juridisch kronieken

Kroniek
Pensioen­recht 2024

Het afgelopen jaar dienden pensioen­fondsen transitie­plannen op te stellen voor de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel volgens de Wet toekomst pensioenen (de Wtp). In die transitieplannen legden werkgevers(organisaties) en werk­nemers(organisaties) vast op welke wijze de overgang naar de Wtp zou moeten worden gerealiseerd. Deze transitieplannen moesten voor bij pensioen­fondsen ondergebrachte pensioen­regelingen eind 2024 gereed zijnnoot 1 en zijn te vinden op de websites van de pensioen­fondsen. Er gebeurde meer in de pensioenwereld het afgelopen jaar. Over dat alles hierna meer.

Wetgeving en beleid

In de Kroniek Pensioenrecht 2023 werd de Wtp op hoofdlijnen toegelicht.noot 2 Op drie aspecten die bij de transities belangrijk bleken, gaan wij nader in: de rentedip, het ‘kopiëren’ van toeslagregelingen (indexerings­regelingen) en spreiding bij invaren. Niet alleen vanwege het grote maat­schappelijke belang, maar ook om te illustreren hoe complex de transitie is en welke afwegingen in het licht van de evenwichtig­heids­norm van artikel 105, lid 2 Pensioenwet moeten worden gemaakt.

De rentedip

In het kader van het opstellen van de transitieplannen dienden de sociale partners volgens ingewikkelde rekenregels inzicht te geven in de verwachte pensioenen bij ongewijzigde voort­zetting van de pensioenregeling vóór de transitie en de verwachte pensioenen volgens de pensioenregeling die vanaf de transitie gaat gelden.noot 3 Als daarnaast tot de transitie opgebouwde pensioenen worden omgezet naar pensioenen volgens de pensioenregeling die vanaf de transitie gaat gelden, ging deze omzetting daaraan vooraf, waarvoor andere, eveneens ingewikkelde, rekenregels gelden.noot 4 Onderdeel van de rekenregels zijn door De Nederlandsche Bank (DNB) voor­geschreven scenario’s voor onder meer het verondersteld verloop van de renteontwikkeling. In deze scenariosets van DNB deed zich op korte termijn een relatief scherpe daling voor van de veronderstelde marktrente (de rentedip). Die rentedip zou zeer nadelig kunnen uitpakken voor de pensioen­verwachting van (gewezen) deelnemers vlak voor hun pensioen­datum, omdat in de veronderstellingen de omrekening van hun persoonlijke pensioenvermogen in pensioen door de lage veronderstelde rente tot (te) lage verwachte pensioenen zou leiden. Daarvoor zou in compensatie moeten worden voorzien om het transitieplan te laten voldoen aan de evenwichtigheidsnorm.noot 5 Een en ander zou juist onevenwichtig kunnen uitpakken als de rentedip zich in werkelijkheid niet zou voordoen, wat onder deskundigen de verwachting was. Dan zou het in verband met de ten onrechte veronderstelde rentedip te laag ingeschatte pensioen met compenserende maat­regelen worden verhoogd en uiteindelijk onevenwichtig hoog kunnen uitkomen ten koste van de pensioenen van anderen. Nadat over deze zogenaamde rentedip Kamervragen waren gesteld en beantwoord,noot 6 heeft DNB de scenariosets aangepast en is het probleem opgelost.noot 7

‘Kopiëren’ van toeslagregelingen (indexatie)

Toeslagverleningnoot 8 bestaat binnen pensioenovereen­komsten volgens de Wtp niet meer. De wetgever beoogt dat binnen premieovereen­komsten volgens de Wtp in waardevastheid van pensioenen wordt voorzien uit de beleggingsopbrengsten gerealiseerd op de persoonlijke pensioenvermogens. Dat geldt na pensioeningang ook voor variabele pensioenen, omdat in de uitkeringsfase wordt doorbelegd.noot 9 Bij de solidaire premie­overeen­komst is een solidariteitsreserve voor collectieve deling van financiële mee- of tegenvallers verplicht.noot 10 Bij de flexibele premieovereen­komst is een risicodelingsreserve voor collectieve deling van financiële mee- of tegenvallers voor een verplicht gesteld bedrijfstak­pensioen­fonds verplicht, voor andere pensioen­fondsen facultatief.noot 11 Gezien het doel van de solidariteitsreserve en de risicodelingsreserve kan deze niet worden ingezet voor ‘automatische’ zodanige jaarlijkse verhoging van de persoonlijke pensioen­vermogens (zolang de reserve voldoende is) dat de ingegane variabele pensioenen waardevast blijven (de inflatie volgen). Met het oog op onverwachte inflatie bestaat de mogelijkheid om in de uitdeelregelsnoot 12 vast te leggen wanneer volgens objectieve maatstaven sprake is van onverwachte inflatie, die dan door een uitdeling uit de solidariteits­reserve of de risicodelings­reserve naar de persoonlijke pensioen­vermogens kan worden gecompenseerd. Anders dan in het oude stelsel dient dit vooraf (‘ex ante’) te zijn geregeld.noot 13 Een pensioen­fonds kan niet meer incidenteel (door een uitdeling uit de solidariteits­reserve of de risicodelingsreserve naar de persoonlijke pensioenvermogens) tot ‘pensioenverhoging’ besluiten.

Kan toeslagverlening dan helemaal niet worden gekopieerd? Tot op zekere hoogte wel bij variabele uitkeringen, bij de solidaire premieovereen­komst met een zogenaamde indexatie-afslagnoot 14 en bij de flexibele premieovereen­komst respectievelijk de premie-uitkeringsovereen­komst door een vaste stijging in te rekenen (een variant van de hoog-laagconstructie voor vastgestelde pensioenen).noot 15 De methodiek van de indexatie-afslag is in wezen heel eenvoudig: door de veronderstelde rente (het projectierendement) voor de berekening van de nominale uitkering hoger te veronder­stellen dan de marktrentenoot 16 blijft een deel van het persoonlijke pensioenvermogen over voor verhoging van de variabele uitkering. Bij de solidaire premieovereen­komst dient een indexatie-afslag collectief te worden toegepast.noot 17 Bij een flexibele premieovereen­komst of een premie-uitkerings­overeen­komst kan de pensioen­uitvoerder de keuze voor een stijgend pensioen ook individueel laten maken.noot 18

Meer in het algemeen kan het nominale bedrag van de variabele uitkering tegen onder meer het renterisico worden beschermd door toevoegingen aan de persoonlijke pensioen­vermogens uit het gerealiseerde beleggingsrendement. Het daarvoor aangewende gedeelte van het beleggingsrendement wordt het beschermingsrendement genoemd.noot 19

