juridisch kronieken
Kroniek
Tuchtrecht
Deze Kroniek behandelt de uitspraken van de tuchtrechter uit de periode maart 2024 tot april 2025 op het gebied van het materieel tuchtrecht of het tuchtprocesrecht die interessant, nuttig of illustratief zijn voor de praktijk.
Verhouding met de cliënt
Zorgplicht: bijstand aan minderjarige
De zorgplicht van de advocaat ziet op de (rechts)positie van de eigen cliënt. In het geval van een minderjarige cliënt kan ook een van de ouders een klacht indienen over de belangenbehartiging van het kind. De moeder van een minderjarige dochter, die uit huis geplaatst was, en zonder toestemming van de ouders door een advocaat werd bijgestaan, heeft een rechtstreeks eigen belang bij haar klacht. Het gaat immers over de dienstverlening aan de minderjarige dochter van klaagster en klaagster heeft het gezag over haar dochter.
Van een advocaat die een minderjarige bijstaat in een kwestie waarin diens belangen tegenstrijdig zijn aan die van een of beide ouders, komt minder vrijheid toe met betrekking tot de wijze waarop hij of zij een zaak behandelt en tot de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan dan in het algemeen het geval is. Die bijstand vergt extra zorgvuldigheid jegens alle betrokken familieleden en bewustzijn van de wettelijke beperkingen. De advocaat dient zich van de kwetsbare positie van de minderjarige bewust te zijn en te waken voor onnodige polarisatie tussen kind en ouder(s) en tussen de ouders onderling. Een zekere terughoudendheid en een uiterste zorgvuldigheid mogen van de advocaat worden verwacht bij de behartiging van het belang van een minderjarige (HvD 17 mei 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:140).
Zorgplicht: vastleggen afspraken
Het is de taak van een advocaat de cliënt voorafgaand aan een procedure gedegen voorlichting te geven over de aanpak en inhoud van de zaak. De advocaat moet zich er bovendien van vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen aanpak en procedure voldoende overziet. De tuchtrechter rekent erop dat een advocaat zich niet te passief opstelt en regie neemt, zoals de advocaat die voor zijn cliënt optrad bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst. Deze advocaat diende een dag voor de zitting een verweerschrift in, zonder dat het aan de cliënt ter goedkeuring was voorgelegd. Niet kon worden vastgesteld dat de advocaat met de cliënt duidelijk heeft gecommuniceerd over de termijn waarop de zaak zou worden behandeld bij de rechtbank en wanneer het verweer moest zijn ingediend. Evenmin is gesproken over een te voeren strategie of over (het verloop van) de mondelinge behandeling. Het had op de weg van de advocaat gelegen om met klager af te spreken welke informatie klager op welke termijn bij de advocaat moest hebben ingediend ten behoeve van het verweer, zowel op schrift als ter zitting (HvD 12 juli 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:201).
Het schriftelijk vastleggen van belangrijke afspraken, zoals het al dan niet instellen van hoger beroep, is in zijn algemeenheid onderdeel van die zorgvuldigheid. Om tijdig een rechtsmiddel te kunnen instellen, is de opdracht of instemming van de cliënt uiteraard noodzakelijk. Na de uitspraak in eerste aanleg in een strafzaak slaagde mr. X er niet in om zijn cliënt telefonisch te bereiken over het instellen van appel.
Toen klager terugbelde, was de appeltermijn al verstreken. Het alsnog ingestelde hoger beroep werd door het gerechtshof niet-ontvankelijk verklaard.

Klager voert aan dat hij mr. X meteen na de zitting wel opdracht heeft gegeven om hoger beroep in te stellen. De advocaat stelt dat hij klager meteen na de zitting heeft afgeraden om hoger beroep in te stellen, waarop klager boos het gerechtsgebouw zou zijn uitgelopen. Volgens het hof had mr. X klager moeten vragen om een duidelijke instructie met betrekking tot het al dan niet instellen van hoger beroep, dan wel had hij bij het ontbreken van een zodanige instructie aan klager moeten bevestigen dat hij geen hoger beroep zou instellen als hij daartoe van klager binnen de appeltermijn geen instructie zou hebben gekregen. En verweerder had dit schriftelijk moeten vastleggen.
De vier vruchteloze belpogingen acht het hof in dit verband niet toereikend. Mr. X beschikte over klagers postadres en er was dus geen beletsel om hem aan te schrijven. Dat klager zijn post niet (vaak) ophaalt, is een omstandigheid die weliswaar voor klagers risico komt, maar doet niet af aan de verantwoordelijkheid van mr. X om belangrijke zaken schriftelijk te bevestigen. Anders dan de raad oordeelt het hof dat het in zijn algemeenheid niet aangewezen is om zonder daartoe strekkende opdracht (‘voor de zekerheid’) een rechtsmiddel voor een cliënt in te stellen (HvD 27 september 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:250).
Deskundigheid
Om de cliënt met voldoende deskundigheid te kunnen bijstaan, is zelfinzicht van groot belang. In een ondernemingsrechtelijke kwestie zei mr. X bij het aannemen van de zaak tegen zijn cliënt dat dat rechtsgebied voor hem geen ‘gesneden koek’ was. Mr. X heeft toegelicht dat hij extra studietijd zou moeten besteden aan het dossier. Zo nodig zou hij de cliënt aangeven op zoek te gaan naar een ondernemingsrechtspecialist. Na een gerezen vertrouwensbreuk werd mr. X een gebrek aan relevante kennis verweten. Anders dan de raad heeft geoordeeld, volgt volgens het hof uit de mededelingen aan de cliënt dat mr. X zich vooraf uitdrukkelijk heeft afgevraagd of hij deze zaak moest aannemen. Het spreekt daarbij juist voor mr. X dat hij zijn overwegingen heeft vastgelegd in zijn communicatie met klager. Niet gebleken is dat de zaak van klager feitelijk of juridisch zodanig complex was dat verweerder deze zaak, gelet op zijn kennis en ervaring, niet had mogen aannemen. Dat een advocaat zich moet verdiepen in een specifiek rechtsgebied of een specifieke rechtsvraag en daarom zijn reeds aanwezige kennis moet aanvullen, is niet een voldoende indicatie dat de vereiste deskundigheid ontbreekt. Verweerder heeft in dit verband uiteengezet dat hij zijn kennis heeft aangevuld met de kennis van zijn kantoorgenoot en dat hij heeft gebruikgemaakt van literatuur, digitale naslagwerken, jurisprudentie en cursusmateriaal. De conclusie dat verweerder de zaak niet had mogen aannemen vanwege onvoldoende deskundigheid is daarom niet gerechtvaardigd. Ondanks zijn bezwaren tegen de door mr. X voorgestelde aanpak is klager er toch op blijven aandringen de bijstand voort te zetten. Die opstelling van klager verhoudt zich eveneens slecht tot zijn stellingname dat mr. X onvoldoende deskundig zou zijn. Hoewel duidelijk is dat op meerdere momenten sprake is geweest van moeizame communicatie kan dit naar het oordeel van het hof niet worden toegeschreven aan gebrekkige deskundigheid van mr. X (HvD 13 mei 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:135).
