actueel cover

‘Bekostiging dwingt tot praktijk aan keukentafel’

Raadsheer Herman van der Meer heeft voor de tweede keer zijn advies afgeleverd over de tarieven in de sociale rechtshulp. Het is vijf voor twaalf, zegt hij. Zonder extra ingrepen kwijnt de sociale advocatuur weg.

De tijd is een donderdag­middag, de ontmoetings­plaats een flexkantoor in een grijs en regenachtig Den Haag. Senior raadsheer Herman van der Meer komt net van het ministerie gewandeld. Daar heeft hij staats­secretaris Struycken gesproken over het eindrapport van de commissie Evaluatie punten­toekenning gesubsidieerde rechtsbijstand II. Informeel, want de officiële over­handiging staat pas gepland voor begin maart, over anderhalve week.

En, hoe verliep het gesprek met de opdracht­gever?

Van der Meer glimlacht even, zonder blijdschap. ‘Ik zou het een openhartig gesprek willen noemen, zo heet dat geloof ik in Haagse kringen. Wat ons betreft telt slechts dat wij op onafhankelijke wijze aan onze opdracht hebben voldaan: onze bevindingen staan in het rapport. Of de staats­secretaris al dan niet een begrotings­probleem heeft als gevolg van ons rapport, doet niets af aan de boodschap die erin staat.’

Die boodschap laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De sociale advocatuur staat er bepaald niet florissant bij en dat is slecht voor Nederland. De Commissie-Van der Meer II komt met een lijst van 38 aanbevelingen om het tij te keren. De punten­toekenning in toevoegings­zaken moet ruimhartiger en de tarieven omhoog, soms fiks. Het opvallendste advies betreft het kantoor­model van de sociaal advocaat. Het kabinet dient met financiële stimulansen de onderlinge samen­werking te bevorderen, zodat een sociaal advocaat niet als eenpitter door het leven moet. Van der Meer maakt een vergelijking met de huisarts. ‘De klassieke huisarts uit het verleden werkte 24/​7 en was altijd bereikbaar. Die bestaat niet meer. Tegenwoordig werken artsen samen in een huis­artsen­post. Stel nu dat we de bekostiging zo regelen dat artsen de huis­artsen­post moeten verlaten. Dat zij hun patiënten vervolgens moeten zeggen dat die bij hen thuis terecht­kunnen, aan de keuken­tafel. Omdat ze geen geld meer hebben om de huis­artsen­post te betalen. Precies die trend zien we in de sociale advocatuur.’

Binnen de sociale advocatuur zijn veel eenpitters actief, naar schatting gaat het om ruim de helft van de beroeps­groep. Door de jaren heen zijn dat er verhoudingsgewijs steeds meer geworden. De vergoedingen voor sociaal advocaten laten eenvoudigweg niet toe dat zij kantoorruimte huren en ondersteunend personeel aannemen, signaleert Van der Meer. ‘Ze zeggen tegen ons dat de keuze om alleen verder te gaan een noodzaak is, niet dat ze zo graag zzp’er zijn&– of eigenlijk zzk’er. Omdat ze mensen toch willen blijven helpen, kiezen ze voor een eenmanspraktijk.’

Het fundament onder de adviezen van de Commissie-Van der Meer wordt gevormd door twee onderzoeken, één van het adviesbureau Cebeon en één van het Kennis­centrum van de Raad voor Rechts­bijstand. De laatste onderzocht het verdienvermogen van sociaal advocaten. De conclusie is zonneklaar, stelt Van der Meer: ‘Op basis van het huidige tarief en uitgaande van 1200 punten per jaar kunnen ze de kantoor­kosten eenvoudig­weg niet betalen. Het niveau van de bekostiging dwingt feitelijk tot praktijkvoering aan de keukentafel.’

Als land zouden we dat niet moeten willen, meent hij. ‘Iedereen met een beetje gezond verstand kan bedenken dat die situatie niet optimaal is.’ Hij werpt een retorische vraag op. ‘Als jij in je eentje je praktijk uitoefent, zonder collega’s, zonder overleg, zonder tegen­spraak, zonder vervanging, zonder calamiteiten­regeling, zonder opvolging, hoe wil je dat doen? En hoe is het geregeld buiten kantooruren of tijdens je vakantie?’

