vak & mens

Idealistisch, activistisch en een beetje gestoord

De sociale advocatuur viert haar gouden jubileum. Betrokkenen van het eerste uur blikken terug op de woelige beginjaren van de rechtshulp in Nederland.

Het is augustus 1969. De ooit florerende Tilburgse textielindustrie is eind jaren vijftig tot stilstand gekomen en de werkloosheid groeit snel. Veel onvermogende burgers lopen tegen problemen aan, bijvoorbeeld over uitkeringen. De toegang tot het recht is voor deze groep slecht geregeld. De bestaande wetgeving is ondoorzichtig, veel mensen kennen hun rechten niet. Geld om een advocaat in te schakelen, hebben ze niet.

Het is ook de tijd van de studentenprotesten en de opkomst van de burger­rechten­beweging. Een groep rechtenstudenten van de Katholieke Hogeschool in Tilburg (tegenwoordig Tilburg University) brengt de gelijkheidsidealen in de praktijk. Ze richten de Stichting Juridische EHBO op: Eerste Hulp Bij Onrecht waar onvermogende burgers worden voorgelicht over hun rechten. De eerste rechts­winkel is geboren. Het loopt storm en algauw verhuizen de student-adviseurs van een kamertje in de Maranathakerk naar een ruimte op de faculteit. Ze hebben dan al ruim duizend kosteloze adviezen uitge­bracht. Goed voorbeeld doet volgen: in 1971 zijn in vrijwel alle universiteitssteden rechts­winkels te vinden.

Ruiger

Theo de Roos (oud-hoogleraar en -advocaat De Roos & Pen) was destijds actief binnen de rechts­winkel Amsterdam. ‘Ik kwam van de VU, maar ik wilde niet bij de rechts­winkel van de VU. Die vond ik te veel ingebed, te paternalistisch. Er zat daar maar één advocaat en daar mochten de studentjes het mee doen. Ik was toch wat ruiger en wilder, bezig met marxisme en bezettingen en zo. Dus deed ik mee met de rechts­winkel van de UvA.’

De rechts­winkel houdt spreekuren, intakegesprekken zijn gratis. Als een zaak wordt aangenomen, betaalt de cliënt 25 gulden. ‘Dat was niet veel, maar voor die tijd ook niet niks. Daarmee was het wel klaar, ook als het uitliep op een procedure.’ De studenten krijgen ‘stevige’ begeleiding van docenten aan de UvA. ‘Er waren wekelijkse besprekingen en de docenten waren tussendoor benaderbaar. Als een advocaat ingeschakeld moest worden, dan waren er bevriende sociaal advocaten die de zaak overnamen. Dat was de formule.’

Bijeengeraapt zootje

In verschillende steden zetten rechts­winkeliers hun werkzaamheden na hun afstuderen voort als advocaat. In Rotterdam startten vijf gedreven afgestudeerden het Advokaten­kollektief Rotterdam (AKR). Lotje van den Puttelaar (Wybenga advocaten, Rotterdam) is een van hen. ‘Wij zagen vanuit de rechts­winkel dat er enorme behoefte was aan advocaten die voor de minvermogenden konden optreden op een goede manier. Volgens mij zijn we in september 1975 begonnen als derde kollektief, na Utrecht en Amsterdam.’

Lotje van den Puttelaar (r.) na de uitspraak in de zaak-Wertheim over hulp bij zelfdoding (1981).

Het vijftal vindt een pand in de verarmde, dichtbevolkte arbeiderswijk het Oude Noorden. Met een schenking van Stichting Volkskracht, een stichting van oud-havenbaronnen, kunnen de advocaten het pand opknappen. ‘Dat deden we natuurlijk allemaal zelf. Verder kregen we bijvoorbeeld een oude vergadertafel die niet meer werd gebruikt. Het was een bijeengeraapt zootje.’

‘We waren zo gedreven dat het ons niets uitmaakte dat we geen geld hadden’

Al snel is duidelijk dat ze hun praktijk hebben geopend in het epicentrum van hun doelgroep. ‘Terwijl we aan het klussen en aan het verven waren, kwamen al allerlei mensen binnen met vragen. We hadden het meteen heel erg druk.’ De groep advocaten gaat zes dagen per week aan de slag tegen het minimumloon. Iedereen verdient hetzelfde: de advocaten, de secretaresse en de schoonmaker. ‘Dat was vanuit een idealistisch oogpunt. Het kon eigenlijk alleen bestaan omdat we allemaal een beetje gestoord waren. We waren zo gedreven dat het ons niets uitmaakte dat we geen geld hadden.’