Een advocaat wordt als jurist wel geacht binnen de grenzen van zijn deskundigheid te blijven. In een letselschadezaak concludeerde de advocaat dat er door het ziekenhuis geen fouten waren gemaakt bij het stellen van de diagnose. Nade dossiers van de huisarts en de zorginstelling te hebben doorgenomen, alsmede strafrechtelijke aangiftes van klager tegen derden, kwam hij tot de slotsom dat het geen zin had om het ziekenhuis te verzoeken de diagnose uit het medisch dossier te verwijderen. Als ervaren letselschadeadvocaat meende hij dat hij in staat was deze inschatting te maken. Het hof oordeelde hierover dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat, geconfronteerd met de vraag of een medische diagnose al dan niet klopt, mag worden verwacht dat hij een medisch deskundige het dossier laat beoordelen voordat aan de cliënt wordt medegedeeld dat het geen zin heeft juridische actie te nemen om de verkeerde diagnose te laten schrappen, tenzij de advocaat met zijn cliënt anders overeenkomt. De advocaat mocht dus niet alleen vertrouwen op zijn eigen professionele oordeelsvorming. Nu hij dit wel heeft gedaan, heeft hij niet gehandeld conform de professionele standaard die geldt binnen de beroepsgroep. Omdat de klacht raakt aan de kernwaarde deskundigheid ontving hij een berisping (HvD 26 augustus 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:228).
Belangenverstrengeling en onafhankelijkheid
Een te innige (zakelijke) band met de cliënt levert in de praktijk meestal tuchtrechtelijke problemen op. Dat ondervond mr. X, die met cliënten een samenwerking was aangegaan en een aandeelhoudersovereenkomst had opgesteld, waarbij hij zelf (indirect) partij was en (financiële) belangen had. Mr. X verstrekte daarbij een financiering aan een nieuw opgerichte vennootschap, die hij eveneens als cliënt bijstond. Er werd ook nog eens overeengekomen dat mr. X maandelijks € 3.000 mocht declareren, ongeacht de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden.
Deze zakelijke afspraken vonden geen genade in de ogen van de tuchtrechter. Door zich ten opzichte van een cliënt in de positie van schuldeiser te plaatsen, wordt de vereiste onafhankelijkheid van de advocaat aangetast. Het effect van een dergelijke belangenverstrengeling wordt nog versterkt als de advocaat ook nog eens participeert in de onderneming van de cliënt, zoals mr. X heeft gedaan. Daarmee handelde hij in strijd met de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit door als advocaat van betrokken partijen een aandeelhoudersovereenkomst op te stellen, terwijl hij zelf (indirect) partij was bij die overeenkomst en derhalve (financiële) belangen had bij de inhoud en strekking van (de bepalingen van) die aandeelhoudersovereenkomst. Daarbij is niet relevant van welke partij het initiatief is uitgegaan dan wel of mr. X de lening privé of via zijn advocatenpraktijk aan klagers heeft verstrekt. Mr. X had zelfstandig de afweging moeten maken of het hem in verband met de kernwaarden vrijstond om te participeren in het bedrijf van zijn cliënt en als advocaat voor die cliënt te blijven optreden en de aandeelhoudersovereenkomst op te stellen. Het enkele feit dat er tussen mr. X en klagers een (aandeelhouders)geschil is ontstaan, bevestigt de ontstane belangenverstrengeling en de afwezigheid van een onafhankelijke positie van verweerder als advocaat in deze situatie. Het levert hem een onvoorwaardelijke schorsing van zes weken op (HvD 9 augustus 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:214).
Een andere advocaat stelde voor om zich, in verband met de grote overlap van zijn werkzaamheden voor zijn cliënt in privézaken en in diens vennootschappen, tot statutair bestuurder te laten benoemen van twee vennootschappen; mede om zo een sterkere positie te hebben dan als advocaat tegenover een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder.
Die benoeming bracht de advocaat volgens het hof in een positie waarin hij met naar hun aard onverenigbare belangen werd geconfronteerd, althans kon worden geconfronteerd. Als bestuurder van vennootschappen diende hij zich namelijk uitsluitend te richten naar het belang van die vennootschappen; als advocaat van klager diende hij uitsluitend de belangen van klager te dienen. Die belangen lopen niet per definitie parallel. Daarbij werden de honorariumafspraken onvoldoende schriftelijk vastgelegd. Volgens het hof kan een advocaat in beginsel volstaan met de eenzijdige vastlegging van de gemaakte financiële afspraken door deze aan de cliënt schriftelijk te bevestigen. Een schriftelijke akkoordverklaring van de cliënt is in beginsel niet vereist. Maar onder de bijzondere omstandigheden van deze zaak had de advocaat niet met een eenzijdige vastlegging ervan mogen volstaan (HvD 31 mei 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:148).
Optreden tegen voormalig cliënt?
Als uitgangspunt van gedragsregel 15 geldt dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden tegen een voormalige cliënt van hem of van een kantoorgenoot. De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. In een zaak waarin klager al jaren was gedetineerd in de Verenigde Staten kwam de vraag aan de orde of mr. X zich schuldig had gemaakt aan belangenverstrengeling. De vaste advocaat van klager had jaren geleden contact gehad over de zaak. Enkele jaren later heeft mr. X aan het ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa) een advies uitgebracht over klagers zaak. Hoewel omtrent de werkzaamheden van mr. X er destijds geen formele opdrachtrelatie tussen hem en klager heeft bestaan, en mr. X niet als advocaat voor klager heeft opgetreden, kan in de gegeven omstandigheden wel worden vastgesteld dat sprake was van een hieraan gelijk te stellen situatie. De contacten tussen mr. X en de advocaat van klager zijn immers van een zodanig inhoudelijke aard geweest dat deze gelijk te stellen zijn met de situatie dat er wel een advocaat-cliëntrelatie tot stand zou zijn gekomen tussen klager en mr. X. Tussen mr. X en BuZa bestond in elk geval een advocaat-cliëntrelatie. Trad mr. X nu met zijn advisering aan BuZa tegen een cliënt of een voormalig cliënt op? Volgens het hof niet: klager en BuZa hadden van aanvang af hetzelfde, gemeenschappelijke belang. Mr. X heeft immers zowel klager als BuZa geadviseerd over in de kern hetzelfde onderwerp en met hetzelfde doel, te weten de vraag hoe de overdracht van klager aan Nederland kon worden bereikt.
Niet is in geschil dat er telkens werd gekoerst op het terug naar Nederland halen van klager. Daarmee heeft klager onvoldoende aannemelijk gemaakt dat mr. X ‘tegen’ een voormalig cliënt heeft opgetreden (HvD 27 september 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:249).
