juridisch kronieken

Kroniek
Straf(proces)recht 2024

Deze Kroniek is een bespreking van de meest relevante ontwikkelingen voor de strafrechtpraktijk en is gebaseerd op jurisprudentie, wetgeving en literatuur.

Eenieder die werkzaam is in het strafrecht weet dat de uitdagingen waarvoor de strafrechtspleging staat groot zijn. Het is al lang onrustig, op verschillende deelterreinen. Eerdere Kronieken stonden in het teken van toenemende polarisatie tussen procesdeelnemers, van ernstige capaciteitsproblemen en van onderfinanciering van de gehele keten. Terwijl die problemen nog lang niet zijn opgelost, dienden zich in 2024 alweer nieuwe aan: handhavingstekorten, te weinig professionals voor het vele werk, verlies aan expertise en zelfs fundamentele kritiek op de inzet van het strafrecht. Ideeën om de strafrechtpraktijk anders in te richten en de werkdruk te verlichten zijn er wel, maar blijken lastig door te voeren.noot 1 Als we deze ontwikkelingen betrekken op de kaalslag in eerdere jaren, komen even opmerkelijke als tegenstrijdige consequenties aan het licht die de strafrechtspleging verder onder druk zetten.

Bij de tenuitvoerlegging van de langdurige gevangenis­straffen en de toegenomen gevangenispopulatie blijkt er onvoldoende capaciteit om alle gestraften in een gevangenis onder te brengen. De personeelstekorten in het Nederlandse gevangeniswezen leidden tot een trip van de nieuwe staats­secretaris van justitie Coenradie (PVV) naar Estland, om te bezien of sommige Nederlandse gedetineerden daar kunnen worden ondergebracht.noot 2 Dit om meerdere redenen absurde plan zou de Estse staatskas zo’n 30 miljoen euro opleveren. Opgeteld bij de kosten van transport naar Estland die vanwege veiligheidsrisico’s eveneens hoog zijn, zou het totaalbedrag voor de verbanning van de gedetineerden ook geïnvesteerd kunnen worden in de Nederlandse strafrechtpleging. De vraag dringt zich op waarom vanuit het kostenperspectief niet meer oog is voor alternatieven: minder voorlopige hechtenis, minder zwaar straffen. Maar dat past nu eenmaal niet goed bij de façade van een strenge overheid die criminaliteit in welke vorm dan ook niet tolereert. De eveneens nieuwe minister van Justitie en Veiligheid Van Weel (VVD) deed in zijn eerste maanden graag een repressieve duit in het zakje: zwaardere straffen voor opiumwet­delicten, want ons land moet zo onaantrekkelijk mogelijk zijn voor drugscriminelen,noot 3 om die veroordeelden vervolgens waarschijnlijk niet eens onder te kunnen brengen in een Nederlandse cel.

Een ander voorbeeld van de wrange consequenties van eerdere bezuinigingen betreft het probleem van de lange doorlooptijden in de strafrechtketen. Sinds jaar en dag ligt de focus op verkorting daarvan, maar ten aanzien van de zeven – nota bene – geprioriteerde zaakstromen bestaat nauwelijks enige verbetering.noot 4 Dat speelt in het bijzonder bij ernstige zedenmisdrijven, terwijl het systeem door de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven juist zwaarder zal worden belast. Vooralsnog wordt alleen geïnvesteerd in de opsporingscapaciteit, terwijl die zaken toch ook door de rechter moeten worden afgedaan binnen een voor het slachtoffer aanvaardbare termijn. En dan is het maar zeer de vraag of die nieuwe, strengere normen strafrechtelijk gezien succesvol kunnen worden afgedwongen. Het College van procureurs-generaal gaf, kort na de inwerkingtreding van de nieuwe zedenwet, al een schot voor de boeg: alleen volledig bewijsbare zaken moeten worden vervolgd, lastig te bewijzen zaken moet de politie eerder laten vallennoot 5 onder het devies: ‘Schiet niet met hagel, maar prik gericht’.noot 6 Dat getuigt van realiteitszin, maar roept ook de vraag op waarom nieuwe strafbaarstellingen worden gecreëerd die een enorme wissel trekken op de strafrechtspleging en nauwelijks vervolgbaar zijn.