Spreiding

Na invaren kan het persoonlijke pensioenvermogen van een pensioengerechtigde zodanig hoog zijn dat, als dat vermogen naar evenredigheid van de grootte ervan bij pensioeningang zou worden omgerekend in een variabel pensioen, het variabele pensioen extreem veel hoger uitkomt dan het pensioen dat gold vóór invaren. Bij die omrekening in een variabel pensioen wordt rekening gehouden met de levens­verwachting van de pensioengerechtigde en andere relevante actuariële factoren zoals de rentestand.noot 20 Deze situatie kan zich voordoen bij invaren door ‘rijke’ pensioen­fondsen.noot 21 Om dit effect te voorkomen, kan op twee manieren spreiding worden toegepast. In de eerste plaats in het kader van invaren met een standaard spreidingstermijn van tien jaar.noot 22 Spreiding in het kader van invaren wil zeggen dat het in het persoonlijk pensioen­vermogen ingevaren bedrag vanaf de pensioen­datum gespreid in de tijd voor pensioen wordt aangewend.noot 23 In de tweede plaats spreiding bij de aanwending voor variabel pensioen van het in een bepaald jaar aan het persoonlijk pensioenvermogen toegevoegd beleggings­rendement en technisch resultaat met een spreidingsperiode van maximaal tien jaar.noot 24 Afwijking door het hanteren van een langere spreidingstermijn in het kader van invaren is toegestaan als dat tot meer evenwichtige uitkomsten leidt.noot 25 Gepensioneerden zien bij voorkeur geen of zo kort mogelijke spreidingstermijnen en spreidingsperioden. Als bij hun overlijden persoonlijk pensioenvermogen resteert, wordt dat immers toegevoegd aan de persoonlijke pensioenvermogens van alle andere personen met pensioen bij het pensioen­fonds.noot 26

En verder

Ontwikkelingen die we slechts aanstippen, zijn dat de voorgenomen wettelijke regeling voor het kunnen opnemen van een bedrag ineens bij pensioeningang opnieuw is uitgesteld vanwege de wens om de effecten (met name voor fiscale toeslagen) beter in kaart te brengen.noot 27 Ook de handhaving van de Wet DBA 2025 leidt tot ruis op pensioen­gebied: als schijnzelfstandigen in bedrijfstakken waar een bedrijfstak­pensioen­fonds verplicht is gesteld als werk­nemer komen te gelden, kunnen zij aanspraak maken op pensioen bij het bedrijfstak­pensioen­fonds waarvoor geen dekking bestaat.noot 28 De opdracht­gever, die dan werkgever blijkt te zijn, dient de pensioenpremie dan met terugwerkende kracht af te dragen. Over de mate van terugwerkende kracht van die pensioenpremievordering wees de Hoge Raad onlangs een arrest (HR 21 maart 2025, ECLI:​NL:​HR:​2025:423; Booking.com) dat verderop in deze Kroniek wordt behandeld.

Wijziging pensioenovereen­komst

Ook als een werkgever een pensioenovereen­komst niet rechtsgeldig heeft gewijzigd, kan een werk­nemer achter het net vissen. Dat kan het geval zijn als de werkgever een geslaagd beroep doet op verjaring, schending van de klachtplicht of rechtsverwerking. De werk­nemer kan dan geen nakoming van de ongewijzigde pensioenovereen­komst meer afdwingen, waardoor de niet rechtsgeldige wijziging feitelijk toch voor de werk­nemer van toepassing is geworden.

De Hoge Raad liet op 18 oktober 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:1490; conclusie A-G 6 september 2024, ECLI:​NL:​PHR:​2024:912) op grond van artikel 81 RO een arrest van gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 14 maart 2023 (ECLI:​NL:​GHSHE:​2023:838) over rechts­verwerking in stand. Het hof had geoordeeld dat de betreffende werk­nemer haar recht op nakoming van de (ongewijzigde) pensioen­premie­last­verdeling had verwerkt. Wat was er gebeurd? Uit de conclusie A-G blijkt dat de werkgever met ingang van 1 januari 2014 eenzijdig had ingevoerd dat de werk­nemers een eigen bijdrage aan de pensioenpremie moesten gaan betalen. Vijf van de werk­nemers begonnen in 2014 een procedure en kregen in februari 2018 gelijk van gerechtshof ’s‑Hertogen­bosch: de werkgever had bij de wijziging geen zwaarwichtig belang in de zin van artikel 7:613 BW. De werkgever moest de op het salaris ingehouden eigen bijdrage aan de procederende werk­nemers terugbetalen en mocht voor de toekomst geen eigen bijdrage op het salaris van die werk­nemers inhouden. Na de hofuitspraak verzochten vele andere werk­nemers de werkgever om voor hen hetzelfde te doen. De werk­nemer waarover het genoemde arrest van de Hoge Raad gaat, verzocht dat in mei 2018. De werkgever weigerde. Daarop startte de werk­nemer een procedure, die het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch tot het oordeel bracht dat de werk­nemer haar recht op nakoming van de (ongewijzigde) pensioenpremielastverdeling had verwerkt.

Voor werk­nemers die bij een procedure over de wijziging van een pensioen­overeen­komst op het vinkentouw zitten (en voor hun werkgevers), is het interessant om te weten welke bijzondere omstandig­heden maakten dat de betreffende werk­nemer volgens het hof haar recht op nakoming had verwerkt. Enkele omstandig­heden zijn: de werk­nemer had kort na de invoering van de wijziging samen met collega’s een algemene brief naar de werkgever gestuurd waarin zij hun bezwaren tegen de wijzigingen uitten; de premie is daadwerkelijk op het loon van de werk­nemer ingehouden en ook gespecifieerd op haar loonstrook; aan de werk­nemer is een eenmalige compen­satie betaald die ze heeft gehouden; de werk­nemer heeft niet aan personeelszaken doorgegeven dat zij hoopte of verwachtte dat indien de procedure die haar vijf collega’s eerder waren gestart een gunstige uitkomst zou hebben, die gunstige uitkomst ook voor haar zou gelden; de werk­nemer verkeerde in een andere situatie dan haar collega’s omdat laatst­genoemden, in tegenstelling tot de werk­nemer, zijn blijven opkomen tegen de wijziging en vervolgacties hebben ondernomen door destijds een procedure aanhangig te maken. Aan het oordeel van het hof dat de werk­nemer haar recht had verwerkt, deed niet af dat de werk­nemer tot de hofuitspraken uit 2018 in de zaken van de eerder procederende werk­nemers, in de veronderstelling verkeerde dat de werkgever een zwaarwichtig belang had om de pensioenovereen­komst te wijzigen.

Met het hiervoor besproken arrest hangen twee arresten van de Hoge Raad van dezelfde datum samen (ECLI:​NL:​HR:​2024:1489 en ECLI:​NL:​HR:​2024:1488).

Vermeldenswaard in verband met wijziging pensioenovereen­komst: een arrest van gerechtshof Den Haag van 18 februari 2025 (ECLI:​NL:​GHDHA:​2025:136) over de wijziging van een pensioenovereen­komst tussen Aon Groep Nederland B.V. en haar werk­nemers.

