juridisch analyse

Geen wettelijke grondslag voor inzage in oud jeugddossier bij gerechten

Iemand die in zijn jeugd betrokken is geweest bij een jeugdbeschermingszaak heeft op grond van de bestaande wet- en regelgeving niet zonder meer recht op inzage in het eigen dossier. De wet schiet mogelijk tekort, oordeelt de Hoge Raad.

Met enige regelmaat komt de vraag aan de orde wie in welke mate toegang heeft tot procesdossiers die bij gerechten berusten.noot 1 Anderen dan procespartijen kunnen op grond van artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de beschikking krijgen over vonnissen, arresten en beschikkingen en de stukken die bij de uitspraak zijn gevoegd. Tot andere stukken uit het procesdossier hebben deze derden gelet op het bepaalde in artikel 29, derde lid, Rv geen toegang. Ook de Wet open overheid (Woo) biedt geen soelaas om de beschikking te krijgen over proces­stukken, omdat die wet niet van toepassing is op gerechten. Maar hoe zit dat met (voormalig) procespartijen, en meer in het bijzonder de betrokken jeugdige bij een afgesloten familie- en jeugdprocedure? Die vraag lag voor in een zaak die leidde tot de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 mei 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:723). De Hoge Raad beantwoordt daarin de prejudiciële vraag van de recht­bank Rotterdam of er een wettelijke basis is om de (destijds) betrokken jeugdige in civiele familie- of jeugd­procedures inzage in of afschrift van de stukken uit het dossier te verschaffen na afloop van de procedure.

De Hoge Raad schetst in de beslissing dat gerechten geregeld verzoeken ontvangen tot inzage in of afgifte van dossierstukken van (reeds lang) afgeronde civiele familie- en jeugd­procedures. Hij merkt daarbij op dat de verzoekers niet zelden de jeugdigen betreffen die, als zij meerderjarig zijn geworden, het dossier willen inzien, bijvoorbeeld voor traumaverwerking of meer in het algemeen voor het verkrijgen van informatie over het eigen verleden. A-G De Bock beantwoordt de gestelde prejudiciële vraag zeer uitvoerig in haar conclusie van 10 juli 2024 (ECLI:​NL:​PHR:​2024:750). Zij constateert dat in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen grondslag is te vinden voor het verkrijgen van een afschrift van stukken uit een in de archieven van een gerecht bewaard procesdossier, na afloop van een procedure. In andere bepalingen ziet zij, met de nodige mitsen en maren, wel mogelijkheden.

De Hoge Raad loopt in de prejudiciële beslissing, net als de A-G, alle mogelijke grondslagen langs die de recht­bank heeft genoemd in haar vraagstelling. Dat betreft allereerst artikel 290, eerste lid, Rv, waarin voor verzoek­schrift­procedures is bepaald dat de verzoeker en iedere belang­hebbende recht hebben op (kort gezegd) de proces­stukken en de op de zaak betrekking hebbende stukken. De Hoge Raad wijst erop dat, hoewel de betrokken minderjarige kwalificeert als belang­hebbende in familierechtelijke zaken, artikel 290, eerste lid, Rv slechts betrekking heeft op lopende verzoek­schrift­procedures. Datzelfde geldt voor artikel 811 Rv, dat in zaken betreffende minderjarigen, aan minderjarigen van twaalf jaar of ouder een eigen recht op inzage in en afschrift van stukken toekent. Deze bepaling moet worden gezien als een uitwerking van artikel 290 Rv, zodat ook deze bepaling alleen ziet op lopende procedures en niet op afgeronde procedures.

Artikel 29 Rv biedt geen soelaas omdat dat geen betrekking heeft op partijen en belang­hebbenden, zoals de betrokken minderjarige (zie hiervoor). Bovendien hebben derden, waaronder partijen en belang­hebbenden die niet in de procedure zijn verschenen, op grond van deze bepaling alleen recht op de vonnissen, arresten en beschikkingen en niet op de andere stukken uit het procesdossier. In het verlengde daarvan bieden ook de artikelen 194 e.v. Rv (voorheen artikel 843a Rv) geen grondslag voor de verstrekking van andere stukken uit een dossier aan derden. De Woo biedt geen soelaas, omdat die, zoals al toegelicht in de inleiding, niet van toepassing is op de gerechten (artikel 2.2, eerste lid, Woo jo. artikel 1:1, tweede lid, aanhef en sub c, Awb).

Het meest uitgebreid staat de Hoge Raad stil bij de vraag of de Algemene Verordening Gegevens­bescherming (AVG) en/​of artikel 8 EVRM een recht op toegang geven voor de betrokkene bij een afgesloten civiele familie- of jeugdprocedure.

Ten aanzien van de AVG verduidelijkt de Hoge Raad allereerst dat deze verordening, behoudens in strafzaken (artikel 2, tweede lid, aanhef en sub d, AVG), van toepassing is op de verwerking van persoons­gegevens door gerechten. De gerechten zijn daarbij de verwerkings­verantwoordelijke. De betrokkene heeft ingevolge artikel 15, eerste lid, AVG het recht om van de verwerkings­verantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoons­gegevens en, indien dit het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoons­gegevens en van de informatie zoals vermeld in artikel 15, eerste lid, sub a tot en met h, AVG. Ingevolge artikel 15, derde lid, AVG verstrekt de verwerkings­verantwoordelijke de betrokkene een kopie van de persoons­gegevens die worden verwerkt.

