van de nova

uitspraken

Van de tuchtrechter

Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Tjitske Cieremans, Maurice Mooibroek en Robert Sanders.

Belangen gezamenlijke vennoten

  • Hof van Discipline 3 juni 2024, zaak nr. 230014, ECLI:​NL:​TAHVD:​2024:158.
  • Artikel 11a lid 1 sub d Advocatenwet.
  • Advocaat voert procedure voor cv zonder stille vennoot daarover te informeren.

Klager is via zijn persoonlijke holdings een van de stille vennoten van een commanditaire vennootschap (cv). De cv was verhuurder van vastgoed waarin hotels zijn gevestigd. Door uitwinning van haar pandrecht in verband met een verstrekte financiering heeft Y alle aandelen verkregen in een vennootschap die indirect enig aandeelhouder was van de huurders van het vastgoed. Y heeft ook (indirect) zeggenschap gekregen in de vennootschap die beherend vennoot van de cv was.

Als advocaat van de cv heeft mr. X, namens de cv als verhuurder en een aantal huurders gezamenlijk, een procedure ex artikel 96 Rv gevoerd om in verband met een verschil van inzicht over de huurovereenkomsten met betrekking tot het vastgoed uitleg van de kantonrechter te verkrijgen. Die huurovereenkomsten waren opgesteld en ondertekend door klager, die destijds zowel de verhurende vennootschappen als de hurende vennoot­schappen vertegenwoordigde. Kort na de beslissing van de kantonrechter heeft mr. X aan een gemachtigde van klager kenbaar gemaakt dat in het belang van zowel de cv als de commanditaire vennoten de beherend vennoot er bewust voor heeft gekozen om klager niet over procedure te informeren vanwege de verwachting dat klager (rechts)maat­regelen zou nemen om de gang naar de rechter te voorkomen dan wel te vertragen.

De klacht van klager houdt in dat mr. X het belang van de cv onvoldoende heeft behartigd of voor ogen heeft gehad bij de artikel 96-procedure. Mr. X heeft er immers voor gekozen klager bewust in onwetendheid te laten, terwijl hij uit hoofde van zijn opdrachtrelatie met de cv gehouden was om acht te slaan op de belangen van klager.

De raad overweegt dat als hoofdregel geldt dat stille vennoten niet geïnformeerd hoeven te worden over een te voeren procedure. De beherend vennoot neemt namens de cv deel aan het rechtsverkeer en vertegenwoordigt de cv. De advocaat stemt de belangen­behartiging af met deze beherend vennoot.

De raad acht hier het Lexence-arrest (HR 22 september 2017, ECLI:​NL:​HR:​2017:2444) van belang. Uit dat arrest volgt dat een advocaat die een personenvennootschap – in dit geval een cv – adviseert in elk geval rekening dient te houden met de belangen van de gezamenlijke vennoten. Als die belangen tegenstrijdig zijn aan het belang van de instruerende vennoot, dan zijn voorzichtigheid en zorgvuldigheid geboden en is het onder bepaalde omstandig­heden gewenst dat ook rekening wordt gehouden met de (tegenstrijdige) belangen van de verschillende vennoten.

De raad ziet in de bijzondere omstandig­heden van deze kwestie een uitzondering die maakt dat klager wél geïnformeerd had moeten worden, onder meer omdat klager voormalig beherend vennoot is en hij (als (indirect) stille vennoot met een aandeel van 47,05%) een groot financieel belang had bij de uitkomst van de procedure. Klager had ook destijds de huurovereenkomsten opgesteld en ondertekend; het belang van de cv en het belang van klager waren erbij gediend dat klager bij de procedure betrokken zou worden, aldus de raad.

Anders dan de raad acht het hof de klacht ongegrond. In het Lexence-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat het belang van de commanditaire vennootschap bestaat in het gezamenlijke belang van de vennoten, dus zowel de beherende als de commanditaire vennoten. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat die een commanditaire vennootschap adviseert, dient zich te richten naar dit (gezamenlijke) belang van de vennoten. Mr. X is door de cv specifiek ingeschakeld voor de huurkwestie tussen de cv als verhuurder en de huurders. Hij wist bij indiening van het verzoek dat de belangen van huurders en verhuurder oorspronkelijk (uiteindelijk) in één hand waren en dat daarin wijziging was gekomen nadat klager niet langer (indirect) de functie uitoefende als beherend vennoot van de cv. Dat de belangen van de huurders enerzijds en de belangen van de cv als verhuurder anderzijds niet meer parallel liepen, is ook in het verzoekschrift nauwkeurig omschreven.

Het belang van de cv als verhuurder was dat de huuropbrengsten zo hoog mogelijk zouden blijven. Dat dit niet langer mede het belang van de huurders was, maakt nog niet dat binnen de cv sprake was van enig tegengesteld belang. Klager als commanditaire vennoot had net als alle overige vennoten (beherend of stil) van de cv belang bij huurmaximalisatie. De situatie uit het Lexence-arrest deed zich hier dus niet voor. Het stond mr. X daarom vrij om in opdracht van de beherend vennoot voor de cv op te treden. Er bestond voor hem geen aanleiding om klager te informeren en/of in de door hem gevoerde procedure te betrekken.