Toeslagverlening

De Hoge Raad wees op 5 april 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:523) arrest in de zaak-IJsbaan Jaap Eden. In 1993 was onvoor­waardelijke toeslagverlening toegezegd (loon­indexcijfer, maximaal 3%). Per 2018 werd dat een vast percentage van 1. In drie instanties werd die wijziging ontoelaatbaar geoordeeld. Advocaat-generaal Van Peursem geeft aan (§ 3.14), dat een pensioenovereen­komst naast het eenzijdig wijzigingsbeding (artikel 19 Pw), kan worden gewijzigd op grond van artikel 6:258 BW, artikel 6:2 en/​of 6:248 BW en artikel 7:611 BW. Wijziging is alleen mogelijk wanneer de uitvoering van de pensioenovereen­komst onaanvaardbaar wordt. Daarnaast biedt artikel 12, lid 1 Pw de mogelijkheid tot een betalings­voorbehoud voor premie in de pensioenovereen­komst. De werk­nemers waren al gepensioneerd en daarom kon de werkgever hierop geen beroep doen om de indexatie terug te schroeven. De HR doet de zaak ongemotiveerd af (artikel 81 Wet RO).

Het gerechtshof Den Haag deed op 9 juli 2024 (ECLI:​NL:​GHDHA:​2024:1077) uitspraak in de Euronext-zaak. Leden van Vereniging Pensioengerechtigden Euronext Amsterdam (VPE) hadden een voorwaardelijk recht op indexatie. Dat recht werd illusoir na een collectieve waardeoverdracht aan Delta Lloyd, waar geen toeslagregeling gold. Euronext had dit gemis aan indexatie­perspectief niet gecompenseerd. Het hof oordeelt dat Euronext niet in strijd handelde met artikel 7:611 BW. Volgens het hof had Euronext zich de belangen van de werk­nemers voldoende aangetrokken.

Het gerechtshof Den Haag oordeelde op 23 juli 2024 (ECLI:​NL:​GHDHA:​2024:1357) over de uitleg van een derdenbeding in een overnamecontract. Het derdenbeding kende werk­nemers onvoorwaardelijke indexatie toe, terwijl volgens oude en nieuwe arbeids­overeen­komsten voorwaardelijke indexatie gold. Het hof hanteerde niet de cao-uitlegmethode: anders dan een cao bindt het derdenbeding een beperkt aantal werk­nemers. Het hof legt de pensioenovereen­komst uit aan de hand van alle omstandig­heden van het geval, gewaardeerd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Volgens het hof is de toeslag niet onvoorwaardelijk geworden.

Verder hebben veel pensioen­fondsen hun toeslagen de laatste jaren fors verhoogd. Dat leidde tot veel rechtspraak over werkgevers met een vrijstelling (in het verleden) van een verplicht gesteld bedrijfstak­pensioen­fonds (Bpf), met name in verband met een forse verhoging die Bpf Bouw toekende. Aan die vrijstelling verbindt het Vrijstellings- en boete­besluit Wet Bpf 2000 de voorwaarde dat de eigen pensioenregeling ten minste financieel en actuarieel ‘gelijkwaardig’ is.noot 29, noot 30 De meeste recht­­banken oordelen dat de werkgever de toeslag­verlening van Bpf Bouw moet volgen, nu in de eigen pensioen­regeling staat dat die indexering wordt gevolgd. Die afspraak is een dynamisch incorporatiebeding volgens recht­bank Midden-Nederland (17 juli 2024, ECLI:​NL:​RBMNE:​2024:4583 tot en met 4589). De recht­bank Rotterdam wijst er d.d. 31 januari 2025 (ECLI:​NL:​RBROT:​2025:1331) op dat slechts de voorwaarde geldt dat het fondsbestuur van Bpf Bouw tot indexering besluit. Het is geen voorwaarde dat óók de werkgever daartoe besluit.

Anders oordeelde de recht­bank Overijssel op 28 januari 2025 (ECLI:​NL:​RBOVE:​2025:689).noot 31 De werkgever genoot in 2000-2019 een vrijstelling van Bpf Bouw. Werknemers bouwden pensioen op bij een verzekeraar. Vanaf 2020 is de werkgever weer gaan deelnemen aan Bpf Bouw. Opgebouwde aanspraken bleven achter bij de verzekeraar. Volgens de recht­bank hoefde de werkgever de indexering door Bpf Bouw niet (exact) te volgen: Bpf Bouw kent een voorwaardelijke toeslagverlening. De toets op actuariële gelijkwaardigheid is dan minder strikt.noot 32 Uit het pensioenreglement van de verzekeraar en de gelijkwaardigheidsverklaring volgt dat de werkgever de intentie had de indexatie van Bpf Bouw te volgen. Als de werkgever exact zou moeten volgen, zou de toeslag­verlening onvoorwaardelijk worden, terwijl die volgens het pensioenreglement van de verzekeraar voorwaardelijk is. De werkgever hoeft niet méér dan 1,553% te indexeren (de index die uit de beschikbare winstdeling van de verzekeraar was toegekend), nu dat onredelijk zou zijn vanwege de financiële situatie.

Uitvoeringsovereen­komst

In deze Kroniekperiode werd een interessant arrest gewezen over verzekering van het uitlooprisico bij opzegging van een uitvoerings­overeen­komst door een werkgever. Op 27 september 2024 wees de Hoge Raad arrest (zie ECLI:​NL:​HR:​2024:1331)noot 33 over de vraag of een vrijwillig bij een verplicht gesteld bedrijfstak­pensioen­fonds aangesloten werkgever gehouden was om het uitlooprisiconoot 34 te verzekeren voor arbeids­ongeschikt­heid. De zaak betrof een vrijwillige aansluiting bij een verplicht gesteld bedrijfstak­pensioen­fonds die door de werkgever werd beëindigd. Een drietal werk­nemers was ten tijde van deze opzegging arbeidsongeschikt terwijl de wachttijd van 24 maanden om in aanmerking te komen voor het recht op premievrije pensioenopbouw bij arbeids­ongeschikt­heid nog niet was verstreken. In de procedure ging het om de vraag of het pensioen­fonds verplicht was om na de opzegging van de uitvoerings­overeen­komst het uitlooprisico voor arbeids­ongeschikt­heid te verzekeren zodat de arbeidsongeschikte werk­nemers na afloop van de wachttijd recht zouden hebben op premievrije pensioenopbouw. De conclusie van de advocaat-generaal van de Hoge Raad op 24 mei 2024 (zie ECLI:​NL:​PHR:​2024:565) strekte tot verwerping van het beroep in cassatie omdat het pensioen­reglement voor premievrije pensioenopbouw bij arbeids­ongeschikt­heid als voorwaarde stelde dat de werk­nemer (nog) deelneemt in de pensioenregeling op de dag dat het recht op een WIA-uitkering ontstaat. Als de deelneming op dat moment al is geëindigd, bestaat geen recht op de premievrije pensioenopbouw en is er daarom geen sprake van verzekering van het uitlooprisico. De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie van de werkgever onder verwijzing naar artikel 81, lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie.

Het argument van de werkgever dat het pensioen­fonds daarmee geen (enkel) risico ter zake arbeids­ongeschikt­heid heeft gelopen, werd van de hand gewezen omdat de wachttijd voor een WIA-uitkering ook korter kan zijn dan twee jaren. Ten slotte werd het argument van de werkgever dat het pensioen­fonds haar informatieplicht had geschonden door bij de beëindiging van de uitvoerings­overeen­komst door de werkgever niet te wijzen op het ontbreken van verzekering van het uitlooprisico van de hand gewezen omdat de werkgever als professionele partij de betekenis van de betreffende duidelijke bepaling in het pensioenreglement had moeten begrijpen.