Partijdigheid
De kernwaarde partijdigheid kan een advocaat er in zekere mate tegen beschermen een intermediair te worden tussen partijen, indien de wederpartij blijft weigeren zelf ook een advocaat in de arm te nemen en de eigen cliënt niet met de wederpartij wil spreken. Dat was het geval bij een klacht over obstructie bij de voortgang van het opstellen van een ouderschapsplan. Anders dan de raad oordeelt het hof dat de advocaat zich met haar handelwijze niet te star heeft opgesteld en als familierechtadvocaat niet gehouden was om als buffer tussen de echtelieden te fungeren. In het kader van de partijdigheid van de advocaat was het niet haar taak om als zodanig tussen haar cliënte en klager op te treden. Ook kan niet worden verwacht dat zij zelf – zonder toestemming van haar eigen cliënte, die cliënte expliciet niet gaf – met klager zou bellen, dan wel een gesprek zonder aanwezigheid van haar cliënte met hem zou voeren. Zelfs als daar wel toestemming van de cliënt voor zou zijn, is het een eigen afweging van de advocaat om hier al dan niet toe over te gaan. De advocaat heeft de verplichting om zo veel mogelijk op zoek te gaan naar een buitengerechtelijke oplossing, omdat een regeling in der minne veelal de voorkeur verdient boven een proces. Dit neemt echter niet weg dat de advocaat partijdig is en blijft. Het zoeken naar een buitengerechtelijke oplossing gaat niet zover dat de advocaat moet functioneren als buffer tussen partijen. De partijdigheid van de advocaat komt op de eerste plaats (HvD 6 september 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:241).
Wederpartij/fair play
Grievende uitlatingen
Een telkens terugkerende klacht: grievende, of beter: onnodig grievende uitlatingen. Afgelopen tuchtjaar ging het in de volgende zaken mis.
Mr. X maakt in een procedure over het gezag over een kind gebruik van een verklaring van een psycholoog, welke verklaring door het medisch tuchtcollege als onprofessioneel en onzorgvuldig werd beoordeeld. Dat is onnodig grievend voor de ouder die in de verklaring wordt aangevallen, en bovendien escalerend, waar de-escalatie het devies is in familiezaken. Het resulteert in een waarschuwing (HvD 14 april 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:109).

Ook onnodig grievend is de advocaat die de wederpartijen en hun gemachtigde beschuldigt van het verkondigen van onwaarheden, althans halve waarheden, het onvolledig informeren van iedereen en (dus) ook het Kifid, en van het plegen van valsheid in geschrifte, smaad en laster. En dat alles omdat, zo blijkt tijdens een zitting bij het Kifid, de wederpartijen en hun gemachtigde de verkeerde rechtspersoon hebben aangesproken en gevreesd wordt voor reputatieschade bij die rechtspersoon. De raad acht het buiten proportie. Het hof beperkt weliswaar het aantal belanghebbende klagers, maar voegt er de kwalificaties ‘ongepast’ en ‘buitensporig’ aan toe. Vanwege een tweede klacht die het hof alsnog ongegrond verklaart, matigt het hof de maatregel van de raad van berisping naar waarschuwing (HvD 13 december 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:288).
In een burenruzie over een erfgrens stelt de advocaat van een van de buren in de processtukken dat buurman/klager derden voorliegt. Ook legt zij zonder verdere toelichting een aangifte van haar cliënten tegen de buurman inzake vernieling over. Dat gaat de raad te ver. Een advocaat mag best de emoties van haar cliënten overbrengen, maar dient dat in zakelijke bewoordingen te doen. In dit geval is de gebruikte bewoording onnodig kwetsend. Het dient geen redelijk belang. En de overgelegde aangifte is niet relevant om het standpunt van haar achterban over het voetlicht te brengen. Dit klachtonderdeel is gegrond en levert tezamen met een ander klachtonderdeel de maatregel van waarschuwing op (RvD Amsterdam 14 april 2025, ECLI:NL:TADRAMS:2025:71).
De advocaat die tot driemaal toe in opdracht van zijn cliënt geld overmaakt naar een website die daarmee publiekelijk de goede naam en reputatie van klaagster zwartmaakt, gaat de fout in als hij bij de derde maal weet of moet weten waar het geld voor gebruikt gaat worden. Hij had beter onderzoek moeten doen naar de beweringen van zijn eigen cliënt. Het gaat dan weliswaar niet om uitlatingen van de advocaat zelf, maar hij geeft wel gelegenheid om negatieve uitlatingen over klaagster, de ex-partner van zijn cliënt, te (doen) publiceren. Daarmee handelt hij niet onafhankelijk genoeg en ook niet financieel integer. Het leidt tot een schorsing: vier weken onvoorwaardelijk en 22 weken voorwaardelijk (HvD 17 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:13).
Belangenschendingen: nakomen afspraken met wederpartij
Een advocaat die een geldbedrag ter opheffing van een beslag onder bepaalde voorwaarden op zijn derdengeldenrekening als depot laat secureren, moet zich wel aan die voorwaarden houden als het geldbedrag op basis daarvan wordt opgevraagd. In deze zaak houdt de advocaat op verzoek van zijn cliënt na uitbetaling van een gedeelte van het depot (namelijk de hoofdsom en de kosten) het restant achter omdat het vonnis in de zaak waar het om draait nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Maar dat is niet afgesproken: het geld of het restant moet (ook) teruggestort worden zodra er een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis voorhanden is, zo luidt de afspraak. Dat er nog hoger beroep mogelijk is, sterker nog, in de media al hoger beroep is aangekondigd door de wederpartij, doet daar niet aan af. Dan had de afspraak maar anders ingericht moeten worden. Het niet-nakomen van de afspraak schendt het vertrouwen in de advocatuur en is in strijd met de kernwaarde integriteit, wat de advocaat op de maatregel van berisping komt te staan (HvD 5 april 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:97).
Belangenschendingen: oneigenlijke druk op wederpartij
De advocaat van een cliënt die in hoger beroep alsnog ongelijk krijgt, zet de wederpartij flink onder druk om te bewerkstelligen dat zijn cliënt de geïncasseerde proceskosten van de (gewonnen) eerste instantie niet behoeft terug te betalen. Hij stelt als voorwaarde voor betaling van de proceskosten in hoger beroep de eis dat de wederpartij afziet van incasso van de proceskosten van de eerste instantie. Mocht het tot een incassoprocedure komen, dan zal de advocaat een volledige proceskostenveroordeling vragen (met een uurtarief van EUR 350 ex btw en verschotten), aldus deze advocaat. Zowel raad als hof maakt er korte metten mee. Dat de proceskosten van de eerste instantie niet behoeven te worden gerestitueerd, is een onpleitbaar standpunt. De manier waarop dit onpleitbare standpunt kracht wordt bijgezet door een onhoudbare tegenvordering in het vooruitzicht te stellen, is onbetamelijk. De gerechtvaardigde belangen van de wederpartij, betaling van de proceskosten van het hoger beroep en restitutie van de betaalde proceskosten van de eerste instantie, zijn onnodig geschaad. Het levert de maatregel van berisping op (HvD 2 augustus 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:233).