Zelfs een kleine nieuwe strafbaarstelling, zoals het verbod op straatintimidatie in art. 429ter Sr leidt al tot zorgen over de beschikbare capaciteit voor de handhaving.noot 7 Het effect valt ook tegen: tot op heden zijn slechts vier zaken voor de rechter gebracht, waarvan twee tegen politiemedewerkers, waarbij de verdachte ook voor belediging van een ambtenaar in functie of aanrandingnoot 8 had kunnen worden vervolgd.noot 9 Dit voorbeeld illustreert de misvatting dat met het creëren van nieuwe strafbaarstellingen of hogere strafmaxima een zodanig strenge norm kan worden gesteld dat laakbaar gedrag zich vanzelf minder voordoet. Het tegendeel blijkt waar en dat geldt ook voor de zware criminaliteit. Bij de georganiseerde criminaliteit, de uithalersproblematiek in de haven van Rotterdam en de handel in verdovende middelen geldt dat ondanks alle wijzigingen in strafbaarstelling en strafmaat de situatie juist verergert en neveneffecten als corruptie in de hand werkt.noot 10

Voor de strafrechtadvocatuur geldt dat we ons vooral zorgen maken over de vraag of we in de toekomst nog de rechtsbijstand kunnen leveren die nodig is om de burger te beschermen tegen de overheid en het overheidshandelen te controleren. Tegelijkertijd maakt de strafrechtadvocatuur het zichzelf ook niet makkelijk. Met de almaar voortdurende discussie over de verandering van het toezicht op de advocatuur in het achterhoofd, helpt het niet dat opnieuw een strafrechtadvocaat strafrechtelijk is veroordeeld voor het schenden van het beroepsgeheim (art. 272 Sr) door tijdens een politieverhoor van een verdachte in beperkingen een medeverdachte over de telefoon te laten meeluisteren.noot 11 Ook de strafrechtadvocaat die, tuchtrechtelijk verwijtbaar, conflicten aangaat met rechters of met personeel van de PI’s bewees de beroepsgroep geen dienst.noot 12 Het opzoeken en overtreden van de grenzen van die het verschonings­recht biedt helpt de discussie over het principiële belang van dit wezenlijke recht niet verder. Tel daarbij op dat advocaten meer dan ooit te maken krijgen met agressie en bedreigingen,noot 13 een euvel waar overigens alle professionals in de strafrechtspleging last van hebben. Dat maakt dat de balans over het functioneren van de strafrechtspleging in het afgelopen jaar helaas diep in het rood eindigt.

Formeel strafrecht

Voorlopige hechtenis

Op het vlak van de voorlopige hechtenis is het gerechtshof Den Bosch de verdachte gunstig gezind. Zo oordeelde het hof op 29 februari 2024 dat ondanks de twaalfjaarsgrond en de ernstig geschokte rechtsorde voor een 21-jarige first offender ruimte was voor een schorsing (ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:698). Het hof overwoog dat in het algemeen mag worden aangenomen dat van detentie een afschrikwekkend effect uitgaat. Feiten of omstandig­heden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, waren niet gebleken. Bovendien stelde het hof vast dat de verdachte een stabiele woonomgeving had. Tot slot overwoog het hof dat aan de schorsing een aantal voorwaarden worden verbonden ‘opdat de samenleving begrijpt dat het in dit geval de voorkeur verdiend dat de verdachte in vrijheid zijn berechting afwacht’.

