiding op de review voert de advocaat een zelfevaluatie uit. Na afloop volgt een gesprek waarin verbeterpunten aan de orde komen.

Bij gestructureerd intercollegiaal overleg komen juridische of niet-juridische vraagstukken met betrekking tot de dagelijkse praktijkvoering ter sprake. Waar intervisie een vaste structuur kent, is GIO vormvrij. Deelnemende advocaten kunnen binnen een kantoor of in een groep advocaten van verschillende kantoren met elkaar van gedachten wisselen. Iedere advocaat brengt één of meer vragen in. Voorafgaand aan ieder overleg wordt een deelnemende advocaat als begeleider aangewezen.

De kwaliteits­toetsen voor de advocatuur zijn vastgelegd in artikel 26 Advocatenwet (dat op 1 maart 2020 in werking trad) en zijn nader uitgewerkt in artikel 4.3a en 4.3b Verordening op de advocatuur (Voda).

Artikel 26, Advocatenwet: De algemene raad is verantwoordelijk voor het uitvoeren van kwaliteits­toetsen bij advocaten. De kwaliteits­toetsen worden verricht door deskundigen die zijn aangewezen door de algemene raad.

Artikel 4.3a Voda

  1. Een advocaat is verplicht ieder kalenderjaar, en voor het eerst het kalenderjaar volgend op de onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau, deel te nemen aan kwaliteits­toetsen door:
    1. intervisie ofwel onder begeleiding van een gespreks­leider ofwel als gespreks­leider die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag; of
    2. peer review door een reviewer die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste vier uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag.

Artikel 4.3b Voda

  1. In plaats van de in artikel 4.3a, eerste lid, bedoelde verplichting kan een advocaat deelnemen aan gestructureerd intercollegiaal overleg onder begeleiding van een begeleider, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag.

Qua locatie is het eigen kantoor of dat van een collega bij de helft van alle respondenten favoriet. Ruim twintig procent geeft de voorkeur aan intervisie of GIO via een videoverbinding. Zo’n zeven procent vertoeft graag buiten de deur op een zakelijke evenementenlocatie.

Tien procent gaf het antwoord ‘anders, namelijk:’. ‘Rondje langs locaties van de deelnemers, op kantoor of thuis, soms een gehuurde locatie, soms online,’ zegt een advocaat. ‘Soms op een kantoor, soms bij iemand thuis, soms op een boot,’ aldus een ander. Ook de hei, het bos en een vakantiehuisje worden genoemd.

Top en flop

De deelnemende advocaten werden gevraagd naar de positieve aspecten van het stelsel. Ruim 220 respon­denten gaven antwoord. Advocaten noemen ‘gedwongen openheid’, ‘zelfreflectie’ en ‘het stimuleren van andere vormen van reflectie’ als pluspunten.

Daarnaast wordt het contact met collega’s van andere kantoren als waardevol gezien. ‘Even uit de eigen bubbel’, ‘goed en open contact met collega’s/​confrères’, ‘je krijgt bepaalde trends mee’ en ‘je hoort ook eens van collega’s van andere kantoren wat er speelt in het arrondissement’ worden genoemd.

Vraag: Welke locatie heeft uw voorkeur voor intervisie, GIO of peer review?

Ook zien advocaten het overleg als een uitlaatklep. ‘Het is goed om in een veilige omgeving advocatuurlijke kwesties met elkaar te kunnen bespreken, niet alleen opmerkelijke zaken, maar ook hoe je met lastige kwesties in de advocatuur omgaat. Erg nuttig,’ schrijft een deelnemer. ‘Informeel overleg met collega’s onder leiding van een “advocatenpsycholoog” lucht op en leidt soms tot nieuwe inzichten,’ aldus een ander.