Gezag

Van den Puttelaar herinnert zich een familie die ’s avonds binnenstormde in het kantoorpand waar nog volop geklust werd. Een van de familieleden zat in vreemdelingen­bewaring en dreigde uitgezet te worden. ‘Wij dachten: dat moet tegengehouden worden. Maar we hadden geen papieren, alleen een naam. Wat doe je eraan, op zo’n avond? Toen hebben we de staats­secretaris thuis opgebeld en gezegd: dit is de kwestie, we gaan het later uitzoeken. Maar hij mag niet op het vliegtuig worden gezet, want dan kunnen wij ons werk niet doen. Dat werkte, de uitzetting werd stopgezet.’

Het voorval toont aan dat het kollektief serieus wordt genomen. ‘We hadden gezag, er werd naar ons geluisterd. We zagen er niet uit als doorsneeadvocaten, maar over het algemeen respecteerde men ons. Zowel binnen de beroeps­groep als bij de rechterlijke macht. Dat komt denk ik door de kwaliteit die we leverden. We onderbouwden onze standpunten en zochten alles heel goed uit.’

Desondanks zorgt het bonte gezelschap zo nu en dan wel voor ophef in een periode waarin Van den Puttelaar de advocatuur typeert als ‘man, grijs, al dan niet driedelig’. ‘Onze jongens hadden lang haar en spijkerjassies aan, ik had gekleurde doeken op mijn hoofd. Dan kwam ik bij het gerechtshof en dan mochten mijn rode laarsjes niet. Of dan zei de bode: die gele broek, dat kan niet onder een toga. Rol hem op, rol hem op.’

Veldwerk

De advocaten van AKR worden ieder begeleid door een buitenpatroon, afkomstig van de grote Rotterdamse kantoren. ‘Die buitenpatroons kwamen afwisselend tussen de middag even een broodje mee-eten. Dan konden wij onze dagelijkse vragen stellen.’ Opleidings­faciliteiten zijn er nog niet. ‘Je moest zelf maar zien dat je op niveau bleef. Ik zei weleens: ik weet het meest van zaken waar ik helemaal niets van weet. Daar beet ik me in vast. Alle literatuur die ik kon vinden, nam ik tot me.’

Ook de Amsterdamse advocaten weten zich gesteund door hun buitenpatroons. De grotere, commerciële kantoren houden zich niet of nauwelijks bezig met de sociale advocatuur – er viel nu eenmaal weinig of niets aan te verdienen. ‘Bij die grote kantoren zaten uiteraard geldwolven,’ zegt De Roos. ‘Toch zaten er ook wel degelijk mensen tussen die zelf een andere weg bewandelden, maar het als een soort burgerplicht zagen om de sociale advocatuur te steunen. Kantoren als Stibbe en Nauta leverden buitenpatroons. Voor de meer algemene zaken – wat doe je als advocaat wel of niet, hoe schrijf je een brief of processtuk, wat is je tactiek – waren ze goud waard.

De eerste rechtswinkel in Tilburg.

Voor de inhoudelijke kwaliteit binnen hun eigen rechts­gebieden zijn de advocaten op zichzelf aangewezen. De zaken die ze behandelen zijn divers en intellectueel uitdagend. In die begintijd staat Van den Puttelaar een cliënt bij die wordt verdacht van hulp bij zelfdoding. ‘Een mevrouw had iemand geholpen te sterven. De euthanasiewet bestond nog niet, dus het ging om moord. Die zaak kreeg veel mediabelangstelling, maar ik was toen 28 en had eerlijk gezegd nog nooit nagedacht over het zelfbeschikkingsrecht.’ Ze maakt er een studie van. ‘Ik heb van alles gelezen over euthanasie, hulp bij zelfdoding, het zelfbeschikkingsrecht. Ik ben bij hoogleraren thuis geweest om vragen te stellen. Om zo’n zaak te kunnen doen, moet je toch een visie ontwikkelen.’