Natuurlijk kan een individuele advocaat heel bewust kiezen voor een eenmans­praktijk, erkent de Amsterdamse raadsheer. Voor de beroeps­groep als geheel en daarmee het stelsel van de gefinancierde rechtsbijstand noemt hij het echter een heilloze weg. ‘Een eenpersoons­kantoor heeft geen stagiair in dienst. Met alleen maar één­persoons­praktijken krijg je geen nieuwe toetreders. De jonge generatie, en dat blijkt ook uit onderzoek, wil helemaal niet beginnen als zzp’er. Die wil best graag sociaal advocaat worden, maar in loondienst, tegen een concurrerend salaris en met mensen om zich heen van wie je kunt leren.’

Kantoortoeslag

Om bestaande groepspraktijken overeind te houden en de vorming van nieuwe te stimuleren, komt de commissie met het plan extra toeslag te verstrekken aan kantoren van tenminste vier sociaal advocaten. Een kantoortoeslag van net geen vijftien euro per advocaat per uur kan zo’n collectief een voldoende solide basis geven, blijkt uit haar berekeningen. Nederland telt momenteel 133 kantoren met vier sociaal advocaten of meer. Op jaarbasis zou de kantoor­toeslag in totaal 12,8 miljoen euro vergen. ‘Dat is toch niet veel geld om een potentiële afbraak van het stelsel tegen te gaan? U moet zich realiseren dat het vijf voor twaalf is. De komende jaren gaan er duizend sociaal advocaten met pensioen. Van de vier- of vijfduizend die echt het predicaat sociaal advocaat verdienen. De noodzaak om snel en effectief in te grijpen is evident, de demografische ontwikkeling is onontkoombaar. Gelet op het totale budget voor de gefinancierde rechts­bijstand is ons voorstel een kleine, maar zeer kosten­efficiënte investering waarmee je het tij kunt keren. En de Raad voor Rechts­bijstand zegt dat het uitvoerbaar is.’

‘Als de sociale advocatuur langzaam uitsterft, begint de verant­woordelijk­heid van de hele beroeps­groep te knellen’

In 2017 was Herman van der Meer ook al de voorzitter van een commissie die de punten­toekenning voor sociaal advocaten tegen het licht hield. Toentertijd betroffen de voorstellen met name de punten­toekenning per zaakcode en het forfaitaire uurtarief. Dat is nu ook weer het geval. De commissie wil dat het puntentarief 2024 (één arbeidsuur is één punt) met € 1,46 wordt verhoogd naar € 128,01. Verder zouden op basis van de daadwerkelijk bestede tijd de forfaits (het aantal punten per zaakcode) gemiddeld met tien procent moeten stijgen. Daarnaast legt Van der Meer II extra nadruk op de toeslagen. Een gevolg van het feit dat niet alle adviezen van de Commissie I zijn opgevolgd, zegt Van der Meer, een tikje belerend. ‘Je hebt standaardzaken en niet-standaardzaken die complexer zijn en waarvoor toeslagen gelden. De vorige commissie stelde een koppeling voor tussen zaakcode en toeslag. Dus hoe zwaarder een zaak, hoe groter de toeslag. De minister vond dat niet uitvoerbaar, waarna alle toeslagen met een half punt omhooggingen. Wat blijkt nu, uit het onderzoek van Cebeon? Dat advocaten in niet-standaard­zaken gemiddeld vijftig procent meer tijd besteden dan wordt vergoed. In zaken met toeslagen moet er dus eigenlijk vijftig procent bij.’

Niettemin stelt de commissie voor om alle toeslagen met 35 procent te verhogen, waarmee op jaarbasis in totaal 5,8 miljoen euro is gemoeid. ‘We gaan ervan uit dat de forfaits met tien procent stijgen. Dan hou je veertig procent over, anders ben je aan het dubbeltellen. Omdat we niet van elke afzonderlijke toeslag precies weten hoeveel extra tijd ermee is gemoeid, zijn we aan de voorzichtige kant gaan zitten. Vandaar de 35 procent. Daarvan weten we zeker dat het om tijd gaat die daadwerkelijk aan een zaak wordt besteed.’