Op 2 september 2024 wees het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (ECLI:​NL:​OGEAC:​2024:171) vonnis in een procedure over de geldelijke afrekening van een door Ennia Caribe Leven N.V. (hierna: ‘Ennia’) beëindigde verzekeringsovereen­komst. Stichting Inter­nationaal Pensioenfonds OCÉ (hierna: ‘SIPO’) had met Ennia een verzekeringsovereen­komst gesloten ter dekking van de pensioen­verplichtingen jegens haar deelnemers. De verzekering werd door Ennia opgezegd en de waarde van het beleggingsdepot van de verzekering werd door Ennia begin 2018 uitgekeerd aan SIPO. Daarna resteerde nog een zogenaamd technisch resultaat ten gunste van SIPO ten bedrage van EUR 410.388. Deze vordering op Ennia werd vervolgens door SIPO gecedeerd aan Canon waarna in juli 2018 door de lokale toezicht­houder de noodregeling ten aanzien van Ennia werd uitgesproken.noot 35 Na het opstellen van een eindafrekening stelde Ennia zich op het standpunt dat SIPO geen vordering op haar had maar dat SIPO daarentegen nog een bedrag van EUR 425.459 aan Ennia verschuldigd was.

Canon startte daarop een procedure tegen Ennia, waarbij Ennia aanvoerde dat Canon niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in haar vordering omdat de noodregeling op haar van toepassing was. Daarom zou Ennia bij een veroordelend vonnis niet tot betaling kunnen worden gedwongen zodat Canon geen belang zou hebben bij haar vordering in rechte. De recht­bank oordeelde echter in lijn met vaste rechtspraak dat de noodregeling niet in de weg stond aan het instellen van deze vordering, omdat eiser er belang bij had om vastgesteld te zien of de gecedeerde vordering tot haar vermogen behoorde, ook al kon een veroordelend vonnis onder de noodregeling niet ten uitvoer worden gelegd door Canon.

Verplichte aansluiting bij bedrijfstak­pensioen­­fondsen

Het is vaste rechtspraak dat verplicht­stellings­besluiten objectief (volgens de cao-norm) dienen te worden uitgelegd. Voor uitleg van begrippen kan naar begrippen uit andere documenten worden gekeken, zoals bijvoorbeeld eerdere verplicht­stellings­besluiten, cao’s of de wet.

Op 24 november 2023 (ECLI:​NL:​HR:​2023:1622) oordeelde de Hoge Raad ook in lijn met deze vaste rechtspraak. Aan de orde was een geschil over een verplichte aansluiting tussen maaltijd­bezorger Deliveroo en Stichting Bedrijfstakpensioen­fonds voor het Beroeps­vervoer over de Weg (hierna: Bpf Vervoer). In voorgaande procedures werd door het gerechtshof Amsterdam (het cassatie­beroep werd verworpen) al geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen Deliveroo en haar maaltijd­bezorgers een arbeids­overeen­komst betrof.noot 36 Kort daarna kwam vast te staan dat Deliveroo onder de cao voor beroeps­goederen­vervoer viel. Ook het cassatie­beroep in deze zaak werd verworpen.noot 37 Vervolgens vorderde Bpf Vervoer dat Deliveroo zou aansluiten en pensioen­premies zou betalen. Tot aan de Hoge Raad kreeg Bpf Vervoer gelijk. Volgens vaste rechtspraak beoordeelde de Hoge Raad de activiteiten van Deliveroo volgens de cao-norm en oordeelde dat ‘vervoeren van goederen over de weg’ ook maaltijd­bezorging per fiets omvat. Er zijn geen aan­knopings­punten om te veronderstellen dat het vervoer enkel gemotoriseerd vervoer kan betekenen.

De vaste rechtspraak over cao-uitleg is door een arrest van de Hoge Raad van 30 augustus 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:1102) verder vormgegeven. Het ging over een verplichte aansluiting van een onder­neming bij Stichting Bedrijfstakpensioen­fonds voor de Bouwnijverheid (hierna: Bpf Bouw). De onder­neming stelde dat er geen sprake kon zijn van een verplichte aansluiting, aangezien de verplichtstelling onduidelijk was. In hoger beroep had het gerechtshof Amsterdam in 2023 de onder­neming op dit punt in het gelijk gesteld.noot 38 Het hof oordeelde dat de tekst van het verplicht­stellings­besluit van Bpf Bouw niet voldeed aan de te stellen eisen van duidelijkheid en dat het rechtsgevolg daarom was dat van een verplichte aansluiting geen sprake kon zijn. Volgens het hof diende de formulering van de werkingssfeer zodanig te zijn ‘dat het voor een gemiddelde werkgever bij lezing daarvan duidelijk is, of naar objectieve maatstaven redelijker­wijs moet zijn, dat zijn bedrijfsactiviteiten vallen onder de werkingssfeer daarvan’. Het hof kwam tot het oordeel dat in de werkings­sfeer­bepaling onvoldoende duidelijk was (ook met toepassing van de cao-norm) waar bepaalde woorden betrekking op hadden. De Hoge Raad oordeelt anders. Hij overweegt allereerst dat de uitleg van een verplichtstelling of cao ook moet plaatsvinden als de bewoordingen waarmee de werkingssfeer is omschreven onduidelijk zijn. Ook geeft de Hoge Raad aan dat een rechter niet kan volstaan met de constatering dat de tekst onvoldoende duidelijk is, en op alleen die grond kan oordelen dat bepaalde bedrijfsactiviteiten niet onder de werkings­sfeer­bepaling vallen. Ook in zo’n geval moet de betekenis van de gebruikte bewoordingen aan de hand van objectieve maatstaven (lees: de cao-norm) worden vastgesteld, aldus de Hoge Raad. Kortom, ook een onduidelijke werkingssfeer kan en moet aan de hand van de cao-norm worden uitgelegd en een onduidelijke werkingssfeer kan op zichzelf niet tot gevolg hebben dat er geen sprake kan zijn een verplichte aansluiting. Een duidelijk oordeel.

Dit laat uiteraard onverlet dat onduidelijkheden over bepaalde begrippen in een verplicht­stellings­besluit wel kunnen worden meegewogen bij beoordeling van de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de uitleg zou kunnen leiden. Die aannemelijkheid van de rechtsgevolgen is namelijk onderdeel van de cao-norm, in de visie van A-G De Bock.noot 39

Verjaring premievordering Bpf

De Hoge Raad wees op 21 maart 2025 (ECLI:​NL:​HR:​2025:423) arrest in de zaak van Booking.com tegen Pensioenfonds PGB. Het pensioen­fonds vorderde een verklaring voor recht dat Booking op grond van het verplicht­stellings­besluit per 1999 moest deelnemen aan het verplicht gestelde bedrijfstak­pensioen­fonds voor de Reisbranche (later opgegaan in het verplicht gestelde bedrijfstak­pensioen­fonds Pensioenfonds Grafische Bedrijven; PGB). Eerder oordeelde de Hoge Raad al dat Booking een (online) reisagent is zoals bedoeld in het verplicht­stellings­besluit. Na cassatie en verwijzing verwierp het verwijzingshof de overige verweren van Booking, waaronder haar verweer dat een eventuele vordering van PGB tot betaling van pensioen­premies al was verjaard en het pensioen­fonds daarom geen belang meer had bij de verklaring voor recht.