Rechtshulp aan minderjarige

  • Hof van Discipline, 17 mei 2024, zaak nr. 230013, ECLI:​NL:​TAHVD:​2024:140.
  • Artikel 10a lid 1 sub b, c, d Advocatenwet.
  • Rechtshulp aan minderjarige zonder toestemming ouders te rechtvaardigen bij concrete dreiging gesloten jeugdzorgplaatsing en paniek minderjarige.

Mr. X heeft minderjarige M bijgestaan, die uit huis was geplaatst. M voelde zich door de gezinsvoogd onder druk gezet om akkoord te gaan met een plaatsing bij een andere instelling, onder dreiging dat anders een gesloten jeugdzorgplaatsing zou volgen. M heeft op eigen initiatief zonder medeweten van haar ouders of gezinsvoogd contact opgenomen met mr. X voor juridische bijstand. Mr. X stelde zich namens M bij de rechtbank als haar advocaat en vroeg om gehoord te worden bij een mogelijk gesloten plaatsing. Mr. X beweerde dat M recht heeft op eigen juridische bijstand, ook zonder toestemming van haar ouders. De ouders weigerden echter toestemming te geven voor de dienstverlening van mr. X aan M en betwistten haar bevoegdheid om op te treden. Mr. X won een deskundigenadvies in over de voorgenomen gesloten jeugdzorgplaatsing en stuurde deze naar de rechtbank, waar bij een plaatsing een procedure zou gaan plaatsvinden. Pas na uitdrukkelijk verzoek verstuurde mr. X deze correspondentie ook aan de advocaat van de moeder van M.

Over deze gang van zaken maakte de moeder van M, klaagster, vervolgens verwijten aan het adres van mr. X. Volgens klaagster had mr. X zonder haar toestemming geen rechtshulp aan M mogen bieden en geen deskundige mogen inschakelen. Verder verweet zij dat de correspondentie van mr. X en het advies pas na aandringen werden verschaft, dat het advies op onzorgvuldige wijze werd opgesteld en dat de acties van mr. X ertoe hebben geleid dat M nergens meer aan wil meewerken.

De raad oordeelt dat mr. X niet onbetamelijk heeft gehandeld jegens klaagster door M rechtshulp te verlenen. Niet alleen rechtvaardigden de concrete dreiging met de gesloten plaatsing die van de e‑mail van de gezinsvoogd uitging en de paniek hierover bij M het handelen van mr. X, maar ook valt uit het IVRK een rechtvaardiging voor het handelen van mr. X af te leiden. De andere klachtonderdelen verklaart de raad wel gegrond en hiervoor wordt mr. X gewaarschuwd.

Mr. X gaat in beroep tegen de gegrond verklaarde klachten en krijgt van het hof deels gelijk. Allereerst geeft het hof de maatstaf inzake een advocaat die een minderjarige bijstaat in een kwestie waarin diens belangen tegenstrijdig zijn aan die van een of beide ouders. In die gevallen komt minder vrijheid toe met betrekking tot de wijze waarop hij of zij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan dan in het algemeen het geval is. Die vrijheid wordt niet alleen begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt, maar vergt extra zorgvuldigheid jegens alle betrokken familieleden en bewustzijn van de wettelijke beperkingen. De advocaat dient zich van de kwetsbare positie van de minderjarige bewust te zijn en te waken voor onnodige polarisatie tussen kind en ouder(s) en tussen de ouders onderling, aldus het hof.

De klachten met betrekking tot het inschakelen van de deskundige en de totstandkoming van diens advies zijn volgens het hof gegrond. Volgens het hof heeft mr. X zonder dossier­kennis of overleg met betrokkenen een deskundige ingeschakeld om het hulpverlenings­traject te beoordelen, wat onvoldoende zorgvuldig is. Verder heeft mr. X zich eenzijdig gericht op een mogelijke gesloten plaatsing zonder de actuele situatie te verifiëren. Daarnaast ondernam zij geen actie om constructief contact met klaagster te herstellen, ondanks signalen dat klaagster zich ernstige zorgen maakte.

De andere klachten verklaart het hof alsnog ongegrond. Dat mr. X haar correspondentie met de rechtbank in dit geval, waarin van een aanhangige procedure (nog) geen sprake was, niet onmiddellijk met klaagster heeft gedeeld acht het hof van onvoldoende gewicht om daar tuchtrechtelijke gevolgen aan te verbinden. Verder overweegt het hof dat hoewel mr. X onvoldoende heeft gewaakt voor onnodige polarisatie, niet kan worden vastgesteld dat mr. X met haar acties heeft bewerkstelligd dat M nergens meer toe bereid was. Het hof handhaaft de maatregel van waarschuwing.