vak & mens

‘Ik mis de anonimiteit van de toga’

De Tweede Kamer is een advocaat rijker. Strafpleiter Willem Koops volgde eind vorig jaar een van de twee opgestapte NSC-Kamerleden op. Goede timing, want nog geen maand later startte het debat over het nieuwe Wetboek van Strafvordering. ‘Ik zie het als een cadeautje dat ik daarover mag meepraten.’

Het begon allemaal met de toeslagen­affaire. Koops volgde dit schandaal als specialist in fraudezaken op de voet. Hij bewonderde Pieter Omtzigt die zich in eerste instantie voor het CDA inzette voor de gedupeerden. Toen Omtzigt zijn eigen partij begon, besloot Koops hem een brief te schrijven met de vraag of hij hem kon helpen. Van het een kwam het ander. De advocaat kwam op plek 25 van de kandidatenlijst te staan en ging mee op campagne. Helaas voor Koops viel hij bij de start van het kabinet-Schoof deze zomer buiten de boot. Het voelde als een deceptie voor hem. ‘Ik had er echt op gehoopt en was vol goede moed.’ Toen in het najaar twee NSC-fractieleden, Femke Zeedijk en Rosanne Hertzberger, hun Kamer­lidmaatschap neerlegden, kwam er plots toch ruimte in politiek Den Haag voor de inmiddels ex-advocaat.

Cv Willem Koops (51)
  • woonachtig in Den Haag;
  • gehuwd en drie dochters;
  • lid van de Tweede Kamer (NSC) sinds 3 december 2024;
  • advocaat straf- en sanctierecht sinds 2002. Van 2016 tot 2025 was hij als partner verbonden aan Summit Advocaten in Den Haag.

Was u toen nog steeds zo enthousiast om de Kamer in te gaan?

‘Ik heb daar goed over na moeten denken. Het vertrek van Zeedijk en Hertzberger volgde op het opstappen van Nora Achahbar als staats­secretaris. Reden was onvrede over uitlatingen tijdens discussies, al dan niet in het kabinet, over integratie. Ik ken haar goed, omdat ik samen met haar straf­zaken heb gedraaid. Zij als officier van justitie, ik als advocaat. Ik heb haar hoog zitten. Het was voor mij dus belangrijk om te weten waarom ze precies was opgestapt en wat zij ervan zou vinden als ik de Kamer in zou gaan. De inhoud van dat gesprek blijft geheim, maar uiteindelijk heb ik volmondig “ja” kunnen zeggen.’

Vanaf dat moment ging het snel.

‘Ik moest inderdaad snel schakelen en mijn zaken ordentelijk overdragen. Dat was pittig. Vooral bij de langlopende zaken. Een van mijn zaken loopt al sinds 2012. Daarvan kan ik het staartje nu niet meer doen. Dat is nogal wat voor mij en de verdachte. Die vertrouwens­band zit diep, dus dat gaat me aan het hart. Daarnaast moet je als de donder langszij zien te komen in de Kamer. Meegaan in de waan van de dag en de maat­schappelijke ontwikkelingen. En je hebt de langjarige trajecten die je je eigen moet maken.’

Zoals het nieuwe Wetboek van Strafvordering.

‘Klopt. Ik heb 25 jaar gewoond in het oude wetboek. Nu mag ik in debat met onder meer de roemruchte Geert Knigge, advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Ik moet echt iets van eerbied wegslikken wanneer ik kritisch durf te worden tegenover de voorstellen waar hij de geestelijk vader van is. Maar het maakt de discussies ronduit constructief en plezierig om te doen. Het is het tegenover­gestelde van wat je zou verwachten wanneer je op het nieuws hoort over de felle debatten die worden gevoerd.’

Wat zijn de belangrijkste punten voor u met betrekking tot het nieuwe Wetboek van Strafvordering?

‘De straf­rechtketen is overbelast. Het idee van het nieuwe wetboek is om een beweging naar voren te maken: een strafzaak effectiever, sneller en beter voor te bereiden, zodat het tijdens de uiteindelijke zitting echt om de inhoud gaat. Ik ben vooral alert op de rechtsbescherming die een advocaat kan bieden. Wanneer heb je recht op een advocaat? Hoe word je gewezen op het recht op een advocaat? Hoe werkt het systeem waarmee die advocaat kan worden bevolen toegevoegd te worden? Hoe en op welk moment ontstaat een verant­woordelijk­heid voor de rechter om te zorgen dat er een advocaat aanwezig is? Die onderwerpen zijn in het oude wetboek summier uitgewerkt en moeten in het nieuwe wetboek ruimer aan bod komen. Ander punt van discussie is het vonnis. Mijn overtuiging is dat het vonnis het verweer van de verdachte moet bespreken. Ook wanneer dat verweer niet wordt gevolgd. Als een verdachte snapt waarom een verweer niet wordt gevolgd, kan hij zich beter neerleggen bij een vonnis. Dat is belangrijk voor de doorstroom van zaken en voor het beperken van het aantal gevallen van hoger beroep. Bovendien zegt het iets over de controleerbaarheid van rechters. Als een rechter niets opschrijft over het verworpen verweer, dan is dat ook niet te controleren. Dan geeft hij het estafettestokje door aan de hogere rechter. Dat kan niet de bedoeling zijn.’