Waar nog weleens discussie ontstaat over het schorsen van de voorlopige hechtenis om een onvoorwaardelijke straf uit te mogen zitten, overwoog het hof op 18 april 2024 opnieuw dat schorsing in een dergelijk geval de voorkeur verdient (ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:1372). Het uitzitten van een onherroepelijk opgelegde straf kon worden gezien als alternatief voor de voorlopige hechtenis nu een verdachte feitelijk niet op vrije voeten werd gesteld en werd opgenomen in een regime dat in het algemeen soepeler is dan het regime voor verdachten die zich in voorlopige hechtenis bevonden. Er was wel enig risico verbonden aan de executie van de straf, omdat bij de beoordeling of de veroordeelde verlof en/of strafonderbreking kon krijgen de mogelijkheid bestond dat niet of onvoldoende rekening werd gehouden met het feit waarvoor voorlopige hechtenis werd toegepast. In dit geval stond die situatie niet aan een schorsing in de weg omdat er geen slachtofferbelangen waren. Bovendien wees het hof erop dat het risico werd ondervangen door het feit dat de voorlopige hechtenis herleefde op het moment dat de verdachte in aanmerking kwam voor verlof en/of straf­onderbreking.

Een opvallende beslissing op het gebied van de voorlopige hechtenis en de rol van het Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen (AICE) daarin, gaf de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27 februari (ECLI:​NL:​RBZWB:​2024:1236). Het betrof een verdachte die veroordeeld was tot een gevangenis­straf en tbs met voorwaarden, waarbij de tbs-maatregel uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard nu ter zitting duidelijk was geworden dat voor de verdachte op korte termijn een plek in een kliniek beschikbaar was. De rechtbank had bij vonnis de voorlopige hechtenis niet opgeheven, omdat een veroordeling was uitgesproken van een maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt of kon medebrengen (artikel 72 lid 3 Sv). Vervolgens meldde AICE aan de rechtbank dat plaatsing in een kliniek op korte termijn alleen mogelijk was als de rechtbank bij herstelvonnis de voorlopige hechtenis alsnog zou opheffen. Als die opheffing niet zou worden uitgesproken, zou dat volgens AICE betekenen dat de voorlopige hechtenis tot zestig dagen na de uitspraak nog liep. De rechtbank overwoog in deze uitspraak dat de wetsuitleg van AICE door de rechtbank niet werd gedeeld en dat AICE bovendien als onderdeel van de uitvoerende macht verplicht was strafvonnissen van de rechter loyaal uit te voeren. Daarbij kon en mocht geen eigen beleid worden gevoerd, omdat zij het bijvoorbeeld niet eens was met de inhoud daarvan, een andere interpretatie van de wet hanteerde of omdat ‘haar computersystemen niet op bepaalde rechterlijke beslissingen waren ingesteld’. ‘De weigering van het AICE het vonnis van de rechtbank loyaal uit te voeren, baart de rechtbank om rechtsstatelijke redenen zorgen’, aldus de rechtbank. Om praktische redenen werd het verzoek om de voorlopige hechtenis op te heffen alsnog gehonoreerd.

Bijzondere opsporingsbevoegdheden

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden liet zich op 6 maart van dit jaar – na een terugwijzing van de Hoge Raad – uit over de stelselmatige informatie-inwinning (ECLI:​NL:​GHARL:​2024:1664). De verdachte was, tussen de reguliere politieverhoren door, op de luchtplaats van het politiebureau in contact gebracht met een niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar. Anders dan de rechtbank kwam het hof tot de conclusie dat de door de inzet van stelselmatige informatie-inwinning verkregen verklaringen waren afgelegd in strijd met de in artikel 29 lid 1 Sv tot uitdrukking gebrachte en in artikel 6 lid 1 EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid van de verdachte. Bij de inzet was onvoldoende rekening gehouden met de kenbaar kwetsbare persoonlijkheid van de verdachte. Dit leidde volgens het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM, zoals door de verdediging was bepleit, maar tot uitsluiting van de verklaringen van de verdachte die door de inzet waren verkregen.

