van de nova

uitspraken

Van de tuchtrechter

Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Tjitske Cieremans, Maurice Mooibroek en Robert Sanders.

Dreigen met tuchtklacht

  • Hof van Discipline, 14 maart 2025, zaak nr. 240213, ECLI:​NL:​TAHVD:​2025:36.
  • Artikel 46 Advocatenwet, gedragsregel 1.
  • Advocaat kondigt weder­partij/​accountant in sommatiebrief bij niet-nakoming tuchtklacht aan.

Mr. X staat de (voormalige) huurster van een appartement bij in een geschil tegen de verhuurster, een vennootschap waarvan de echtgenoot van de (indirect) bestuurster ook registeraccountant is. Volgens de verhuurster is het gehuurde pand niet goed opgeleverd. Mr. X schrijft de bv en de accountants-bv over terugbetaling van de waarborgsom. De accountant wordt gesommeerd over te gaan tot betaling van de waarborgsom, bij gebreke waarvan mr. X een gerechtelijke procedure aankondigt en ook indiening van een klacht tegen de accountant bij de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA).

De advocaat van de verhurende bv schrijft terug dat de enige reden dat ook de accountant is aangeschreven is de kennelijke intentie om druk uit te oefenen om aan de sommatie gevolg te geven. Het dreigen met de tuchtklacht kwalificeert de advocaat als chantage en de accountant kondigt het voornemen van een tegenklacht aan indien mr. X niet bevestigt dat zij een klacht achterwege zal laten.

Mr. X geeft vervolgens aan dat haar cliënte in het kader van de huurovereen­komst voortdurend heeft gecommuniceerd met de accountant via diens e‑mailadres en dat de huurovereen­komst nota bene op het accountantskantoor is ondertekend. Ook zijn de sleutels conform instructie ingeleverd op dat kantooradres. Mr. X neemt namens haar cliënte het standpunt in dat door de accountant ook een onjuiste en misleidende factuur is verstrekt voor schilder- en herstelwerkzaamheden die niet zijn uitgevoerd.

De accountant dient daarop een klacht in tegen mr. X met het verwijt dat zij hem heeft gechanteerd door in een sommatiebrief, waarin hij ten onrechte als feitelijk bestuurder is aangemerkt, te dreigen met een tuchtklacht bij de NBA als de waarborgsom niet wordt terugbetaald.

De raad volgt klager niet in zijn betoog dat voor zover de accountant betoogt dat het een advocaat nooit is toegestaan aan te kondigen dat een tuchtklacht wordt ingediend wanneer een bepaalde gedraging of (rechts)handeling uitblijft. Uitgangspunt is dat steeds per geval zal moeten worden bezien of tucht­rechtelijk verwijtbaar is gehandeld. Volgens de raad heeft mr. X tegen de achtergrond van de in haar brief geschetste gedragingen geen tucht­rechtelijke norm overtreden met de mededeling dat zij een tuchtklacht tegen klager zou indienen. Als advocaat van de weder­partij had zij de vrijheid om dit zo op te schrijven ter behartiging van de belangen van haar cliënte. De communicatie met de cliënte verliep doorgaans via het e‑mailadres van de accountant, de betwiste factuur was door hem toegezonden en in de huurzaak is de accountant ook aangeduid als vertegen­woordiger en als directeur-groot­aandeel­houder van de bv, zodat mr. X in de gegeven omstandig­heden voldoende aanleiding had om klager in zijn hoedanigheid van bestuurder van de bv aan te spreken op zijn handelen en zij heeft door een klacht aan te kondigen de belangen van klager niet onevenredig geschaad.

In hoger beroep oordeelt het hof niet anders. Vaststaat dat de accountant, hoewel hij geen formeel bestuurder van de bv is, de belangen van de bv feitelijk behartigde en ook het aanspreekpunt was voor de huurders, in ieder geval voor de cliënte van mr. X. Hij vertegen­woordigde de bv ook in de procedure bij de kantonrechter en hij trad aldus op als feitelijk bestuurder van de bv. Hij behartigde ook de financiële zaken van de bv, inclusief de kwestie van de borgsom. De accountant heeft hierbij vanaf het kantooradres van zijn accountantskantoor gehandeld en alle communicatie verliep via (het e‑mailadres van) zijn accountantskantoor. Mr. X had voldoende aanknopings­punten om zich, namens haar cliënte, de vraag te stellen of de gang van zaken rondom de oplevering van het gehuurde en de discussie over terugbetaling van de borgsom wel zuiver verliep en om vraagtekens te plaatsen bij de factuur die klager aan haar cliënte had gestuurd. Het stond mr. X onder die omstandig­heden vrij om klager de mogelijkheid van het indienen van een tuchtklacht voor te houden.