Dat oordeel blijft in cassatie in stand. De Hoge Raad oordeelt dat de verjaring wordt beheerst door artikel 3:308 BW (vijf jaar nadat een periodieke geldvordering opeisbaar wordt). Deze bepaling strekt ertoe te voorkomen dat niet-betaalde termijnen oplopen tot een te grote schuld. Een bedrijfstak­pensioen­fonds kan de opeisbaarheid van de premievordering in het uitvoerings­reglement regelen, mits binnen de grenzen van artikel 26 Pensioenwet. Dat betekent dat een vordering van een bedrijfstak­pensioen­fonds opeisbaar is vanaf het tijdstip dat de premie volgens het uitvoeringsreglement van het bedrijfstak­pensioen­fonds moet worden voldaan. Wanneer dat tijdstip voor betaling afhankelijk is gemaakt van een handeling van het Bpf (bijvoorbeeld het opstellen van een premienota) en die handeling achterwege is gebleven, dan is de vordering opeisbaar geworden op de uiterste termijn die artikel 26 Pensioenwet toelaat. De Hoge Raad benadrukt verder dat de verjarings­termijn wordt verlengd indien de werkgever opzettelijk het bestaan van de premievordering of opeisbaarheid verborgen houdt (artikel 3:321, aanhef en onder f BW). Ook kan een beroep op verjaring onder omstandig­heden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:2 BW).

Notabene: deze zaak ging niet over de vraag of een verplicht gesteld bedrijfstak­pensioen­fonds schade­vergoeding kan vorderen wegens een onrecht­matige daad in verband met het ten onrechte niet aangesloten zijn, en of een bedrijfstak­pensioen­fonds langs die weg alsnog misgelopen premie en beleggingsopbrengsten op een werkgever kan verhalen.

Advies- en informatieplichten

In deze Kroniekperiode werd een aantal boeiende uitspraken gedaan over advies- en informatieplichten van pensioen­uitvoerders. Zo oordeelde de Geschillencommissie Kifid op 16 oktober 2024 (2024-0890) dat geen recht bestond op waardeoverdracht van een ingegane pensioenuitkering en tevens dat de pensioen­uitvoerder zijn informatieplicht niet heeft geschonden door voorafgaand aan de pensioen­datum niet te wijzen op de mogelijkheid van waardeoverdracht. Deze mogelijkheid werd namelijk beschreven in het pensioen­reglement en de deelnemer had daarvan kennis kunnen nemen.

Op 19 januari 2024 oordeelde de Commissie van Beroep Kifid (Commissie van Beroep Kifid nr. 2024-0005) over het beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling bij een pensioenregeling op basis van beschikbare premies. Het beleggingsbeleid hield in dat naarmate de pensioen­datum dichterbij kwam het beleggingsrisico werd afgebouwd en in toenemende mate werd belegd in matchingfondsen inhoudende dat de koers zal stijgen bij een rentedaling en omgekeerd bij een stijgende rente zal dalen. Het gevolg van deze systematiek is dat een stabiele pensioenuitkering kan worden verwacht op basis van het beschikbare pensioenkapitaal. Ofschoon de consument had aangegeven te willen doorbeleggen na de pensioen­datum oordeelde de Commissie van Beroep dat deze systematiek binnen de branche een gebruikelijke en algemeen aanvaarde wijze is om inhoud te geven aan de wettelijk voor­geschreven prudent person regel als bedoeld in artikel 52a en 135 Pensioenwet waaraan het beleggingsbeleid dient te voldoen. Omdat de wijze van beleggen bleek uit de productinformatie had de pensioen­uitvoerder haar informatieplicht jegens de consument niet geschonden.

Op 28 maart 2024 oordeelde de Geschillencommissie Kifid (2024-0281) dat de pensioen­uitvoerder weliswaar juist en conform de prudent person regel had gehandeld door na uitstel van de pensioen­datum het pensioenkapitaal te beleggen in een lifecycle belegging waarin het renterisico werd gebufferd door matching. De Commissie oordeelde echter dat de pensioen­uitvoerder niet had voldaan aan zijn informatieplicht tegenover de consument. Een garantie­rekening was aanvankelijk nog niet beschikbaar en dit leidde ertoe dat de pensioen­uitvoerder het pensioenkapitaal ter overbrugging in de lifecycle belegging plaatste. Vervolgens daalde het kapitaal, waarschijnlijk als gevolg van een rentestijging. Het oordeel van de Commissie dat de pensioen­uitvoerder niet aan haar informatieplicht had voldaan, leidde aldus de Commissie niet tot de verplichting tot schade­vergoeding omdat de alternatieve belegging op een garantierekening nog niet beschikbaar was ten tijde van de keuze voor uitstel.

In een andere zaak oordeelde de Geschillencommissie Kifid op 29 februari 2024 (2024-0178) eveneens dat de pensioen­uitvoerder in het kader van een prudent beleggingsbeleid zich terecht heeft gericht op het afbouwen van het renterisico en het streven naar een zo stabiel mogelijke uitkering. Dat betekent dat de hoogte van het pensioenkapitaal kan toenemen bij een dalende rente en kan dalen bij een stijgende renteontwikkeling. De met het pensioenkapitaal te verzekeren pensioenuitkering wordt op deze wijze zo stabiel mogelijk gehouden.

De informatieplicht van de pensioen­uitvoerder ten opzichte van een consument werd echter wel geacht te zijn geschonden in de uitspraak van de Geschillencommissie Kifid (2024-0970) van 6 november 2024. De Commissie oordeelde hier dat de vraagstelling aan de consument bij het offertetraject door de pensioen­uitvoerder onvoldoende duidelijk werd verwoord, waardoor in de beantwoording fouten konden voorkomen.noot 40 De pensioen­uitvoerder was daardoor volgens de Commissie toerekenbaar tekortgeschoten, aangezien de informatie die een pensioen­uitvoerder verstrekt correct, duidelijk en evenwichtig behoort te zijn en dat die bevordert dat de deelnemer inzicht heeft in zijn keuzes voor het pensioen (…).noot 41 Ten gevolge van de onduidelijke vraagstelling was de informatie van de pensioen­uitvoerder over de hoogte en de ingangsdatum van de pensioenuitkering niet correct. De ingangsdatum van de pensioenuitkering werd daardoor met twee maanden uitgesteld en de consument leed financiële schade die door de pensioen­uitvoerder diende te worden vergoed.