In de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van 23 april 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:646) had de politie door twee heimelijke ‘inzetten’ een dreiging voor de verdachte en zijn familie in scène gezet. Op die manier hoopte zij belastend bewijs te verkrijgen. Het hof oordeelde dat de toepassing van deze opsporingsbevoegdheid voldeed aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat oordeel was volgens de Hoge Raad niet toereikend gemotiveerd. Het hof was niet ingegaan op de juistheid van de argumenten van de verdediging, terwijl de door de verdediging aangevoerde aspecten, in onderlinge samenhang bezien, een schending van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit hadden kunnen opleveren. De verdediging voerde aan dat tegen de voorlopig gehechte verdachte al een anonieme dreiging bestond, waardoor hij een halfjaar in afzondering in de penitentiaire inrichting had doorgebracht. Bovendien hadden de inzetten tot veel angst en spanning geleid bij de verdachte en bij zijn familie, en was pas na vierenhalve maand verteld dat de dreiging was geënsceneerd. De Hoge Raad overwoog dat het oordeel dat ‘geen lichter of ander middel (meer) voorhanden was’, in dit licht evenmin begrijpelijk was.

Ook de arresten van 12 juli 2024 in het onderzoek ‘Vidar’ zijn interessant (ECLI:​NL:​GHARL:​2024:4632). In dat onderzoek werd voor het eerst sinds lange tijd gebruikgemaakt van de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Het hof oordeelde dat voor deze inzet een wettelijke basis bestond en dat het OM zich ‘voor het grootste deel’ aan de voorwaarden had gehouden. Hoewel op een aantal onderdelen vormverzuimen werden geconstateerd, zag het hof daarin voor de verdachten geen nadeel. Wel werd, vanwege de psychische problematiek bij de criminele burgerinfiltrant die ten tijde van de inzet ook al speelde, behoedzaam omgegaan met het gebruik van de verklaringen voor het bewijs.

Op 14 mei 2024 wees de Hoge Raad arrest in een zaak waarbij de vraag was of de inzet van een peilbaken onder de auto van de verdachte moet worden aangemerkt als stelselmatige observatie waarvoor een bevel ex artikel 126g Sv was vereist (ECLI:​NL:​HR:​2024:697). De Hoge Raad deed dit – na een uitgebreide conclusie van A-G Spronken – af met artikel 81 RO. Het arrest van het hof bleef daarmee in stand: het persoonlijk leven van de verdachte was door gebruik van het peilbaken niet in beeld gekomen en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer was zeer beperkt. Het peilbaken kon alleen live worden uitgelezen, de observatie was van korte duur geweest en de verdachte was niet gevolgd naar zodanige plaatsen dat inbreuk zou kunnen worden gemaakt op zijn privéleven. Daardoor kon niet worden gesproken van een stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv waardoor evenmin sprake was van een vormverzuim.

Voeging processtukken en inzage in stukken

Bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv (in hoger beroep jo. artikel 415 Sv) de maatstaf of de noodzaak van het verzochte gebleken. Het gaat hierbij om de relevantie van die stukken.noot 14 In 2022 maakte de Hoge Raad een einde aan de onduidelijkheid of de verdediging na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting kan verzoeken stukken in te zien voordat een verzoek tot voeging van stukken wordt gedaan. Tijdens het vooronderzoek kan op grond van artikel 34 lid 2 Sv inzage worden verzocht aan de officier van justitie, maar een specifieke wettelijke regeling voor de zittingsfase ontbreekt. De mogelijkheid een gemotiveerd inzageverzoek te doen in specifiek omschreven stukken is te ontlenen aan het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM gewaarborgde recht te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van de verdediging. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting beslist de zittingsrechter op een dergelijk verzoek, waarbij de Hoge Raad de mogelijkheid introduceerde (bijvoorbeeld) de rechter-commissaris eerst nader onderzoek te laten doen of, en zo ja, in welke mate en op welke wijze, die inzage kan worden toegestaan.noot 15