Tijdens het eerste debat heeft u ook uw eerste amendement ingediend.

‘Dat was wel even een moment hoor. Dat amendement is puur uit frustratie ontstaan. Als advocaat ergerde ik me vaak aan de ontoegankelijk­heid van de rechterlijke macht. Wanneer je als advocaat de verdediging neerlegt, zorg je voor een ordentelijke overdracht aan iemand anders. Bij het OM gebeurt dat ook altijd netjes door de zaaksofficier, maar bij de rechterlijke macht dus niet. Mijn voorstel is om per strafzaak een probleemeigenaar aan te wijzen. Een voorzitter die je als advocaat kunt bellen over onderzoekswensen of bepaalde ontwikkelingen in de zaak. Dat is gunstig voor de straf­rechtspleging, omdat zo al bepaalde discussiepunten uit de weg kunnen worden geruimd voorafgaand aan de zitting. Tijdens de zitting gaat het dan over de zaken die partijen gescheiden houden en niet over misverstanden.’

‘In essentie ben ik geen politicus’

Op welke speerpunten ligt uw focus voor de komende tijd?

‘Met stip bovenaan staat de toegang tot het recht. Het recht moet die toegang bieden. De justitiabele moet zijn mond middels een advocaat open kunnen doen en daar moet de wet in voorzien. Een van de grote veroorzakers van de toeslagen­affaire is dat de toegang tot het recht helemaal niet bestond in de praktijk. Er werd vaak geen advocaat toegevoegd in een bezwaarprocedure. Tegen de tijd dat de gedupeerde een advocaat had, was het te laat. Helaas zijn er nu ook weer grote misstanden ontdekt. Neem de problemen bij DUO en UWV. We moeten ervoor zorgen dat de toegang tot het recht simpel en toegankelijk is en tijdig op gang komt. Het is de rechtshulp die ervoor zorgt dat ongelukken worden voorkomen in een zo vroeg mogelijk stadium. Het beloningsmodel moet daar natuurlijk op zijn aangepast.’

Heeft u het dan voornamelijk over de hoogte van de vergoedingen voor de sociale advocatuur?

‘Nee, niet alleen. Wat vergoedingen betreft, wacht ik de Commissie-Van der Meer af. Ik denk daarnaast dat het hele puntensysteem anders moet. Advocaten moeten te allen tijde conflict proberen te voorkomen. De beloning moet daar niet aan in de weg staan. Als je nu op basis van een toevoeging weet te voorkomen dat een zaak voor de politierechter komt, krijg je aanzienlijk minder geld dan wanneer je het op een zitting aan laat komen. We moeten ervoor zorgen dat advocaten altijd proberen een zaak zo klein mogelijk te houden.’

Het imago van de straf­rechtadvocatuur is ook iets wat u aan het hart gaat.

‘Uiteraard, al wordt dat in hoge mate bepaald door een klein groepje mensen dat aanschuift bij talkshows. Dat doet geen recht aan de buitengewoon discrete inspanningen van de vijfduizend mensen die de overige strafzaken draaien. Het zijn de incidenten die de (politieke) koers bepalen. Dat moet anders, maar ik weet nog niet hoe dat te veranderen. Het functioneren van de advocatuur is een van de meest wezenlijke onderdelen van de democratische rechtsstaat. Alle advocaten zullen het daar mee eens zijn. Ik weet alleen niet zeker of de hele buitenwereld het daar ook mee eens is.’

Zullen de nieuwe plannen rondom toezicht aan dat beeld bijdragen?