Pensioen- en beleggingsadvies

Op 21 mei 2024 (ECLI:​NL:​GHAMS:​2025:127) wees het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raadnoot 42 arrest in een interessante zaak over een pensioenregeling waarbij de pensioenadviseur had verzuimd te informeren naar de precieze inhoud van de pensioen­overeen­komst tussen werkgever en werk­nemer en tevens had nagelaten de werk­nemer te informeren over de pensioenverzekeringen die ter uitvoering van die pensioenovereen­komst werden afgesloten. Deze pensioen­verzekeringen kwamen niet (naadloos) overeen met de inhoud van de pensioenovereen­komst en daarmee schond de pensioenadviseur zijn zorgplicht tegenover de werk­nemer. De pensioenadviseur werd aansprakelijk gehouden voor de pensioenschade. Het gerechtshof oordeelde voorts dat de verjarings­termijn pas was gaan lopen bij de pensionering van de werk­nemer, omdat toen pas kon worden vastgesteld dat de pensioenuitkeringen lager waren dan aan hem door de werkgever toegezegd.

Pensioen en scheiding

Een greep uit de uitspraken over pensioen en scheiding in dit Kroniekjaar: nog steeds worden met regelmaat uitspraken gedaan over pensioenverrekening op basis van het Boon/​Van Loon-arrest van de Hoge Raad uit 1981.noot 43 Het gaat dan in beginsel over de verdeling van pensioen in het kader van echt­scheidingen in de periode van 17 november 1981 (de datum waarop het Boon/​Van Loon-arrest is gewezen) tot 1 mei 1995 (de datum van inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, de Wet VPS). Zo oordeelde gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een arrest van 6 februari 2024 (ECLI:​NL:​GHARL:​2024:861) over de verrekening van ouderdomspensioen tussen een man en een vrouw die van 1968 tot en met 1984 met elkaar getrouwd waren geweest. Het ouderdomspensioen van de man was in 2009 ingegaan. De vrouw vorderde in 2021 dat dat ouderdomspensioen alsnog werd verrekend. Het hof overweegt ten overvloede dat geen sprake is van verjaring omdat het een overgeslagen goed als bedoeld in artikel 3:179 lid 2 BW betrof.noot 44 Het hof is het eens met het oordeel van de recht­bank dat de vrouw haar recht op verrekening niet heeft verwerkt, maar dat haar vordering in lijn met het Boon/​Van Loon-arrest op grond van de redelijkheid en billijkheid wel moet worden gematigd. Een ander arrest van datzelfde gerechtshof van 26 maart 2024 (ECLI:​NL:​GHARL:​2024:2124) geeft een aardig beeld van hoe de te verrekenen bedragen en termijnen moeten worden berekend.

De Hoge Raad liet in een arrest van 21 juni 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:911) een arrest van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2023 (ECLI:​NL:​GHARL:​2023:172) in stand op grond van artikel 81 lid 1 RO. Het draaide daarin om een man en een vrouw die van 1968 tot 1990 met elkaar waren getrouwd. Het Boon/​Van Loon-regime, noch de Wet VPS, was van toepassing op de verdeling van de pensioenen in het kader van de echt­scheiding. Wel hebben de ex-echtgenoten in 2005 zelf een afspraak gemaakt over de verdeling van het ouderdoms­pensioen van de man. De man is die afspraak van 2005 tot 2019 nagekomen, waarna hij de betalingen aan de vrouw stopzette. Het hof oordeelde dat de afspraak uit 2005 een duurovereen­komst voor bepaalde tijd was, die vanwege de aard van het ouderdomspensioen zou doorlopen tot het overlijden van een van de partijen. Omdat de overeen­komst niet voorzag in de mogelijkheid om de overeen­komst op te zeggen en de wet ook niet in die mogelijkheid voorziet, kon de man de overeen­komst niet opzeggen. Zijn beroep op onvoorziene omstandig­heden (artikel 6:258 BW) en zijn beroep op strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248, lid 2 BW) om de overeen­komst te beëindigen, slagen niet. Als gezegd, liet de Hoge Raad de uitspraak van het hof in stand.

Rechtbank Den Haag 14 augustus 2024 (ECLI:​NL:​RBDHA:​2024:12885) kreeg te oordelen over een directeur-groot­aandeel­houder (dga) die in 2017 zijn pensioen in eigen beheer met instemming van zijn partner had omgezet in een zogenaamde oudedagsverplichting (ODV). De partner was daarvoor destijds niet gecompenseerd. De recht­bank oordeelde in het kader van de echt­scheiding tussen de dga en zijn partner dat de partner in redelijkheid gecompenseerd diende te worden en dat het compensatiebedrag vanaf de omzetting in 2017 opeisbaar was, zodat vanaf dat moment wettelijke rente over het compensatiebedrag verschuldigd was.

Uitspraken van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen

De Geschillencommissie van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen (hierna: GIP) deed op 11 juli 2024 uitspraak (2024-0228)noot 45 over een zaak waarin de indienster Pensioen­fonds Zorg en Welzijn (hierna: PFZW) verzocht om toe­kenning van premievrije voortzetting van pensioenopbouw wegens arbeids­ongeschikt­heid. De indienster was in de eerste helft van 2008 in dienst van een werkgever die onder PFZW valt en vanaf mei 2008 werd aan haar een Wajong-uitkering toegekend. Van augustus 2008 tot april 2010 ontving ze een Ziektewetuitkering waarna in 2010 geen aanvraag voor een WIA-uitkering plaatsvond. Evenmin werd door haar in 2010 premievrije voortzetting van de pensioenopbouw bij PFZW aangevraagd. In 2023 wordt uiteindelijk een verzoek gedaan om premievrije pensioenopbouw wegens arbeids­ongeschikt­heid. Daartoe voerde de indienster aan dat ze ziek was geworden tijdens het dienstverband in 2008 en dat de keuze om geen WIA aan te vragen werd gemaakt op advies van UWV omdat de Wajong-uitkering al was toegekend. Zij beroept zich daarbij op het gelijk­heids­beginsel. De commissie oordeelt dat het pensioenreglement van PFZW vereist dat sprake is van recht op een WIA-uitkering en dat de dag waarop dit recht toegekend had kunnen worden, is gelegen na het einde van het dienstverband, terwijl reglementair sprake dient te zijn van deelname in de pensioen­regeling op het tijdstip dat het recht op WIA-uitkering geldt. Tenslotte oordeelt de commissie dat de Wajong, in tegenstelling tot de WIA, geen werk­nemers­verzekering is, zodat geen sprake is van gelijke gevallen die op gelijke wijze behandeld dienen te worden.