Belangenschendingen: escalatie, confrontatie en (excessieve) declaratie
Dit keer eens geen familiekwestie waarin escalatie aan de orde wordt gesteld, maar een kwestie tussen een or en een werkgever over het toepasselijk verklaren van een cao. De or zoekt bijstand van mr. X en deze gaat voor de or naar de bedrijfscommissie voor een spoedverzoek bemiddeling. De werkgever maakt van meet af aan bezwaar tegen inschakeling van mr. X en weigert zijn kosten te vergoeden. Na de bemiddeling bevestigt de bedrijfscommissie, kortweg, dat de werkgever verplicht is de cao toe te passen en de or geen rol heeft. De werkgever dient een klacht in tegen mr. X met de volgende bezwaren. Direct na de zitting bij de bedrijfscommissie dringt mr. X aan op betaling, door de werkgever, van zijn declaraties en dringt zich daarbij dwingend en intimiderend op aan de bestuurder van de werkgever, slaat een deur dicht en raakt daarbij de arm van de bestuurder. Zelfs or-leden zeggen dan dat mr. X te ver gaat. Raad en hof vinden dat ook en verwijten mr. X een gebrek aan professionele distantie. Hij mag ook niet de fysieke confrontatie opzoeken. Daarbij komt dat mr. X voor adviezen aan de or in een periode van drie maanden ruim EUR 63.000 (uurtarief EUR 330) declareert aan de werkgever, terwijl hij wist dat de werkgever bezwaar maakte tegen zijn inschakeling en zijn uurtarief. Mr. X heeft zich klaarblijkelijk niet laten leiden door een zekere mate van redelijkheid, zo vindt het hof. Het leidt tot een berisping (HvD 2 augustus 2008, ECLI:NL:TAHVD:2024:217).
Belangenschendingen: geheimhoudingsclausule geschonden jegens wederpartij
In een vaststellingsovereenkomst tussen twee partijen is een geheimhoudingsclausule opgenomen. De advocaat van een van de partijen bij de VSO procedeert namens die partij tegen een derde en legt in die procedure de VSO over. De oorspronkelijke wederpartij bij de VSO maakt bezwaar, althans zegt dat hij zich vrij acht om nu ook zelf de VSO te openbaren en dient een klacht in tegen de advocaat. Die treft doel. De advocaat kent de geheimhoudingsclausule en weet dat zijn cliënt daaraan gebonden was. Er is geen rechtvaardigende noodzaak voor overlegging van de VSO in de procedure tegen de derde. Het feit dat de advocaat alleen de procesadvocaat is en zijn kantoorgenoten de feitelijk advocaten in de procedure maakt dat niet anders: dat hij er niet van wist, acht het hof niet geloofwaardig en in elk geval wist de advocaat ervan nadat hij een brief met bezwaren van de wederpartij/klager had ontvangen. Het leidt tot de maatregel van berisping, ook omdat de advocaat in de verschillende fases van de tuchtprocedure wisselende standpunten innam (HvD 14 februari 2024, ECLI:NL:TAHVD:2025:29).
Belangenschendingen: verwerking gegevens wederpartij
Deze aangeklaagde advocaten maken gebruik van het BaseNet CRM-systeem van hun kantoor. In een in 2015 behandelde zaak zijn gegevens van klager, waaronder zijn e‑mailadres, in BaseNet geregistreerd door advocaat A. De zaak eindigt in 2019. In 2023 begint een andere kwestie te spelen tegen klager waarin een kantoorgenoot, advocaat B., klager aanschrijft op het e‑mailadres dat in BaseNet geregistreerd staat. Klager acht zijn privacy geschonden. Hij verwijt de advocaten dat zij zijn gegevens wederrechtelijk ter beschikking stellen respectievelijk gebruiken. De voorzitter van de raad acht het niet onbetamelijk om privégegevens zoals een e‑mailadres te verwerken in een kantoor-(CRM-)systeem. Niet gebleken is dat klager toen of later bezwaar had. En advocaat B had het e‑mailadres ook van haar cliënten kunnen krijgen. De klachten tegen beide advocaten zijn kennelijk ongegrond, aldus de voorzitter (voorzitter RvD Arnhem-Leeuwarden 13 mei 2024, ECLI:NL:TADRARL:2024:131 en ECLI:NL:TADRARL:2024:132).
Fair play in procedure
Mr. X staat een cliënt bij die in meerdere procedures met een wederpartij verwikkeld is. Op basis van een vonnis in een van die kwesties laat de advocaat executoriaal beslag leggen op aandelen in een vennootschap. Intussen wordt hoger beroep ingesteld en beslist de rechtbank in een executiegeschil dat de aandelen binnen een jaar verkocht moeten worden, met de mogelijkheid om termijnverlenging te verzoeken. Die verlenging wordt gevraagd, maar de advocaat van de beslaglegger stuurt dat verzoek niet aan de beslagene. Die verkoopt na verloop van het eerste jaar van het beslag de aandelen aan zijn dochter en klaagt vervolgens dat de advocaat geen afschrift van het verzoek aan hem heeft gestuurd. De raad oordeelt dat dat niet netjes is van de advocaat van de beslaglegger, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, omdat de klager voordat hij tot verkoop overging alsnog een afschrift van het verzoek om verlenging had ontvangen. Klager wist er dus tijdig van en ondervond geen nadeel van de nalatigheid van de advocaat van de beslaglegger. Het hof is het daarmee eens. De klacht blijft ongegrond (HvD 26 april 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:121).
De advocaat die in een bestuursrechtelijke procedure een verweerschrift indient en dat niet gelijktijdig aan de wederpartij stuurt, handelt niet klachtwaardig. Het is immers de bestuursrechter die de regie over de wisseling van processtukken voert en niet de advocaat. Dat de bestuursrechter het ingediende verweerschrift pas na zes weken aan de wederpartij verstrekte, kon de advocaat niet weten en hij behoefde daar geen rekening mee te houden (HvD 17 maart 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:43).
De advocaat die een tandartspraktijk bijstaat die een van haar tandartsen op staande voet heeft ontslagen en melding heeft gedaan bij de inspectie, weigert stukken te verstrekken waar de ontslagen tandarts om vraagt. Volgens de advocaat van de tandarts wordt zijn cliënt benadeeld doordat hij niet over een volledig dossier kan beschikken. Volgens de raad en het hof mag de advocaat van de tandartspraktijk weigeren. De stukken zijn niet zíjn stukken maar die van zijn cliënt. Over het belang van overlegging ervan was bovendien al door de civiele rechter beslist en die had niet bevolen om de stukken af te geven. Het hof bevestigt dit standpunt en bekrachtigt de ongegrondverklaring (HvD 19 april 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:113).
Informatie achterhouden in een civiele procedure waarvan je als advocaat weet of moet weten dat die relevant is, kan niet door de beugel. De advocaat die namens zijn cliënt, de koper van een woning, een tuchtprocedure voert tegen de aankoopmakelaar omdat de oppervlakte van de woning niet bleek te kloppen, en ongelijk krijgt omdat zijn cliënt dat voor de aankoop al wist, mag dat laatste feit niet achterhouden wanneer hij in een civiele procedure de verkoopmakelaar aanspreekt. Ondanks de voorafgaande waarschuwing van de advocaat van de verkoopmakelaar aan het adres van de advocaat van koper als reactie op de uitgebrachte dagvaarding wordt de procedure doorgezet. Het oordeel van de raad is dat de advocaat bewust een onjuiste en onvolledige voorstelling van zaken geeft in de procedure. Het hof meent dat de advocaat, na nog eens gewezen te zijn geweest op de onhoudbaarheid van de stellingen in de dagvaarding, onvoldoende afstand bewaart tot zijn cliënt, te weinig kritisch is en wegens de schending van de kernwaarde onafhankelijkheid een berisping verdient (HvD 13 december 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:290).