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat het recht van een betrokkene op een kopie van de persoons­gegevens niet zozeer het recht omvat om een kopie te krijgen van de documenten waarin de persoons­gegevens voorkomen. Het inzagerecht uit de AVG heeft tot doel betrokkene in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat de hem betreffende persoons­gegevens juist en rechtmatig worden verwerkt, met name om de betrokkene in staat te stellen in voorkomend geval zijn andere AVG-rechten uit te oefenen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het recht op rectificatie of het recht op verwijdering van de persoons­gegevens (zie de artikelen 16 en 17 AVG). Alleen in het geval het voor het kunnen controleren van de rechtmatigheid en juistheid van de persoons­gegevens onontbeerlijk is een kopie te verkrijgen van de (uittreksels uit) documenten, zal het inzagerecht zich ook tot die (uittreksels uit) documenten uitstrekken. In algemene zin is dat niet zo. Dit vergt, zoals de Hoge Raad ook overweegt, een beoordeling per concreet geval. De Hoge Raad laat overigens onvermeld dat het recht op inzage in persoons­gegevens ook niet absoluut is. Dat recht kan worden beperkt als dat nood­zakelijk is ter waarborging van andere belangen, zoals de rechten en vrijheden van anderen (zie artikel 23 AVG en artikel 41 Uitvoeringswet AVG). Ook dat vergt per geval een afweging of de beperking een nood­zakelijke en evenredige maatregel is.

Met betrekking tot artikel 8 EVRM overweegt de Hoge Raad allereerst dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat een persoon die als kind (gedeeltelijk) is opgegroeid in pleegzorg een essentieel belang (vital interest) heeft om de informatie van overheids­instanties te verkrijgen die nood­zakelijk is om zijn of haar kindertijd en vroege ontwikkeling te kennen en te begrijpen. Op lidstaten rust een positieve verplichting om te voorzien in een effectieve en toegankelijke procedure waarmee toegang kan worden verkregen tot alle relevante en passende informatie die voor dat doel nodig is. In dit verband komt lidstaten een margin of appreciation toe. Hierbij moet het belang van de betrokkene bij het verkrijgen van deze informatie worden afgewogen tegen andere belangen, zoals het belang van vertrouwelijkheid van dossiers, gelet op de bescherming van de belangen van derden. Een procedure waarin informatie alleen toegankelijk is als de bij die informatie betrokken derden hiermee hebben ingestemd, is verenigbaar met artikel 8 EVRM, zolang er een onafhankelijke autoriteit bestaat die uiteindelijk beslist over de verzochte verstrekking.

De Hoge Raad wijst er vervolgens op dat personen die onder toezicht dan wel onder voogdij hebben gestaan, zoals de betrokkene in deze zaak bij de recht­bank Rotterdam, van een gecertificeerde instelling op grond van artikel 7.3.10 Jeugdwet toegang hebben tot een procedure om inzage in en afschrift te krijgen van (stukken uit) het dossier waarover de instelling beschikt. Daarmee is in beginsel in een effectieve en toegankelijke procedure voorzien, als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM. Tegelijkertijd is niet verzekerd dat de betrokkene via die procedure steeds alle relevante en passende informatie zal kunnen verkrijgen. De Hoge Raad wijst in dat verband op 1) het ontbreken van een specifieke wettelijke procedure om inzage in of afschrift van (stukken uit) dossiers van de Raad voor de Kinder­bescherming te verkrijgen en 2) het ontbreken van een wettelijke grondslag in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor stukken uit dossiers van afgesloten civiele procedures, terwijl artikel 15 AVG niet in het algemeen aanspraak geeft op verstrekking van (stukken uit) dergelijke dossiers.

Conclusie

De Hoge Raad concludeert op grond van het voorgaande dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor gerechten om inzage te geven in of afschriften te verstrekken van stukken uit procesdossiers van afgesloten civiele procedures, waaronder jeugd­beschermings­zaken. Indien een betrokkene niet via een gecertificeerde instelling alle relevante en passende informatie zou kunnen verkrijgen met betrekking tot getroffen kinder­beschermings­maat­regelen, zou dit een schending kunnen opleveren van de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichting van de Staat. Hij kwalificeert dit als een mogelijk rechtstekort dat gelet op de in dat verband te maken keuzes aan de wetgever is om zo nodig op te lossen.

Nina Bontje (advocaat-partner bestuurs­recht en privacyrecht) en Ingrid Hasker (support lawyer) zijn verbonden aan Pels Rijcken in Den Haag.

Noten

  1. Zie bijvoorbeeld R. van Gestel & J. van Mourik, ‘Openbaarheid van de rechtspleging: wat gaat goed en wat kan beter? Verslag van de najaarsvergadering 2023 van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht’, TCR 2024/​1.