Gevraagd naar eventuele verbetermogelijkheden klommen 203 respondenten in de pen. Ten aanzien van de tijdsbesteding is de feedback eensgezind: die moet omlaag. Een greep uit de antwoorden: ‘minder uren per jaar’, ‘het terugbrengen van het aantal uren van acht naar vier’, ‘minder uren intervisie verplicht stellen’, ‘acht uur is te veel’, ‘intervisie en overleg zijn goed en belangrijk maar niet acht uur per jaar’ en ‘twee keer twee uur per jaar is voldoende in plaats van acht uur totaal’.

Om een inhaalslag aan het einde van het jaar te voorkomen, stelt een advocaat voor te focussen op spreiding: ‘Twee uur per kwartaal in plaats van acht per jaar zodat er spreiding is in de bijeenkomsten in plaats van vier sessies in december.’

Op het gebied van GIO bestaat behoefte aan houvast vanuit de NOvA. Enkele reacties: ‘Het zou interessant zijn als de NOvA op de website een aantal best practices/​formats opneemt (vrijblijvend) voor intervisie en GIO, en misschien iets van een overzicht met verdiepende vragen.’ ‘Enkele voorbeeldscripts van waardevolle GIO’s zouden welkom zijn.’

Peer review in de rechts­bijstand

Aangespoord door de Commissie-Van der Meer II, die de inzet van peer review bepleit, is de Raad voor Rechtsbijstand dit voorjaar begonnen aan een pilot bij de Herstelregelingen Kinder­opvang­toeslag (HKT). De ruim 225 advocaten die actief zijn binnen de regeling moeten verplicht eenmalig deelnemen aan peer review. Elke advocaat dient vijf dossiers voor te leggen aan een geregis­treerde reviewer, zijnde een advocaat uit een ander arrondissement. De reviewer bezoekt het kantoor en ziet ter plekke de dossiers in. Een review kan de hele dag duren, waarna de reviewer zijn bevindingen deelt met de advocaat.

Peter Hanenberg, voormalig deken van de Rotterdamse orde, is binnen de Raad voor Rechts­bijstand verantwoordelijk voor de pilot. In het jaarverslag van de raad noemt hij peer review een instrument dat op een laagdrempelige manier kwaliteitsbevorderend werkt. ‘Een vakgenoot met dezelfde specialisatie als degene die gereviewd wordt, neemt een kijkje in de keuken van zijn collega en geeft onderbouwde feedback. Op die manier kan die zich aan zijn vakgenoot spiegelen.’

Er is met opzet gekozen voor de HKT, zegt Hanenberg. ‘Juist omdat dit een nieuw terrein is voor alle betrokken advocaten, is het vinden van wat in deze regeling goed werkt en wat minder goed, verbonden aan de ervaringen die door de advocaten gedeeld worden. In andere rechts­gebieden zijn de best practices er vaak al, hier ontbreken ze nog en kan peer review helpen ze te ontwikkelen.’

Aan de peer review zijn geen kosten verbonden. De advocaat krijgt vier opleidings­punten. Volgens plan wordt de pilot volgend jaar uitgebreid naar advocaten die Groningse huiseigenaren bijstaan, gedupeerd door de gaswinning.

Een aantal respondenten is kritisch zonder een alternatieve oplossing voor te stellen: ‘wat mij betreft mag het afgeschaft’, ‘stop ermee!’, ‘afschaffen die flauwekul’ of ‘in de huidige situatie kost het eenvoudig te veel tijd, in verhouding tot het beperkte nut. Een kwalitatief ondermaats presterende advocaat wordt niet (voldoende) beter door of dankzij de toets c.q. eisen’.

Andere deelnemers hebben wél ideeën voor een alternatieve inrichting. Zo schrijft een advocaat: ‘maak peer review verplicht voor alle advocaten en GIO/​intervisie facultatief.’ Een ander oppert: ‘Ik zou de kwaliteits­toetsen afschaffen, maar in de PO af en toe cursussen organiseren en eventueel periodiek verplicht stellen die betrekking hebben op de kwaliteit van de beroeps­uitoefening. Bijvoorbeeld elke twee jaar 2 PO tuchtrecht/​dilemma’s in de dagelijkse praktijk/​gespreksvaardigheden.’