Geen keurslijf

Zowel Van den Puttelaar als De Roos roemt ‘die begintijd’ waarin alles mogelijk lijkt. ‘Er bestond een vrijheid binnen de advocatuur waar we ruim gebruik van maakten,’ vertelt De Roos. ‘Ik deed bijvoorbeeld zaken die raakten aan het politieke. Op een gegeven moment zat ik ook in de militaire sferen. Ik ben voorzitter van de Vereniging van Dienstplichtige Militairen (VVDM) geweest. Er werden bijvoorbeeld dienstplichtigen uitgezonden naar Libanon zonder dat ze het daarmee eens waren. Dan volgde een kort geding tegen de Staat. Dat was een hele range van zaken waarover je principiële proces­dures kon voeren. Dat vond ik hartstikke leuk om te doen, misschien nog wel leuker dan strafzaken.’

Van den Puttelaar boekt successen die ze naar eigen zeggen niet voor elkaar zou hebben gekregen als ze op een groot kantoor had gezeten. ‘Wij sociaal advocaten zaten niet in een keurslijf. Die vrijheid, om het recht te vormen, was geweldig. Ik heb echt heel goede herinneringen aan wat we hebben neergezet in die tijd.’

VSAN

In november 1987 wordt door advocaten Theo de Roos en Phon van den Biesen de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland (VSAN) opgericht. Op dat moment was er al een vereniging actief binnen het vakgebied, de in 1974 opgerichte Vereniging Voor Rechtshulp (VVR): een gemêleerd gezelschap van sociaal advocaten, rechts­winkeliers, academici, medewerkers van de Buro’s voor Rechtshulp en andere ambtenaren.

De Buro’s voor Rechtshulp worden in 1970 door Justitie opgericht om verschillende kleine, experimentele initiatieven samen te voegen. De juristen in dienst van de Buro’s verlenen eerste­lijns rechtshulp. De Roos: ‘Sommige medewerkers wilden steeds meer in de tweede lijn gaan doen, dus procederen en dus ook advocaat worden.’ Lachend: ‘Ik begreep dat heel goed, want dat was ook veel leuker.’

Het geeft scheve gezichten. ‘Zij kregen als ambtenaren een stevig salaris, pensioen, alles was geregeld. De kollektieven waren onder­nemingen die alles zelf moesten zien te regelen.’ Dat de buro­medewerkers over de toekenning van toevoegingen gaan, helpt niet mee. Bovendien ontstaat op sommige plaatsen in Nederland concurrentie tussen de Buro’s en de sociale advocatuur. ‘Op sommige plekken waren er nauwelijks sociaal advocaten. Friesland is daar een voorbeeld van, daar deed het Buro heel veel tweede­lijns­werk. In Amsterdam lag dat natuurlijk heel anders, daar zaten wel zeven of acht kollektieven in de verschillende wijken.’

Het zorgt voor tweespalt binnen de VVR, waarbij sociaal advocaten zich niet langer vertegenwoordigd voelen. ‘Lobbyen, echt een vuist maken, dat ging niet. Daarom besloten we tot oprichting van de VSAN. We hebben gemeend dat we een eigen club moesten oprichten om onze belangen goed te kunnen profileren en behartigen.’ De eerste week krijgt de VSAN er ruim honderd leden bij, een jaar later hebben meer dan 250 advocaten zich aangesloten.

Theo de Roos (r.) voor de Krijgsraad in Arnhem (1976).

Ze vertelt over haar transseksuele cliënt Jacqueline. ‘In die tijd kon je je sekse nog niet wijzigen. Dus ze stond geregistreerd als man, maar had een volledig vrouwelijk voorkomen. Daar zat men vreselijk mee in de maag. Ze was gearresteerd wegens oplichting. Eerst zat ze in een politiecel in Franeker, toen op een lege vleugel van het huis van bewaring voor mannen in Assen. Uiteindelijk werd ze overge­plaatst naar de enige vrouwengevangenis in Rotterdam. Door alle stress werkten de hormoon­behandelingen niet goed, waardoor haar borstvorming afnam. Daar moest een oplossing voor worden gevonden. Toen heb ik het voor elkaar gekregen dat ze siliconen­borsten kreeg. Dat vind ik toch wel een hoogtepunt van mijn carrière.’