Toch is er aanvullend onderzoek nodig, stelt Van der Meer. Zijn commissie adviseert om nog eens goed te kijken naar de definitie van de te vergoeden tijd. ‘Die vinden we niet op alle onderdelen even gelukkig. Neem bijvoorbeeld specifieke studietijd, die nodig is voor een nieuw probleem in een bepaalde zaak. Die moet ook worden bekostigd. Daarmee kom je deels tegemoet aan de klacht van advocaten dat ze jaarlijks geen 1200 punten halen omdat ze veel tijd kwijt zijn aan zaken die niet worden vergoed.’

Per saldo vergen de adviezen van Van der Meer II jaarlijks tussen de 31,6 en 38,9 miljoen euro extra. Zeven jaar geleden ging het om veel meer geld, namelijk 157 miljoen. Dat bedrag kwam pas beschikbaar in 2022, na lang duwen en trekken. Destijds heette het rapport ‘Andere tijden’, nu staat er ‘Veranderde tijden’ op de kaft. De parallel is met opzet gekozen, legt Van der Meer uit. ‘In beide gevallen staan de tijden niet alleen voor de omstandig­heden, maar ook voor punten. Dankzij invoering van Van der Meer I zijn de tijden veranderd. Toen stelden we vast dat er 35 procent bij moest, nu nog maar tien.’

Vergrijzing

Niet dat het rapport ‘Betere tijden’ had kunnen heten. ‘Nee, zeker niet. Denk aan de vergrijzing. Bovendien weten we niet wat er met het rapport gedaan wordt.’ De raadsheer is niet vergeten dat zijn eerste rapport destijds de inzet werd van een langdurig politiek gevecht. ‘De vorige keer ging er ook vijf jaar overheen. We moeten maar zien in welk politiek landschap het deze keer landt.’

In de begroting van J&V staat dit jaar voor de gefinancierde rechtsbijstand een bedrag opgenomen van 626,6 miljoen, volgend jaar elf miljoen minder. Al met al beslaan de voorstellen van Van der Meer II niet meer dan een slordige zes procent. Met een beetje goede wil kan dat worden betaald uit de bestaande begroting, denkt Van der Meer. ‘Elk jaar blijft er geld over dat is gereserveerd voor rechtsbijstand, maar niet is uitgegeven. Dankzij ons rapport is daar nu een uitstekende bestemming voor. Maar dat is uiteraard aan de politiek, die is nu aan zet.’

Maar wat als de politiek tot andere keuzes besluit?

Van der Meer aarzelt een kort moment en vervolgt zijn betoog. Niet langer als commissie­voorzitter, maar op persoonlijke titel. ‘Als de politiek haar verant­woordelijk­heid niet neemt, dan ligt er ook een verant­woordelijk­heid bij de gehele advocatuur. De beroeps­groep is met allerlei rechten omgeven, maar een deel kiest ervoor alleen diegene te bedienen waar veel geld aan te verdienen is. Terwijl de advocatuur in mijn beleving iedere Nederlander moet bedienen, vandaar immers die rechten. Dat legt ook een fundamentele vraag neer bij de Nederlandse orde van advocaten.’

Hij maakt opnieuw de vergelijking met de gezondheids­zorg. ‘Als je vroeger particulier was verzekerd, kreeg je in het ziekenhuis beter eten dan een ziekenfondspatiënt. En je kreeg niet de coassistent aan je bed, maar de hoogleraar. Dat hebben we om goede redenen afgeschaft. Het moet de urgentie van de zaak zijn die de inzet van een specialist bepaalt, niet of iemand veel betaalt. In de advocatuur is dat wél het geval. Er zit een element in van cherrypicking, waarbij een advocaat bepaalde zaken aanneemt en andere zaken bewust laat liggen. Die moeten anderen maar doen, tegen niet-kostendekkende tarieven.’

Sinds enkele jaren komen er mondjesmaat samen­werkings­verbanden tot stand tussen commerciële en sociale kantoren. Met ingang van dit jaar zijn sociaal advocaten minder geld kwijt aan de verplichte financiële bijdrage. Prima ontwikkeling, oordeelt Van der Meer, maar nog te vrijblijvend. ‘Ik vind het geen gek idee om een deel van de kosten voor de sociale rechtsbijstand te financieren vanuit de omzet die in de commerciële advocatuur wordt gemaakt. Als de sociale advocatuur langzaam uitsterft, begint de verant­woordelijk­heid van de hele beroeps­groep te knellen.’