‘Dat hoop ik wel, maar ik ben heel terughoudend in het verplaatsen van het toezicht naar buiten. We moeten genuanceerd kijken naar de op te richten Onafhankelijk Toezicht­houder Advocatuur (OTA), want het raakt aan de geheim­houdings­plicht van advocaten. Het is voor een buitenstaander lastig om te zien of iemand zijn werk goed doet. Een klassiek voorbeeld is de bijstand aan meerdere verdachten in één zaak. Een advocaat moet zelf een keuze kunnen maken of dat verstandig is om te doen of niet. Ik zou niet willen dat een buitenstaander dat zou kunnen verbieden omdat er bijvoorbeeld verdenkingen zijn van vermeend lidmaatschap van dezelfde criminele organisatie als de verdachte. Dat is bij uitstek een keuze aan de advocaat en de verdachte. Zorg bij twijfel voor een goed gesprek met de deken. Die is beter geëquipeerd om te zien of de advocaat op een deskundige, onafhankelijke en integere wijze zijn werk doet. Tegelijkertijd kunnen we niet ontkennen dat het toezicht niet altijd goed functioneert, dus dat er iets verandert is goed. Ik denk dan bijvoorbeeld aan toezicht van buitenaf op administratieve verplichtingen.’

Hoe kijkt u terug op de eerste drie maanden in de Kamer?

‘Er heerst een heel basale hartelijkheid in het hart van de democratie. Dat vind ik een enorme opluchting, want dat zie je niet van buitenaf. Tegelijker­tijd is de politiek onzeker en nooit heel stabiel. Dat geeft in zekere zin een onveilig gevoel. Ik denk dat 2024 politiek gesproken het meest turbulente jaar is geweest in lange tijd. Ik ben eerlijk als ik zeg dat de PVV niet voorkwam in de bubbel waar ik altijd in heb geleefd. Ik rekende geen PVV’ers tot mijn beste vrienden, maar als je in de Tweede Kamer rondloopt, is het van het grootste belang dat je in alle gevallen samen verder komt. Je moet met elkaar in gesprek. Ik vind dat heel spannend. Tegelijk zijn onze gesprekken tot nu toe altijd constructief.’

Wat vindt u van de felheid van de debatten?

‘Daar moet ik mijn weg nog in vinden. Ik zal naar respectloze felheid zeker niet op zoek gaan. Ik vind dat Kamerleden en bewinds­personen zich depolariserend moeten opstellen. Discussiëren op het scherp van de snede mag, maar in een rechtszaal maak je elkaar ook niet uit voor rotte vis. Dat hoor je ook niet te doen in de Kamer. Met die grondhouding treed ik alles en iedereen tegemoet. Of dat handig is, geen idee. In essentie ben ik geen politicus. Na 25 jaar straf­rechtadvocatuur voelde ik mij comfortabel in grote en complexe strafzaken. Het zijn van advocaat is een ambacht en dat heb ik onder de knie. Nu in de Kamer voel ik me weer de jongen die ik was na mijn studie. Ik begin op nul en moet het al doende leren.’

Welke eigenschappen die u als advocaat heeft ontwikkeld komen daarbij van pas?

‘Het kunnen voeren van het mondelinge debat, het kunnen vertellen van een verhaal en empathisch vermogen. Je moet je als advocaat kunnen inleven in het standpunt van je weder­partij. Neem de discussie over stikstof. Je moet weten waar de frustratie van boeren vandaan komt en begrijpen welke belangen voor hen op het spel staan. En je moet in beide beroepen ziekelijk nieuwsgierig zijn.’

En waar zitten de verschillen?

‘Als advocaat kende ik mijn dossiers van haver tot gort. Nu moet ik gaan werken met ficties. De fictie is dat je het hele dossier kent, maar dat is onmogelijk in de politiek. Net als een journalist moet je van heel veel dingen een beetje afweten en van een ding heel veel. Ik heb het geluk dat ik veel kennis van straf­recht heb. Ander verschil is dat je in de rechtszaal een derde partij hebt, de rechter, die ergens een klap op geeft. Die persoon is er niet in de Kamer. Je moet het samen doen en dat vergt een heel andere manier van discussiëren.’

Mist u uw werk als advocaat?

‘Zeker, net als mijn oud-kantoor­genoten. Iedere woensdag­avond bespraken we onder het genot van een biertje de uitspraken van de strafkamer van de Hoge Raad van de dag ervoor. Dat waren fijne avonden. Verder mis ik de anonimiteit van de toga. De toga staat niet voor de persoon, maar voor de argumenten en de justitiabele. In de Kamer kan ik me daar niet meer achter verschuilen en ben ik me bewust van het feit dat ik onderdeel ben van de boodschap zelf. Het zijn van volksvertegenwoordiger beschouw ik als een grote en zware verant­woordelijk­heid. Ik hoop dat ik het goed genoeg doe.’