Dit kader is het afgelopen jaar door de Hoge Raad aangevuld (ECLI:​NL:​HR:​2024:192). De Hoge Raad overwoog dat voor de beoordeling of een voegingsverzoek voldoende was onderbouwd, mede van belang was of, en zo ja, op welke wijze door het Openbaar Ministerie al faciliteiten waren geboden om de in de zaak beschikbare digitale databestanden te raadplegen. Het zag er naar uit dat hogere eisen aan een voegings­verzoek mogen worden gesteld, indien eerst inzage kon worden gedaan. De Hoge Raad overwoog verder dat waar het ging om de beoordeling door de rechter-commissaris op grond van artikel 34 lid 4 Sv of om de uitvoering door de rechter-commissaris van het door de zittingsrechter gelaste nadere onderzoek de rechter-commissaris zich kon laten bijstaan door een deskundig persoon. Dat kon bijvoorbeeld nodig zijn indien voor het raadplegen of onderzoeken van grote digitale databestanden specifieke technische kennis was vereist. Als een verzoek tot het voegen van stukken bij de processtukken dan wel tot het verkrijgen van inzage verband hield met (de onderbouwing van) een verweer op een punt waarover de Nederlandse strafrechter geen oordeel toekwam, zou in de regel geen grond voor toewijzing van dat verzoek bestaan. De onderbouwing van voegings- en inzageverzoeken moest zien op het belang daarvan in het licht van de beslissingen die in de strafzaak konden en moesten worden genomen. Deze aanvulling is relevant in zaken aangaande de verkrijging van data van encrypted berichtendiensten als EncroChat en Sky ECC, waarbij data verkregen zijn door de inzet van bevoegdheden van andere lidstaten van de EU. Uit het vertrouwensbeginsel vloeit voort dat de Nederlandse strafrechter de rechtmatige toepassing van die toegepaste bevoegdheden niet toetst.

Ook het gerechtshof Amsterdam liet zich dit jaar uit over toegang tot stukken (ECLI:​NL:​GHAMS:​2024:1834). Het hof onderkende dat de verdediging deze mogelijkheid moet hebben om verweren te kunnen formuleren in het kader van de lopende strafzaak. Ook waar het gaat om toegepaste methoden van opsporing en de resultaten van dat onderzoek moete verdediging kunnen beschikken over informatie die redelijkerwijs relevant kon worden geacht voor het kunnen formuleren van verweren in de strafzaak. Wel mocht worden verwacht dat de verdediging gemotiveerd duidelijk maakte naar welk(e) (type) gegevens zij op zoek was. Het voorkomen van fishing expeditions vormt onder omstandig­heden een nadere beperking op dit recht op toegang (naast beperkingen wegens bijvoorbeeld privacy- of zwaarwegende opsporingsbelangen). Verder overwoog het hof dat bij de beoordeling van verzoeken, naast de relevantie voor de strafzaak, ook betekenis toekwam aan de aannemelijkheid, juistheid en volledigheid van de door de verdediging aan de verzoeken ten grondslag gelegde (feitelijke) motivering. Daarmee lijken de eisen die aan de motivering van voegings- en inzageverzoeken mogen worden gesteld verder te zijn aangescherpt.

Procesafspraken

In de Kronieken van de afgelopen jaren was veel aandacht voor het fenomeen proces­afspraken. Sinds de eerste uitspraken waarin conform een vooraf tussen OM en verdediging overeengekomen uitkomst van de strafzaak, de feitenrechter vonnis wees met een relatief lichte straf als gevolg van een efficiënte procedure, zijn meer dan honderd van dit soort zaken de revue gepasseerd. Met het arrest van de Hoge Raad waarin procesafspraken onder omstandig­heden zijn goedgekeurd en de Aanwijzing proces­afspraken in strafzaken van het college van procureurs-generaal is sprake van een bestendige praktijk. Inmiddels heeft ook de wetgever de handschoen opgepakt door een conceptwetsvoorstel over dit onderwerp in consultatie te brengen (zie verderop bij de bespreking van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering). Opmerkelijk in dat verband is dat de Raad voor de rechtspraak in haar advies van oktober 2024 bepleit dat de wetgever de praktijk nog even zijn gang moet laten gaan omdat de feitenrechter vooralsnog prima uit de voeten kan met het arrest van de Hoge Raad. Het niet laten uitkristalliseren van rechtspraak en best practices rondom procesafspraken kan in de weg staan aan de noodzakelijke rechtsontwikkeling op dit onderwerp, meent de raad.