In een andere zaak oordeelde de Geschillencommissie van GIP op 31 januari 2025 (2024-0417)noot 46 in een tussenuitspraak over toekenning van het recht op premievrije pensioenopbouw wegens arbeids­ongeschikt­heid bij het ABP. Daarbij is van belang dat indien de arbeids­ongeschikt­heid het gevolg is van een arbeidsongeval of beroepsziekte recht bestaat op (kort gezegd) dubbele premievrijstelling bij arbeids­ongeschikt­heid. De verzoekster was vanaf 2014 volledig arbeidsongeschikt en verkreeg recht op een IVA-uitkering. Nadat zij in 2022 schriftelijk bericht kreeg van het ABP dat zij in geval van een beroepsziekte recht zou hebben op genoemde dubbele premievrijstelling, deed zij daar een beroep op. Het ABP stelde zich op het standpunt dat geen sprake was van een dienst­ongeval of beroepsziekte en dat aan de reglementaire voorwaarde niet was voldaan. De Commissie oordeelde eerst dat het begrip beroepsziekte in het pensioenreglement van het ABP naar vaste rechtspraak dient te worden uitgelegd volgens de cao-norm. Omdat het pensioenreglement geen aanwijzingen bevat voor de betekenis van het begrip beroeps­ziekte sluit de Commissie (onder meer) aan bij de definitie in de Arbeids­omstandig­hedenregeling. Deze luidt: ‘een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandig­heden heeft plaats­gevonden’. Omdat het ABP niet in de hoedanigheid van werkgever werd aangesproken, diende verzoekster in beginsel te bewijzen dat de arbeids­ongeschikt­heid in overwegende mate het gevolg was van belasting die in arbeid of arbeids­omstandig­heden heeft plaats­gevonden. Daartoe was door verzoekster informatie aan de Commissie geleverd en door het ABP tegenbewijs geleverd. Ter beoordeling van deze informatie van beide zijden benoemde de Commissie een deskundige ter beoordeling of sprake was van causaal verband tussen de ziekte waaraan verzoeker leed en de belasting in de door haar verrichte arbeid en de omstandig­heden waaronder deze werd verricht.

Europees recht

Op 9 februari 2024 oordeelde de Hoge Raad (ECLI:​NL:​HR:​2024:194) over een voor het pensioenrecht fundamenteel geschil met betrekking tot buffervereisten voor pensioen­fondsen. Het betrof een collectieve actie van een tweetal ouderenorganisaties tegens de Nederlandse Staat. De vraag die voor lag was of de buffereisen van artikel 131 en artikel 132 Pensioenwet (kort gezegd de financiële eisen aan de solvabiliteit van pensioen­fondsen) strijdig zijn met de Pensioenfondsenrichtlijn IORP II. De achtergrond was dat zonder buffervereisten die verdergaan dan vereist onder het Europese recht voor pensioen­fondsen meer indexatie­capaciteit zou bestaan. De pensioen­fondsenrichtlijn (IORP II) schrijft instandhouding van buffers voor als de IORP biometrische risico’s afdekt. Onder ‘biometrische risico’s’ verstaat de IORP II risico’s in verband met overlijden, arbeids­ongeschikt­heid en levensverwachting. Op grond van artikel 15 Pensioenwet strekt een ouderdomspensioen tot het levenslang uitkeren van pensioen aan de gepensioneerde. Een pensioen­fonds biedt dus dekking tegen een ‘biometrisch risico’, te weten het risico in verband met levensverwachting. Evenzo biedt een nabestaandenpensioen een dekking tegen het biometrische risico in verband met overlijden van de deelnemer en een arbeids­ongeschikt­heids­pensioen een dekking tegen het biometrische risico in verband met arbeids­ongeschikt­heid.

De stelling van de ouderenorganisaties was dat pensioen­fondsen geen biometrische risico’s verzekeren. Volgens hen was dat een vereiste voor Nederland om op grond van de pensioen­fondsenrichtlijn aanvullende buffervereisten naast de technische voorzieningen te mogen stellen. De Hoge Raad oordeelde anders. Volgens de Hoge Raad mocht de Staat naast alleen de technische voorzieningen ook verdergaande regels (de buffervereisten) stellen, ook wanneer pensioen­fondsen geen biometrische risico’s zouden verzekeren. Er wordt overigens overwogen dat pensioen­fondsen bij ouderdoms-, nabestaanden- en arbeids­ongeschikt­heids­pensioen wel degelijk biometrische risico’s verzekeren. Lidstaten mogen daarom verdergaande voorschriften in nationale wetgeving opnemen. De buffereisen aan Nederlandse pensioen­fondsen zijn rechtsgeldig.

Bastian Bodewes is advocaat bij Van Heest Bodewes Pensioenrecht­advocatuur te Assen, Annemiek Cramer, Jan Aart van de Hoef en Wim Thijssen zijn advocaat bij Pensioenadvocaten.nl te Amsterdam, Woerden respectievelijk Amstelveen en Marieke van der Keur is cassatieadvocaat bij Ekelmans Advocaten te Den Haag. Wim Thijssen is verbonden aan het VU Expertisecentrum Pensioenrecht te Amsterdam. Wim Thijssen en Annemiek Cramer zijn tevens geschillenbeslechter bij de Geschilleninstantie Pensioenfondsen.

Noten

  1. Artikel 150c, lid 1, aanhef en onder a Pensioenwet en artikel 43a, aanhef en onder a Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Voor bij verzekeraars en premie­pensioen­instellingen ondergebrachte pensioenregelingen geldt 1 oktober 2026 als datum waarop het transitieplan gereed moet zijn. Zie artikel 43a, aanhef en onder c van het hiervoor aangehaalde besluit.

  2. Kroniek Pensioenrecht 2023, Adv.bl. 2024-04, p. 97-99.

  3. Als hoofdregel geldt de netto-profijtberekening (artikel 150e, lid 2 Pensioenwet): vergelijking van de marktwaarde van de te verwachten pensioenuitkeringen -/- marktwaarde toekomstige premie-inleg. Deze hoofdregel geldt bij transitie van uitkeringsovereen­komst als bedoeld in artikel 10 Pensioenwet volgens de tot 1 juli 2023 geldende tekst en de kapitaalovereen­komst of premieovereen­komst als de pensioenovereen­komst vanaf transitie een solidaire premieovereen­komst of een flexibele premieovereen­komst met risicodelingsreserve is. De ratio is dat de waarde wordt vergeleken van ‘wat de deelnemer krijgt’ volgens de pensioenovereen­komst die geldt vanaf de transitie, respectievelijk bij ongewijzigd voortzetten van de pensioenovereen­komst die gold vóór de transitie. Als nevenregel geldt de bruto-profijtberekening (artikel 150e, lid 3 Pensioenwet): vergelijking van de contante waarde van de premie-inleg bij ongewijzigde voortzetting van de vóór de transitie geldende kapitaalovereen­komst of premieovereen­komst in de zin van artikel 10 Pensioenwet in de tot 1 juli 2023 geldende tekst en de vanaf de transitie geldende premieovereen­komst, zijnde een flexibele premieovereen­komst zonder risicodelingsreserve of een premie-uitkeringsovereen­komst.

  4. Te weten als hoofdregel de standaardmethode en als nevenregel de vba-methode (value based asset and liability-methode). Zie artikel 150n Pensioenwet. Bij de standaardmethode is het in te varen vermogen het vermogen van het pensioen­fonds na afzondering van het minimaal vereist eigen vermogen een solidariteitsreserve of een eventuele risicodelingsreserve, de technische voorzieningen voor overlijdensrisicodekking en arbeids­ongeschikt­heidsrisicodekking, de voorziening voor vastgestelde pensioenen bij flexibele premieovereen­komsten met keuze voor vastgesteld pensioen, een eventueel compensatiedepot en een operationele reserve. De vba-methode gaat bij de omrekening uit van de inclusieve marktwaarde van de opgebouwde in te varen pensioenen. Dat is de waarde rekening houdend met (‘inclusief’) voorwaardelijke elementen (toeslagen en/​of kortingen).