De omgang met getuigen is de afgelopen jaren meerdere malen in deze Kroniek aan de orde geweest. De advocaat die na ontvangst van een conceptdagvaarding een van de daarin opgegeven getuigen benadert, gaat de fout in. Dat komt omdat hij de getuige vraagt om een schriftelijke verklaring en die verklaring in feite dicteert, onder aanmoediging van het dreigement dat hij de politie kan bevelen de getuige op te halen en hem maximaal een jaar te laten gijzelen als hij de schriftelijke verklaring weigert. En dan betrof het ook nog eens een minderjarige getuige. De advocaat werd door de raad berispt en het hof bevestigt dat (HvD 1 juli 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:196).

Rechtstreeks benaderen wederpartij, gedragsregel 25
Een wederpartij die door een advocaat wordt bijgestaan, mag niet rechtstreeks benaderd worden tenzij het gaat om het (noodzakelijk) bewerkstelligen van een rechtsgevolg. Die regel geldt ook als de CEO van de wederpartij in de cc van een e‑mail wordt gezet, aldus raad en hof. Dat mag dus niet. Het gaat in deze zaak om een aansprakelijkstelling en een verzoek om tot een regeling te komen. Dat bericht kan ook alleen aan de advocaten van de wederpartij worden gezonden. Aangezien de advocaat-afzender recidivist is en deze cc-benadering in het verleden ook al eerder had gebruikt (en daarvoor tuchtrechtelijk was veroordeeld), verhoogt het hof de maatregel van de raad (berisping) naar een voorwaardelijk schorsing van twee weken (HvD 8 juli 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:185).
Belangenconflicten (op klachten wederpartijen/derden)
Zaken over belangenconflicten waren er weer volop in dit Kroniekjaar. Twee kantoorgenoten krijgen ieder een eigen klacht van een oud-cliënt van een van beiden. Mr. A heeft op zijn vorige kantoor een distributieovereenkomst opgesteld voor twee partijen. Een van die partijen is dan al vaste cliënt. In de opdrachtovereenkomst nam mr. A op dat hij in geval van een later geschil voor geen van beide partijen kan optreden. Dat geschil komt er, en mr. A zit inmiddels op een ander kantoor. Daar gaat zijn kantoorgenoot mr. B optreden voor die vaste cliënt die mr. A gevolgd is naar zijn nieuwe kantoor, op verwijzing van mr. A die zegt dat het hem niet vrijstaat. De wederpartij, een van de partijen bij de distributieovereenkomst, klaagt tegen mrs. A en B. Zij beroept zich op de indertijd toegezonden overeenkomst van opdracht waarin staat dat mr. A in een geschil niet zal optreden. Geldt dat ook in de omgeving van het nieuwe kantoor van mr. A, en ook voor mr. B? Raad en hof vinden van wel. Een belangenconflict hangt in de lucht. Mr. B is tuchtrechtelijk gebonden aan de afspraken die zijn (nieuwe) kantoorgenoot ooit op zijn oude kantoor had gemaakt en die hij kent. Mr. A had naar een advocaat buiten zijn (nieuwe) kantoor moeten verwijzen. Hij had moeten weten dat het ook zijn kantoorgenoot niet vrijstond op te treden tegen de bij de distributieovereenkomst betrokken partij (HvD 12 april 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:104 en ECLI:NL:TAHVD:2024:105).
Geen belangenconflict is er in de zaak waarin de advocaat optreedt voor een cv, maar de stille vennoot daar niet over informeert. Die stille vennoot heeft een groot belang en is goed op de hoogte van de feiten van de kwestie, maar daar wordt dus niets mee gedaan. De stille vennoot klaagt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn belang en dat de zaak voor de cv onzorgvuldig behandeld is. De raad volgt de stille vennoot. De raad haalt het Lexence-arrest aannoot 1 en ontwaart een (potentieel) tegenstrijdig belang tussen de cv en de stille vennoot. De advocaat heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de cv én van de stille vennoot. Het hof oordeelt anders. Dat ziet geen tegenstrijdige belangen voor de kwestie waarin de advocaat optreedt. De Lexence-situatie doet zich dus niet voor. Er mogen dan misschien andere tegengestelde belangen zijn tussen de cv en de stille vennoot, maar in deze kwestie zijn die er niet. De klacht wordt alsnog ongegrond verklaard (HvD 3 juni 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:158).
Evenmin is er een belangenconflict in de kwestie waarin de advocaat optreedt voor een stichting in opdracht van de voorzitter van de stichting. Klager is statutair bestuurder-directeur van de stichting en stelt dat de voorzitter niet zelfstandig bevoegd is. Over het bevoegd bestuur was ook al een kort geding gevoerd waarbij de voorzieningenrechter het bestuur van de stichting voorlopig in handen had gelegd van de voorzitter. De raad meent dat er geen tuchtrechtelijke bezwaren zijn. Er is geen sprake van evident onrechtmatige vertegenwoordiging door de voorzitter, zodat de advocaat van deze voorzitter de instructies namens de stichting mocht aannemen (HvD 3 juni 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:157).
Mag een advocaat zowel de vennootschap als de directeur-grootaandeelhouder (90%) bijstaan of dreigt er dan een belangenconflict? En wat als de (10%) bezwaar maakt? Het hof vindt dat het mag in een kwestie rondom een aandelenemissie. Daarin verwijt de de advocaten die optreden voor zowel de vennootschap als de directeur-grootaandeelhouder dat zij in feite alleen de belangen van de directeur-grootaandeelhouder behartigen en een belangenconflict op de loer ligt. Dat is niet altijd zo en de advocaten van de vennootschap en de directeur-grootaandeelhouder betogen in de tuchtzaak overtuigend dat zij de beide belangen zorgvuldig afwegen en dat telkens opnieuw doen wanneer zich een belangrijke ontwikkeling voordoet (HvD 13 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:21).
Dezelfde afwegingen spelen in de strafzaak tegen een werkgever, waarin de advocaat van de werkgever ook de als getuigen opgeroepen werknemers bijstaat. De werkgever betaalt. De werkgever ontvangt om die reden – tijdelijk – niet het strafdossier omdat zijn advocaat de nog te horen getuigen gaat bijstaan. Is er een belangenconflict? De deken klaagt daarover op aangeven van het OM. De raad volgt de deken. De advocaat moet zich volgens deken en raad bewust zijn van afhankelijkheidsrelaties tussen werkgever en werknemers en daarmee van tegenstrijdige belangen, althans voorzienbare tegenstrijdige belangen. Het hof ziet het echter anders. De werkgever is zich ervan bewust dat hem het dossier nog enige tijd zal worden onthouden en gaat daarmee akkoord. Bovendien speelt de vrije advocaatkeuze: er is geen regel die advocaten verbiedt meerdere cliënten betrokken in een strafzaak bij te staan. Het is niet aan het OM noch de rechter-commissaris om daar een oordeel over te hebben: dat is alleen aan de advocaat zelf. Die moet waken over de belangen van de werkgever bij het tijdig ontvangen van informatie en ook over de verklaringsvrijheid die de werknemers moeten behouden. Van onzorgvuldig handelen van deze advocaat blijkt niet. Hij heeft het akkoord van de werkgever en de vertraagde toezending van het strafdossier schendt niet diens belang. De advocaat miskent de afhankelijkheidsrelatie tussen werkgever en werknemers niet, spreekt de werknemers in het bijzijn van een kantoorgenoot en wijst hen op het belang van een vrije verklaring (HvD 17 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:14).
