vak & mens
Internationaal groeit de roep om een strafrechtelijke aanpak van milieudelicten. Nederland handhaaft vooral nog via het bestuursrecht.
De Algemene Rekenkamer concludeerde in 2021 in het rapport ‘Handhaven in het duister’ dat een kleine groep veelplegers de milieuregels veelvuldig overtreedt. Toch worden deze bedrijven nauwelijks bestraft omdat zicht op het stelsel van toezicht en handhaving nagenoeg ontbreekt. In reactie op Kamervragen onderschreef toenmalig minister van Justitie en Veiligheid Yeşilgöz in 2023 dat ‘de strafrechtelijke aanpak van milieucriminaliteit onvoldoende afschrikwekkend’ was, en zegde verbeteringen toe.
Die ‘verbeteringen’ komen vanuit Brussel naar Nederland. In april vorig jaar nam de Raad van de Europese Unie de ‘Richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht’ aan. De richtlijn is een aanscherping van een eerdere richtlijn uit 2008. Destijds was dat al een belangrijke stap in de erkenning van de rol van het strafrecht bij een doeltreffende bescherming van het milieu. De richtlijn bevat minimumregels voor de definitie van strafbare feiten en sancties en is van toepassing op feiten die binnen de EU zijn gepleegd. Deze ontwikkeling past in een wereldwijde trend. Zo werd illegale mijnbouw opgenomen in het strafrecht van verschillende Latijns-Amerikaanse landen om de georganiseerde misdaad te kunnen aanpakken.
Bestuursrecht
In Nederland worden milieudelicten anno 2025 nog voornamelijk afgedaan met bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten. Het naleven van vergunningen is een zaak van het bevoegd gezag, zoals gemeenten, provincies en waterschappen. De bestuursrechtelijke last onder dwangsom en last onder bestuursdwang richten zich met name op het oplossen en herstellen van de illegale situatie, aldus Marleen van Rijswick, hoogleraar Europees en Nationaal Waterrecht aan de Universiteit Utrecht. ‘Waarbij de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven hoog in het vaandel staat. Als bedrijven zich aan de voorschriften houden, krijgen ze weinig controles. Bij overtredingen worden de controles opgeschroefd.’ Dan komt ook de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in beeld. ‘Op die manier zet je de beperkte capaciteit die er is – er is een groot tekort aan geld en mankracht bij Toezicht & Handhaving – doelgericht in.’
‘Bewijs maar eens wie dat illegale drugsafval geloosd heeft’
In de praktijk komt het er volgens Van Rijswick op neer dat er standaard eerst een aangekondigde controle plaatsvindt. Dan volgt er eventueel een waarschuwing. Waarschuwen betekent dat de overtreder naar aanleiding van een inspectie een brief ‘Tekortkoming(en) bij inspectie’ ontvangt. Daarin staat welke maatregelen of voorzieningen een organisatie moet treffen om de wet na te leven, en binnen welke termijn. Treft de overtreder geen maatregelen of voorzieningen binnen de gegeven termijn, dan volgen bestuursrechtelijke interventies, zoals een Last onder Dwangsom (LOD), Last onder Bestuursdwang (LOB) of een boeterapport. ‘Pas als een bedrijf geen verbetering laat zien en de voorschriften – voor bijvoorbeeld het lozen van gevaarlijke stoffen – stelselmatig overtreedt, volgt de daadwerkelijke oplegging van een last onder dwangsom,’ zegt Van Rijswick. ‘De vraag is of de opgelegde dwangsom voldoende afschrikwekkend is om een einde aan de geconstateerde overtreding te maken of herhaling van overtreding te voorkomen, oftewel of er ook preventieve werking van uitgaat.’
Dat vraagt criminoloog Daan van Uhm, verbonden aan de Universiteit Utrecht en de Open Universiteit, zich ook af. Van Uhm is gespecialiseerd in ‘groene criminologie’ en milieucriminaliteit. ‘Lange tijd werden milieudelicten niet gezien als een serieuze vorm van criminaliteit,’ zegt hij. ‘Er werd wel gehandhaafd, maar als je één of twee procent van je winst moet inleveren bij een overtreding dan kan het ook een ingecalculeerde keuze zijn om door te gaan met wanpraktijken. De boete staat immers niet in verhouding tot de winst.’ Volgens Van Uhm is het narratief pas de laatste tien jaar echt aan het veranderen. ‘Er ontstaat steeds meer het inzicht dat milieudelicten ernstige schade aan mens en milieu kunnen toebrengen en dat ecocide een ernstige vorm van misdaad is. Terwijl veel schadelijkheden tegen het milieu nog niet gecriminaliseerd zijn, worden steeds meer activiteiten die voorheen legaal waren strafbaar. Het publieke bewustzijn neemt toe en wetgeving wordt daarop aangepast.’