  5. Artikel 105, lid 2 Pensioenwet en artikel 150d, lid 1 Pensioenwet.

  6. Kamerstukken II 2023/​24, Aanhangsel van de Handelingen, 2368 (29 augustus 2024).

  7. Zie https://​www.dnb.nl/​voor-de-sector/​open-boek-toezicht/​sectoren/​pensioen­fondsen/​dnb-publiceert-definitieve-scenariosets-bij-wet-toekomst-pensioenen/.

  8. Zie de definitie van het begrip ‘toeslag’ in artikel 1 Pensioenwet, artikel 58 Pensioenwet in verband met gelijke behandeling bij toeslagverlening, artikel 95 Pensioenwet met betrekking tot de consistentie-eis en artikel 137 Pensioenwet waarin is geregeld onder welke voorwaarden een pensioen­fonds toeslagen mag verlenen. Deze regelingen blijven gelden voor niet-ingevaren pensioenen waarvoor regelingen voor toeslagverlening die vóór de transitie golden kunnen blijven gelden.

  9. Bij flexibele premieovereen­komsten en premie-uitkeringsovereen­komsten kan onder de Wtp vastgesteld pensioen voorkomen. Omdat die geringfenct moeten worden uitgevoerd (artikel 150l, lid 7 Pensioenwet), kunnen deze vastgestelde pensioenen niet ‘meelopen’ met vastgestelde pensioenen uit hoofde van niet-ingevaren pensioen, waarvoor de regelgeving voor toeslagverlening uit de Pensioenwet van toepassing blijft.

  10. Artikel 10a, lid 3 Pensioenwet, uitgewerkt in artikel 10d Pensioenwet.

  11. Artikel 10b, lid 2 en artikel 10b, lid 8, aanhef en onder a Pensioenwet, uitgewerkt in artikel 10e Pensioenwet.

  12. De regels voor aanwending van de solidariteitsreserve of de risicodelingsreserve, zie artikel 10d, lid 4 en artikel 10e, lid 5 Pensioenwet.

  13. Artikel 1h, lid 6 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  14. Art. 63a, lid 3 Pensioenwet. Zie ook Kamerstukken II 2021/​22, 36067, nr. 3, p. 267.

  15. Art. 63a, lid 2 Pensioenwet. De hoog-laagconstructie is geregeld in art. 63 Pensioenwet en geldt voor vastgestelde pensioenen.

  16. De rentetermijnstructuur zoals DNB die vaststelt. Dat is de risicovrije rente, zie de definitie van risicovrije rente in artikel 1 Pensioenwet.

  17. Artikel 63a, lid 3 Pensioenwet.

  18. Artikel 63a, lid 2 Pensioenwet.

  19. Zie de definitie in artikel 1 Pensioenwet en de uitwerking voor de solidaire premieovereen­komst in artikel 10a, leden 4 en 5 Pensioenwet.

  20. Art. 63a, lid 1 Pensioenwet.

  21. In pensioenjargon: pensioen­fondsen met een hoge dekkingsgraad. Voor pensioen­fondsen met een extreem hoge dekkingsgraad kan dit effect tot gevolg hebben dat invaren tot een in het licht van artikel 105, lid 2 Pensioenwet onevenwichtig besluit zou leiden.

  22. Art. 150n Pensioenwet jo. art. 46, lid 2, aanhef en onder i Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

  23. Bij overlijden wordt het saldo van het resterend persoonlijk pensioenvermogen verdeeld over de resterende pensioenvermogens, reden waarom spreiding van het invaarvermogen met name bij gepensioneerden op veel verzet stuit.

  24. Art. 63a, lid 5 Pensioenwet.

  25. Artikel 2, lid 3 van Bijlage 2a bij de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling voor spreiding in het kader van invaren.

  26. Het overleg in het kader van de transitie met (verenigingen van) gepensioneerden betrof vooral herstelindexatie uit de buffers vóór invaren en deze spreiding.

  27. Brief van de Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid van 13 maart 2025, te vinden via: https://​open.overheid.nl/​documenten/​d1b64f3f-dda0-4044-b0c0-717bb92a36c8/​file. Nog te publiceren onder Kamerstuknummer 35555.

  28. Op grond van de regel ‘geen premie, toch pensioen’. Zie HR 3 februari 2012, ECLI:​NL:​HR:​2012:BT8462.

  29. Artikel 7 lid 5 VBB & Bijlage 3 bij het VBB.

  30. Zie voor de vraag wanneer een pensioenregeling gelijkwaardig is: W.M.P. Thijssen, ‘Toeslagverlening en gelijkwaardigheid volgens het Vrijstellings- en boete­besluit Wet BPF 2000’, TPV 2022/​24, p. 38-45.

  31. Mr. W.P.M. Thijssen en mr. J.A. van de Hoef stonden gedaagden (werkgever) bij als gemachtigden.

  32. De recht­bank verwijst naar: Kamerstukken I 2006/​07, 30 413, p. 46-47.

  33. Dit arrest volgt op de uitspraak van Hof Amsterdam op 11 april 2023 (zie ECLI:​NL:​GHDHA:​2023:585). Mr. A.W. Cramer en mr. W.P.M. Thijssen stonden het bedrijfstak­pensioen­fonds bij in eerste aanleg en bij het hof. Mr. M.S. van der Keur trad als cassatieadvocaat op voor het bedrijfstak­pensioen­fonds.

  34. Met uitlooprisico wordt de dekking bedoeld van het arbeids­ongeschikt­heidsrisico nadat de uitvoerings- of verzekeringsovereen­komst is beëindigd.

  35. Het betreft een noodregeling onder de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf.

  36. HR 24 maart 2023, ECLI:​NL:​HR:​2023:443.

  37. HR 24 november 2023, ECLI:​NL:​HR:​2023:1610.

  38. Gerechtshof Amsterdam 9 mei 2023, ECLI:​NL:​GHAMS:​2023:1289.

  39. Conclusie A-G De Bock, r.o. 5.74, bij de hiervoor genoemde zaak-Deliveroo/​Bpf Vervoer: ECLI:​NL:​PHL:​2023:225.

  40. Het betrof de vraag naar elders verzekerd pensioenkapitaal waarbij niet werd vermeld of dit pensioenkapitaal ook zou worden overgedragen voor de aankoop van de pensioenuitkering.

  41. Dit volgt uit artikel 48 Pensioenwet.

  42. ECLI:​NL:​HR:​2023:428.

  43. HR 27 november 1981, ECLI:​NL:​HR:​1981:AG4271.

  44. Het hof volgde hiermee HR 27 maart 2015, ECLI:​NL:​HR:​2015:762.

  45. Opgemerkt zij dat mr. W.P.M. Thijssen als commissielid betrokken was bij deze uitspraak.

  46. Ook bij deze zaak was mr. W.P.M. Thijssen als commissielid betrokken.