Daarom is het interessant om te bezien welke ervaringen zijn opgedaan in het afgelopen jaar ten aanzien van procesafspraken en meer in het bijzonder waarom die spaak lopen. Het valt op dat de feitenrechter regelmatig afzag van het honoreren van procesafspraken als de afgesproken afdoening naar zijn oordeel niet in redelijke verhouding stonden tot de ernst van de zaak (ECLI:​NL:​RBDHA:​2024:1219). De rechtbank zou dan doorgaans de procespartijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de verdere behandeling en het onderzoek ter terechtzitting heropenen. Indien het onderzoek nog niet was gesloten, kon de rechtbank de zaak verwijzen naar de rechter-commissaris (ECLI:​NL:​RBAMS:​2024:2723). Niettemin waren er ook zaken waarin de rechtbank de procesafspraken afwees en wel direct uitspraak deed waarbij een hogere gevangenis­straf dan was afgesproken, werd opgelegd (ECLI:​NL:​RBROT:​2024:9701). In die zaak overwoog de rechtbank dat ‘de straffen voor drugsfeiten variëren en een relatief grote bandbreedte beslaan, maar een dergelijke straf voor dit feitencomplex zou zodanig door de ondergrens zakken dat de rechtbank dit – gelet op de strafdoelen van preventie en vergelding – niet aan de samenleving kan uitleggen’. Soms ook kon de rechtbank zich helemaal niet vinden in de gemaakte procesafspraken – niet alleen omdat de straf niet uit te leggen viel, maar ook omdat het maken van die procesafspraken in het geheel niet had geleid tot een efficiënte afdoening – zodat zij zich niet wenste te conformeren aan de zogenoemde ‘strafkorting’ van achttien maanden naar driehonderd dagen (ECLI:​NL:​RBMNE:​2024:5772).

Als procesafspraken al in de onderhandelingsfase stuklopen, is het niet de bedoeling dat de informatie over die onder­handelingen en mogelijke afspraken alsnog in het geding worden gebracht(ECLI:​NL:​GHAMS:​2024:2975). In deze megazaak had de advocaat-generaal concepten van de onderhandelingsstukken en de gewisselde e‑mailberichten met het oog op een regiezitting toegestuurd aan het hof zonder akkoord van de verdediging. Nu het hof toch wetenschap had van de inhoud van de stukgelopen afspraken, zou van een recht op een eerlijk proces geen sprake meer zijn, betoogde de verdediging. Het hof concludeerde dat sprake was van een schending van de beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder van het vertrouwensbeginsel, omdat de onder­handelingen in de zogenoemde precontractuele fase vertrouwelijk zouden zijn en niet ter kennis van de rechter behoorden te komen.. Het hof liet in uitgebreide overwegingen weten hoe het tegen die schending aankeek, maar gesanctioneerde niet: de zaak werd opnieuw op regie gepland.

Het is ook van belang dat de rechter, ingeval hij overweegt de procesafspraken tussen partijen te honoreren, in de gelegenheid is gesteld om alle in het geding zijnde belangen in zijn afweging te betrekken. In een zaak bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:​NL:​GHARL:​2022:2523) waar het ging om oplichting op grote schaal met veel gedupeerden en miljoenen aan benadeling, hadden OM en verdediging ervoor gekozen de vorderingen van de benadeelde partijen bij de procesafspraken buiten beschouwing te laten omdat die schade­vergoedingsverzoeken langs de civiele weg zouden kunnen worden beslecht (in afwachting van een schuld­sanerings­traject). Ook had de advocaat van de verdachte aangegeven dat hij, als het arrest de procesafspraken integraal zou volgen, alsnog cassatie zou instellen. Dit leidde ertoe dat het hof de procesafspraken uiteindelijk – na eerdere wenken dat er aandacht moest zijn voor de slachtoffers – toch niet volgde: de straf deed geen recht aan de ernst van de feiten, van een efficiëntieslag was geen sprake en zekerheid voor de benadeelde partij bleef uit. De Hoge Raad liet dit arrest in stand (ECLI:​NL:​HR:​2024:1361).