Onderlinge welwillendheid, gedragsregel 5 en 24
Eerdergenoemde zaak over het (beweerdelijk) belangenconflict tussen de vennootschap en de directeur-grootaandeelhouder waarover de klaagt, kent nog een tweede aspect en dat is de onderlinge welwillendheid tussen de advocaten aan beide kanten. De advocaat van de stelt namelijk eerst de ene en daarna de andere advocaat van de meerderheidsaandeelhouder persoonlijk aansprakelijk. De eerste aansprakelijk gestelde advocaat reageert nog door te stellen dat hij zich daarmee persoonlijk onder druk gezet voelt en zulks de vrije en onafhankelijke beroepsuitoefening kan schaden. De beide aansprakelijk gestelde advocaten klagen tegen de advocaat van de . En dat blijkt terecht. De aansprakelijkstelling getuigt niet van welwillendheid noch van bereidheid om te trachten het geschil in der minne te regelen, zo zegt de raad. Het hof voegt daaraan toe dat het voor een advocaat mogelijk moet zijn om een andere advocaat aansprakelijk te stellen, maar dat daarvoor dan wel een redelijke grond aanwezig moet zijn. Het mag niet lichtvaardig plaatsvinden. De advocaat heeft de rechtsstrijd tussen de wederzijdse cliënten ten onrechte uitgebreid naar de advocaten (HvD 13 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:21).
Advocaat in andere hoedanigheid
Advocaat als patroon
De advocaat in deze kwestie is patroon van een advocaat-stagiair met wie hij een studiekostenbeding overeengekomen is. Dat is in strijd met de Beleidsregel stage en patronaat. Bovendien informeert hij de deken/raad van de orde daarover consequent onjuist. Dat komt hem op een dekenbezwaar te staan. Het verwijt luidt dat in strijd met de kernwaarde integriteit wordt gehandeld. De patroon erkent dat hij de raad van de orde onjuist heeft voorgelicht door desgevraagd tot driemaal toe niet te melden dat de arbeidsovereenkomst was gewijzigd, terwijl na goedkeuring ervan een studiekostenbeding was toegevoegd. Dat was vanwege drukte geweest en geen bewuste keuze, aldus de patroon. Hij was zich van de regel bovendien niet bewust. De raad vindt dat onbekendheid met de Beleidsregel stage en patronaat een verwijt over deskundigheid oplevert, en de onjuiste informatie aan de raad van de orde op zijn minst een nalatigheid. De raad stelt de voorbeeldfunctie van de patroon centraal en legt een onvoorwaardelijke schorsing van twee weken op. Het hof is het qua overwegingen wel met de raad eens, maar vindt geen aanwijzing voor opzettelijk handelen en acht de onvoorwaardelijke schorsing te zwaar. Het wordt een voorwaardelijke schorsing van twee weken en een geldboete van EUR 5.000 (HvD 22 november 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:284).
Advocaat als faillissementscurator
Een tweetal advocaten die als curatoren in een faillissement zijn benoemd, ontvangen op enig moment een e‑mail van een advocaat van een van de schuldeisers. Er zijn onderhandelingen met deze schuldeiser en er ligt een concept van een vaststellingsovereenkomst voor. De advocaat van de schuldeiser zendt de advocaten-curatoren het commentaar van zijn achterban, maar ziet daarbij over het hoofd dat daaronder een reeks vertrouwelijke e‑mails staan, als e‑maillint, waarin de advocaat advies geeft en de kansen van het standpunt van de schuldeiser bepaald niet positief inschat. De advocaat klaagt dat de advocaten-curatoren kennis hebben genomen van deze abusievelijk toegezonden vertrouwelijke informatie en die ook hebben gebruikt bij de afwikkeling van het geschil.

De raad vindt het laakbaar van de advocaten-curatoren. De e‑mails zijn onmiskenbaar vertrouwelijk van aard. Advocaten-curatoren mogen daarvan zonder advies van de deken of toestemming van de advocaat-klager geen kennisnemen, laat staan gebruikmaken van de inhoud ervan.
Maar het hof denkt er anders over. In de eerste plaats verwijst de advocaat-klager in zijn e‑mail aan de advocaten-curatoren nu juist naar het bericht van zijn cliënt dat hij doorzendt. Het is dus niet zo dat de e‑mail helemaal niet voor advocaten-curatoren bedoeld is. Dan rijst de vraag of, en zo ja, wanneer advocaten-curatoren moeten stoppen met lezen. Die vraag kan het hof niet beantwoorden, maar de conclusie luidt dat het lezen niet onbetamelijk is. Daarbij hebben de advocaten-curatoren een dilemma: zij zijn immers advocaten maar ook curatoren die het belang van de gezamenlijke schuldeisers voor ogen dienen te houden. En de ontvangen informatie is voor die belangen belangrijk, zo belangrijk dat het voorstel als vastgelegd in de concept-VSO niet gehandhaafd kan blijven. Daarover voeren zij overleg met de advocaat-klager en met de rechter-commissaris in het faillissement en vragen zij advies aan een tuchtrechtdeskundige. En wanneer zij de deken vervolgens benaderen voor overleg, weigert deze medewerking omdat er inmiddels een tuchtklacht aanhangig is gemaakt. In deze omstandigheden mogen de advocaten-curatoren na de zegen van de rechter-commissaris de informatie ook gebruiken om te bezien of de regeling moet worden opengebroken, aldus het hof (HvD 20 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:7).
Als voorzitter ambtelijke hoorcommissie
Een voormalig burgemeester verzet zich tegen het besluit van B&W over openbaarmaking op grond van de Wet open overheid van documenten uit zijn (toenmalige) digitale werkomgeving. In het kader van zijn bezwaar vindt een hoorzitting plaats. De advocaat die de hoorcommissie voorzit, is een kantoorgenoot van de advocaat die B&W in het kader van deze procedure bijstaat. Daar maakt de burgemeester tevergeefs bezwaar tegen en hij heeft ook opmerkingen over hoe deze advocaat-voorzitter de hoorzitting leidt. Hij dient een tuchtklacht in tegen de advocaat-voorzitter, maar ziet deze tot tweemaal toe ongegrond verklaard. Zowel de raad als het hof overweegt dat de advocaat de rol van voorzitter mag vervullen. Het feit dat zij kantoorgenoot is van de advocaat van B&W doet daar niet aan af. Er is immers geen sprake van een onafhankelijke bezwaarcommissie, maar van een ambtelijke hoorcommissie, die ook uit personen van het orgaan zelf mag bestaan, of de persoon van de advocaat van het orgaan. De enige eis die geldt, is dat deze advocaat-voorzitter, zijnde geen lid van het betrokken bestuursorgaan noch zijn advocaat, niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken mag zijn geweest. Daar vinden raad en hof geen aanknopingspunten voor. De klacht is ongegrond (HvD 14 februari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:31).