Klacht ongegrond.

Niet onnodig grievend

  • Hof van Discipline, 11 april 2025, zaak nr. 240106, ECLI:​NL:​TAHVD:​2025:72.
  • Artikel 10a lid 1 sub e Advocatenwet, gedragsregel 7.
  • Scherpe bewoordingen in familierechtelijke procedure in dit geval functioneel en toelaatbaar.

Een man dient een klacht in tegen de advocaat van zijn ex-partner in een familie­rechtelijke procedure. Klager verwijt mr. X dat deze in een verweerschrift onjuiste en onnodig grievende opmerkingen heeft gemaakt. Onder meer schreef mr. X dat klager ‘inkomens- en vermogensgegevens opzettelijk heeft verzwegen’, wat volgens mr. X ‘moeilijk anders kan worden gekwalificeerd dan als fraude en valsheid in geschrifte’. Verder merkte mr. X op dat klager ‘gelijk een stalinorgel’ al veertien procedures tegen zijn ex-partner heeft gevoerd, en dat hij dit zou doen ‘op kosten van de belastingbetaler’ via gefinancierde rechts­bijstand waarop hij ‘geen recht had’. Verder suggereert mr. X dat klager in zijn Marokkaanse woning mogelijk ‘illegale inkomsten’ genereert (‘verhuurt hij dat? en met welke financiën heeft hij de zaak aangekocht? Met de verkoop van tweede­hands­auto’s en elektra-apparatuur via Marktplaats?’). Volgens mr. X vraagt klager reiskostenvergoeding om zijn kinderen op te halen, terwijl hij geld uitgeeft aan vakanties: ‘Waarschijnlijk heeft de man nog wat behoefte aan wat extra benzinegeld om zijn reisjes wat verder uit te breiden. Bovendien is de vliegtaks iets verhoogd (…)’. Ook meent mr. X dat klager emotionele chantage toepast richting zijn kinderen, waarbij hij verwijst naar een uitwisseling van berichten tussen de ex-partners.

De raad erkende dat het handelen van klager voor mr. X wellicht een stevige reactie van mr. X kon rechtvaardigen, maar vond dat hij in zijn taalgebruik de grenzen van het betamelijke had overschreden. De raad oordeelde dat de toon van het verweerschrift cynisch en denigrerend was, en dat er onvoldoende functionele noodzaak was om de weder­partij op die manier te typeren. De klacht werd om die reden gedeeltelijk gegrond verklaard, met een berisping tot gevolg. Hiertegen ging mr. X in beroep.

Het hof benadrukte dat advocaten ruime vrijheid hebben bij de belangenbehartiging van hun cliënten. Wel geldt in familiezaken een verdergaande verant­woordelijk­heid tot terug­houdendheid vanwege de vaak gevoelige verhoudingen en betrokkenheid van kinderen.

Het hof kon zich vervolgens niet vinden in het oordeel van de raad dat de uitlatingen onnodig grievend waren. In zijn beroepschrift had mr. X onder verwijzing naar onderliggende rechterlijke uitspraken een toelichting gegeven op verschillende passages in het verweerschrift. Naar aanleiding hiervan overwoog het hof dat alle aangehaalde passages steun vonden in uitspraken in tussen klager en de cliënte van mr. X gevoerde procedures. Mr. X erkende dat zijn toon soms wat cynisch, overdrijvend of neerbuigend was. Het hof was dat met hem eens; hij had ook andere bewoordingen kunnen gebruiken. Maar dat enkele feit is nog niet tucht­rechtelijk verwijtbaar, aldus het hof. De gekozen bewoordingen waren in dit geval niet onnodig, waren functioneel in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënte, mede gezien het tot dan toe groot aantal gevoerde procedures en de impact van die procedures op zijn cliënte. Van onnodige polarisatie door mr. X was naar oordeel van het hof dan ook geen sprake. Dat het voor klager niet prettig was om het te lezen begrijpt het hof, maar was niet toereikend voor een tucht­rechtelijk verwijt.