Ter ondersteuning van wetgevers bij de implementatie van de nieuwe milieurichtlijn schreef een groep rechtsgeleerden en advocaten, verenigd in de Ecocide Law Advisory, een handleiding voor het opstellen van nationale strafrechtelijke milieuwetgeving. Het begrip ‘ecocide’ (moord op de natuur) speelt hierin een centrale rol. De handleiding vertrekt vanuit vijf juridische begrippen: onrechtmatigheid, toerekenbaarheid, de drempel voor milieuschade, strafbare gedraging versus risico en extraterritoriale rechtsmacht.
Strafrecht
Maar hoe realistisch is het om het strafrecht toe te passen op dit soort criminaliteit? Op 4 september 2023 deed advocaat Bénédicte Ficq namens 2.400 mensen aangifte tegen het chemiebedrijf DuPont/Chemours in Dordrecht. De aangifte is gericht tegen het bedrijf en de leidinggevenden en gaat over het opzettelijk in de lucht, de bodem of het oppervlaktewater brengen van schadelijke pfas gedurende de periode van 1967 tot nu. Het Openbaar Ministerie is een onderzoek gestart naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de leidinggevenden van het bedrijf. Toch zijn er ook veel haken en ogen. ‘De huidige milieuwetgeving is soms vaag en onduidelijk geformuleerd zodat een en ander moeilijk te bewijzen is,’ zegt Marleen van Rijswick. ‘De bewijslast in het strafrecht luistert nauwer dan in het bestuursrecht. Bewijs maar eens wie dat illegale drugsafval geloosd heeft in dat bos in Brabant. Of welke tuinder verantwoordelijk is voor de hoge concentratie gif in het water als er meerdere tuinders in een gebied zijn.’
‘Het inzicht ontstaat dat ecocide een ernstige vorm van misdaad is’
‘Het legaliteitsbeginsel, causaliteit en het vereiste van mens rea kan bij milieucriminaliteit zeker een uitdaging vormen,’ zegt ook Daan van Uhm. ‘Daarom zijn er duidelijke richtlijnen nodig. Welke vormen van straffen zijn effectief? Wanneer is sprake van een milieudelict en wanneer van serieuze misdaad? Zo worden VN-lidstaten aangemoedigd hun straffen aan te passen, zodat een vrijheidsstraf van vier jaar of meer kan worden opgelegd in de context van milieucriminaliteit als ernstig misdrijf. Maar dan blijft de vraag: wie is daar verantwoordelijk voor? En: helpen gevangenisstraffen wel?’
Daarbij moet de herziene Europese richtlijn vóór mei 2026 in Nederland worden geïmplementeerd. Hamvraag is hoe dat zijn beslag krijgt. Worden hier straks ook allerlei delicten strafbaar? Worden bestaande straffen hoger? Om welke milieudelicten gaat het dan?
Frederike Ahlers is advocaat bij Van Doorne advocaten en gespecialiseerd in milieustrafrecht. Volgens haar zal de maximale gevangenisstraf in sommige gevallen omhoog moeten. ‘De herziene Europese richtlijn bevat nu twintig delicten in plaats van negen,’ zegt ze. ‘De meeste daarvan waren al strafbaar gesteld. Nieuw in te voeren delicten zijn bijvoorbeeld milieudelicten uit de Ontbossingsverordening en het in de handel brengen van producten in strijd met een EU-voorschrift die door het gebruik op grote schaal aanzienlijke schade veroorzaken of dreigen te veroorzaken. Nieuw is ook het gekwalificeerde strafrechtelijke delict dat te vergelijken is met ecocide. Hoewel veel delicten al strafbaar zijn gesteld, zal de maximale gevangenisstraf in sommige gevallen omhoog moeten van zes naar acht, of zelfs tien jaar.’ Het implementeren van de richtlijn vraagt volgens Ahlers om een gedeeltelijke wetswijziging. ‘Maar veel van wat nu geïmplementeerd moet worden, is al in de Nederlandse strafwetgeving geregeld. Wat nieuw of anders is, zal Nederland moeten implementeren of wijzigen. Daar heeft Nederland tot 21 mei 2026 voor.’ De richtlijn betekent echter niet, zegt Ahlers, dat milieuovertredingen altijd via het strafrecht gesanctioneerd moeten worden. ‘Er moet meer strafrechtelijke sanctionering mogelijk zijn. Maar lidstaten mogen een afweging blijven maken of iets in het bestuursrecht of strafrecht moet worden afgedaan.’
Een uitdaging is wellicht of er in Nederland voldoende capaciteit bestaat om de zaken ook daadwerkelijk strafrechtelijk op te pakken. ‘De richtlijn vraagt ook van de lidstaten dat meer geïnvesteerd wordt in onderzoeksmiddelen, in opleiding van rechters, OM en opsporingsinstanties en in preventie en samenwerking.’ Of dat binnen de gegeven termijn gaat gebeuren, is een kwestie van afwachten. ‘Er zijn trends zichtbaar in de goede richting. Maar we zijn er nog lang niet.’
Met dank aan Aster Veldkamp, senior onderzoeker omgevingsrecht bij de Universiteit Utrecht.