Procedurele zaken
Ook tijdens deze Kroniekperiode stond de ontvankelijkheid van klachten herhaaldelijk in de belangstelling.
Een klacht kan worden ingediend tot drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft (artikel 46g lid 1, onder a Advocatenwet). Deze termijn is absoluut en biedt ook bescherming bij situaties waarin de klager na lange tijd alsnog probeert de kwestie opnieuw aanhangig te maken, bijvoorbeeld door opnieuw contact op te nemen met de advocaat. Dit was het geval in HvD 29 april 2024, ECLI:NL:HVD:TAHVD:2024:123, waarbij een advocaat in 2006 en 2007 zaken voor klager had aangenomen. Zijn werkzaamheden voor klager had hij in of omstreeks 2009 beëindigd. Bij e‑mail van 12 augustus 2021 verzocht klager de advocaat om in overleg met hem tot een plan van aanpak te komen. Hier ging de advocaat niet op in, waarna klager daarover een klacht indiende. Het hof overwoog dat de klacht feitelijk was gericht op het beëindigen door verweerder van zijn werkzaamheden voor klager in of omstreeks 2009 en dat klager die beëindiging met de klacht wenste terug te draaien. Volgens het hof was het klachtrecht van klager echter verjaard. Het klachtrecht herleeft niet door het na vele jaren sturen van een e‑mail met het verzoek om de zaken weer op te pakken dan wel te heropenen, aldus het hof.
In HvD 19 april 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:118, kwam het ne bis in idem-beginsel aan de orde, dat inhoudt dat niet voor een tweede maal kan worden geklaagd over een gedraging van een beklaagde waarover de tuchtrechter al heeft geoordeeld. Dat beginsel geldt ook in het advocatentuchtrecht. Het hof oordeelde dat het beginsel zich er ook tegen verzet dat een advocaat, nadat is geoordeeld over een klacht die een bepaald feitencomplex betreft of een bepaalde oorsprong heeft, wordt geconfronteerd met een andere klacht van dezelfde klager die zijn grondslag vindt in datzelfde feitencomplex. Een advocaat moet er na de (onherroepelijke) beslissing van de tuchtrechter immers op kunnen vertrouwen dat de klacht definitief afgewikkeld is. Dit kan slechts anders zijn in uitzonderlijke omstandigheden waarbij klager feiten of omstandigheden aan de herhaalde klacht ten grondslag legt die hem bij de formulering van de eerdere klacht niet bekend waren en hem evenmin bekend hadden kunnen zijn. In de voorliggende kwestie waren van uitzonderlijke omstandigheden geen sprake. De klacht van klager zag op een pro forma hoger beroep dat de advocaat in april 2020 had ingesteld. Eerder had klager op 12 november 2021 een klacht tegen de advocaat ingediend en toen had hij over dat onderwerp ook kunnen klagen.
Deze overwegingen lijken overigens te verschillen met eerdere jurisprudentie van het hof, waarin is benadrukt dat het tuchtrecht geen (wettelijke) verplichting kent op grond waarvan een klager gehouden is zijn klachten tegen een advocaat te concentreren en deze tegelijkertijd in één tuchtprocedure aanhangig te maken.noot 2
In HvD 12 april 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:102, lag de vraag voor of een curator in het kader van de belangenbehartiging van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement ontvankelijk is en een klachtrecht in de zin van de Advocatenwet toekomt. Het hof beantwoordde deze vraag bevestigend. Voldoende is dat de curator aannemelijk maakt dat het beklaagde handelen van een advocaat rechtstreeks de (vermogensrechtelijke) belangen van de gezamenlijke schuldeisers raakt of kan raken. Het gaat hier om benadeling van de verhaalsmogelijkheden van de gezamenlijke schuldeisers in brede zin, waaronder ook valt de belemmering van de curator bij het onderzoeken van die verhaalsmogelijkheden en bij de uitoefening van de hem daartoe toegekende wettelijke middelen. Voor ontvankelijkheid is dus niet vereist dat de curator reeds concrete financiële nadelige gevolgen voor de gezamenlijke schuldeisers als gevolg van het beklaagde handelen aannemelijk kan maken, aldus het hof. In de voorliggende kwestie had de curator naar het oordeel van het hof niettemin onvoldoende onderbouwd dat het beklaagde handelen van de advocaat rechtstreeks de (vermogensrechtelijke) belangen van de gezamenlijke schuldeisers had geraakt of had kunnen raken. Dit bracht mee dat de curator niet in zijn klachten kon worden ontvangen.
Over de bewijsmaatstaf in het advocatentuchtrecht ging het in HvD 10 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:2. Sprake was van een advocaat van een aangehouden verdachte in wiens woning een groot contant geldbedrag werd aangetroffen. Aan deze verdachte waren bij diens inverzekeringstelling beperkingen opgelegd. Uit zogeheten EncroChat-berichten was gebleken dat derden, terwijl deze beperkingen nog golden, op de hoogte waren van de proceshouding van de verdachte tijdens diens (eerste) verhoor en, bij benadering, van de hoogte van het in beslag genomen contante geldbedrag. In de berichten spraken derden over een advocaat en specifiek ook over de advocaat in kwestie. De deken verweet de advocaat dat hij in weerwil van de beperkingen informatie uit het strafrechtelijk onderzoek had gedeeld met derden. Bij de tuchtrechter lag aldus een bewijsvraagstuk voor. Het hof overwoog dat de tuchtrechter een grote mate van vrijheid heeft om bewijs te waarderen en dat daarbij geldt dat een gedraging met voldoende zekerheid moet kunnen worden vastgesteld. Anders dan de raad was het hof vervolgens van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kon worden vastgesteld dat de advocaat de aan de verdachte opgelegde beperkingen had geschonden door, in de periode dat die beperkingen golden, zaaksgerelateerde informatie over de strafzaak waarin hij de verdachte bijstond met derden te delen.
Als een klager een klacht tegen een deken indient, dan moet deze klacht in beginsel worden verwezen naar een deken van een andere orde (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). Volgens het hof is dit echter anders als de klacht/het verwijzingsverzoek prematuur is. Dat is het geval wanneer het onderzoek van de deken naar de klachten tegen de advocaten nog niet is afgerond. Het is dan te vroeg om de keuzes die de deken tot dan toe in het onderzoek naar de klachten had gemaakt, zoals het accepteren van stukken en het (nog) niet opteren voor een poging tot bemiddelen, te toetsen. Daar komt bij dat klager de klachten tegen de advocaten kan voorleggen aan de tuchtrechter, waarbij hij ook naar voren kan brengen op welke punten het onderzoek van de deken niet deugt (HvD 7 november 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:280).