Kwetsbaar bezit

In de beginjaren is er voldoende aanwas van jonge, idealistische en soms activistische advocaten die willen bijdragen aan de sociale rechtshulp. Maar de lage vergoedingen verdrijven veel van hen uiteindelijk naar de commerciële advocatuur of een andere beroeps­groep. Zowel Van den Puttelaar als De Roos legde zich voornamelijk toe op het straf­recht en bleven naast betaalde zaken ook zaken op toevoegingsbasis doen. De Roos: ‘Het was toen al ingewikkeld om rond te komen. Doordat we kwaliteit leverden, hadden sociaal advocaten een goede naam gekregen en konden we vaak eenvoudig overstappen naar de rechterlijke macht of de wetenschap.’

Toch profiteert niet iedereen van die kwaliteit. Waar burgers in de grote steden terecht­kunnen bij verschillende sociale kantoren, is de toegang tot betaalbare rechtshulp in landelijker gebied vaak slecht geregeld. Medio jaren tachtig zijn in steden als Middelburg, Lelystad en Leeuwarden geen sociaal advocaten te vinden. Nog altijd bestaan in Nederland deze ‘witte plekken’, waar min­vermogende burgers geen toegang hebben tot gesubsidieerde rechtshulp. Van den Puttelaar was negen jaar lang lid van de Raad van Toezicht van het Juridisch Loket. Daar was ze getuige van de voortdurende financiële strijd met Justitie. ‘Loketten moesten dicht, dat kostte te veel geld. Ze gingen er bij Justitie vanuit dat iedereen een laptop heeft en in staat is om digitaal vragen te stellen en dingen op te zoeken. Dat is gewoon niet zo.’

De afgelopen drie jaar had ze een Oekraïens gezin in huis. ‘Ik heb hen als het ware door onze maatschappij geleid. Dan zie je waar ze tegenaan lopen. Online een bankrekening openen is verschrikkelijk ingewikkeld. Daardoor ontstonden problemen met de werkgever, die het geld alleen op hun bankrekening wilde storten. Daardoor kregen ze financiële problemen. Op een gegeven moment moest er een WW-uitkering aangevraagd worden. Het is echt niet te doen, ik had weleens de neiging de computer tegen de muur te gooien.’

Het is belangrijker dan ooit dat de sociale rechtshulp overeind blijft, aldus Van den Puttelaar. ‘Het is een kwetsbaar bezit. Door de jaren heen hebben we het bevochten en nu kalft het weer af.’

Voor dit verhaal heeft de auteur geput uit: Tatiana Scheltema, ‘Geschiedenis van de sociale advocatuur’, in: Mies Westerveld (red.), 35 jaar sociale advocatuur, Den Haag: Sdu Uitgevers 2010, p. 3-54.

Het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand

De door de overheid gefinancierde rechts­bijstand ontstaat in 1958 met de invoering van de Wet op de Rechtsbijstand aan On- en Minvermogenden (WROM). Advocaten kunnen vanaf dat moment een (bescheiden) vergoeding van de Staat krijgen voor de rechtsbijstand aan onvermogenden. De economische crisis van de jaren tachtig zorgt voor bezuinigingen op rechtshulp. Het systeem van een eigen bijdrage wordt geïntroduceerd. De hoogte van de eigen bijdrage hangt af van het inkomen en vermogen van de aanvrager. In 1983 wordt artikel 18 Grondwet ingevoerd. Dit artikel geeft burgers een afdwingbaar recht op rechtsbijstand. In 1994 treedt de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) in werking. In deze wet staan de structuur van het gefinancierde rechts­bijstands­stelsel en de voorwaarden om voor rechtsbijstand in aanmerking te komen. Ook worden met de Wrb de Raden voor Rechtsbijstand (RvR) ingesteld. Deze behandelen de verzoeken om rechtsbijstand, de afgifte van toevoegingen en de vaststelling en uitbetaling van vergoedingen aan rechts­bijstands­verleners. Het Nederlandse gefinancierde rechts­bijstands­stelsel is opgedeeld in drie voorzieningen. Via de nulde lijn kunnen burgers online kosteloos ondersteuning vinden, bijvoorbeeld via de website van het Juridisch Loket. De eerste lijn is gesubsidieerde rechtsbijstand door het Juridisch Loket. In de tweede lijn wordt gesubsidieerde rechtsbijstand verleend op basis van een toevoeging door rechtsbijstandsverleners die bij de RvR staan ingeschreven.