Het leerstuk ‘misbruik van tuchtrecht’ heeft binnen de tuchtrechtspraak een beperkte reikwijdte. De tuchtprocedure is laagdrempelig en beperking van het recht om te klagen wordt slechts in uitzonderlijke gevallen aanvaard. Het klachtrecht kan echter niet worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is. Om die reden achtte het hof een klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht tegen een deken over de inhoud van diens advies. Dat advies had de deken geschreven naar aanleiding van de klacht van klaagster tegen een advocaat en het verweer van die advocaat. Als klaagster het niet eens is met de zienswijze van de deken zoals verwoord in het advies, dan kan zij de klacht voorleggen aan de tuchtrechter (HvD 14 februari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:25).
Toezichtsaangelegenheden
Toezicht op derdengeldenkwesties blijft noodzakelijk, zo laat HvD 6 mei 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:128, zien. In die zaak bevestigde het hof dat een advocaat ernstig tuchtrechtelijk tekortschiet wanneer hij derdengelden ontvangt op zijn kantoorrekening – en niet op een daartoe bestemde derdengeldenrekening – zonder deugdelijk depotovereenkomst en terwijl zijn kantoor financieel instabiel is. Het hof onderstreepte het belang van financiële integriteit en transparantie in het omgaan met derdengelden, mede in het licht van eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen van de advocaat over financiële aangelegenheden.
Een advocaat is vanzelfsprekend gehouden kengetallen, jaarrekeningen en de ccv-opgave tijdig aan te leveren. Een advocaat die herhaaldelijk zijn verplichtingen hieromtrent niet nakwam, en daarmee het toezicht van de deken structureel belemmerde, handelde dan ook tuchtrechtelijk laakbaar. Ook toezeggingen om aan zijn verplichtingen te voldoen kwam de advocaat niet na, zelfs niet de toezeggingen die hij tijdens de tuchtrechtelijke procedure deed. De deken had de advocaat inmiddels ook al een last onder dwangsom opgelegd die de advocaat volledig heeft verbeurd. Gelet hierop verzwaarde het hof de maatregel van een schorsing van 36 weken, waarvan 24 voorwaardelijk, naar een schorsing van 36 weken, waarvan 12 voorwaardelijk. Als bijzondere voorwaarde legde het hof op dat verweerder vóór juli 2024 de nog missende definitieve jaarrekeningen aan de deken moest aanleveren (HvD 31 mei 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:145).
Geschrapt van het tableau werd de advocaat die slecht bereikbaar was voor zowel de deken als zijn cliënten en (in strijd met gedragsregel 29) niet voldeed aan de afspraken die hij met de deken had gemaakt omtrent zijn praktijkvoering. De advocaat verzuimde onder andere om zijn kantooradres tijdig aan te passen in de landelijke administratie, zich in te schrijven in het rechtsgebiedenregister, zijn website aan te passen om aan te geven dat zijn kantoor geen derdengelden kon ontvangen en om de vereiste financiële administratieve gegevens aan de deken te verstrekken. De raad en het hof achtten het niet verantwoord dat de advocaat zijn praktijk nog bleef uitoefenen (HvD 20 september 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:245).
Op grond van artikel 60ab Advocatenwet kan de tuchtrechter een advocaat met onmiddellijke ingang schorsen in de uitoefening van de praktijk of een voorlopige voorziening treffen met betrekking tot die praktijkuitoefening wanneer tegen die advocaat een ernstig vermoeden is gerezen van een gedraging waardoor het door de tuchtnormen beschermde belang wordt geschaad. Dit kan de tuchtrechter alleen na een verzoek van de deken.

In HvD 5 augustus 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:236, was de raad overgegaan tot een spoedschorsing van een advocaat met voorlopige voorzieningen (toegang tot praktijkruimte, verplichte medewerking en kostenverhaal). Dit vanwege een patroon van ondermaatse dienstverlening, het niet tijdig aanleveren van financiële gegevens en het onvoldoende meewerken aan toezicht door de deken. Ondanks meerdere verzoeken en rappels bleef de financiële positie van de praktijk onduidelijk en leverde de advocaat gegevens te laat of onvolledig aan. Dit frustreerde het toezicht van de deken. Daarnaast waren er eerder tuchtrechtelijke maatregelen opgelegd, waaronder een schorsing wegens ernstige tekortkomingen in de dienstverlening en het negeren van toezichtverzoeken.
In beroep zette het hof nog eens het kader van de artikel 60ab Aw-procedure uiteen. Deze procedure is bedoeld als spoedvoorziening. Bij het ernstige vermoeden zoals bedoeld in artikel 60ab Aw moet het blijkens de wetsgeschiedenis gaan om gevallen waarin het vertrouwen in de advocatuur als zodanig, of in de kwaliteit van de advocatuur ernstig in het gedrang is. Te denken valt aan de situatie dat een advocaat banden onderhoudt met criminele organisaties of misbruik maakt van zijn wettelijke privileges, maar ook aan het niet goed behartigen van de belangen van cliënten of het niet-naleven van verordeningen of de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De (dreigende) schending van de door artikel 46 beschermde belangen moet zodanig zijn dat deze onmiddellijk ingrijpen vergt. Dit houdt in dat de situatie zodanig ernstig is dat deze belangen onevenredig worden benadeeld als pas later, na het doorlopen van de gewone tuchtprocedure (en eventueel hoger beroep bij het Hof van Discipline), de betrokken advocaat onherroepelijk tuchtrechtelijk zou worden veroordeeld en tegen hem maatregelen of voorzieningen zouden worden getroffen. De situatie moet dus om direct ingrijpen vragen, aldus het hof.
Omdat de advocaat in beroep inmiddels alle gevraagde gegevens had aangeleverd en geen sprake was van acute financiële problemen, achtte het hof de voorlopige voorzieningen die de raad had opgelegd niet langer nodig. De onmiddellijke schorsing bleef echter van kracht, omdat het beeld van structurele tekortkomingen, onvoldoende initiatief en gebrek aan reflectie bij de advocaat overeind bleef.
De procedure op grond van artikel 60ab Aw is van overeenkomstige toepassing op niet-Nederlandse EU-advocaten die hun werkzaamheden uitoefenen onder hun oorspronkelijke beroepstitel als bedoeld in artikel 16h Aw. Die advocaten zijn onderworpen aan dezelfde beroeps- en gedragsregels als Nederlandse advocaten, zo bepaalt artikel 16k Aw. Dat ondervond een Spaanse advocaat, die ingeschreven was in Nederland onder zijn oorspronkelijke beroepstitel (abogado). Uit uitspraken van een rechtbank en een gerechtshof bleek dat de processtukken van de abogado onbegrijpelijk waren, inhoudelijk tekortschoten en onvoldoende juridische onderbouwing boden. De abogado beheerste het Nederlands onvoldoende en ontbeerde volgens het hof inzicht in zijn eigen tekortkomingen. Daardoor bestond een reëel risico dat cliënten opnieuw zouden worden benadeeld, zeker omdat het ging om kwetsbare, veelal Spaanstalige vrouwen die het Nederlandse rechtssysteem niet kenden. Het hof liet de spoedschorsing door de raad in stand (HvD 31 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:20).
Noten
-
Hoge Raad 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2444.
-
Zie onder meer HvD 10 juli 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:116.