Getuigen

Het Keskin-arrest zorgde in 2021 voor een belangrijke wijziging in de jurisprudentie over het mogen horen van getuigen die belastend hebben verklaard.noot 16 Voor het ondervragingsrecht van die getuigen à charge gold voortaan dat het belang om die getuigen te mogen horen werd voorondersteld. Al snel kwam de Hoge Raad met enkele richtinggevende arresten waarin de eisen aan getuigenverzoeken werden bijgesteld.noot 17 Ook in 2024 werd het onderwerp getuigen enkele malen door de Hoge Raad besproken.

In de zaak die leidde tot ECLI:​NL:​HR:​2024:418 was een verzoek om via een rechtshulpverzoek in Turkije twee getuigen te mogen horen toegewezen. Door een misverstand over het tijdstip van het verhoor (door het tijdsverschil met Turkije) mislukte het verhoor. Wel werd door beide getuigen en de Turkse autoriteiten aangegeven dat ze bereid waren om mee te werken aan een nieuw verhoor. Dat wilde het gerechtshof niet meer afwachten omdat het hof in de strafzaken van de verdachte en medeverdachten gelijktijdig uitspraak wilde doen. Het horen van de getuigen in Turkije zou ervoor zorgen dat de afdoening van die strafzaken langer op zich zou laten wachten. Het gerechtshof beriep zich in haar motivering van artikel 288 lid 1 a Sv: een verzoek tot het horen van een getuige mag worden afgewezen als het niet mogelijk is die getuige binnen afzienbare termijn te horen. Daarbij hoeft het belang van die verklaring overigens niet in de afweging te worden betrokken.noot 18 Het oordeel dat het horen van de getuigen ervoor zou zorgen dat de afdoening in beide zaken te lang zou duren vond de Hoge Raad onbegrijpelijk: uit het proces-verbaal van de Rh-C volgde immers dat die verhoren weliswaar door een misverstand niet waren doorgegaan maar dat de getuigen traceerbaar en beschikbaar waren voor verhoor en dat de Turkse autoriteiten en getuigen zich bereid hadden verklaard mee te werken aan een nieuw verhoor. Omdat het gerechtshof de verklaringen van de getuigen wel voor het bewijs had gebruikt, terwijl de verdediging geen effectieve mogelijkheid had gekregen om het ondervragingsrecht uit te oefenen, casseerde de Hoge Raad.

In ECLI:​NL:​HR:​2024:770 stond de vraag centraal of het gerechtshof de verklaringen van een getuige voor het bewijs had mogen gebruiken, nu de verdediging door een beroep op het verschonings­recht geen effectieve mogelijkheid had gehad om het ondervragings­recht goed uit te oefenen. De Hoge Raad verwees naar het in 2021 geformuleerde stappenplan.noot 19 De rechter moet, als hij verklaringen gebruikt van getuigen bij wie de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang daarbij zijn (i) de reden dat het ondervragings­recht niet kon worden uitgeoefend met betrekking tot de getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van resultaten van het strafvorderlijk onderzoek, voor de bewezen­verklaring van het feit en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid.

In deze zaak beriep de getuige zich op zijn verschonings­recht. Maar toch zei hij wel iets. Niet alleen antwoordde hij op vragen van de raadsman dat hij bleef bij zijn latere verklaringen waarin hij openheid van zaken had gegeven, hij verklaarde ook nog dat die bij de politie afgelegde verklaringen de waarheid betroffen. Daaruit volgde volgens de Hoge Raad dat de mogelijkheid tot het uitoefenen van het ondervragingsrecht niet volledig had ontbroken, maar dat de uitoefening van het ondervragingsrecht slechts in beperkte mate was gerealiseerd. Ook bleek uit de gebruikte overige bewijsmiddelen dat het hof de betrouwbaarheid van de betreffende verklaringen van de getuige en de bruikbaarheid daarvan voor het bewijs in onderlinge samenhang met door anderen afgelegde verklaringen had beschouwd. De Hoge Raad oordeelde daarom dat het middel met de klacht over het gebruiken van de verklaringen van deze getuige voor het bewijs niet tot cassatie kon slagen.

In ECLI:​NL:​HR:​2024:1399 ontbrak de toets of het proces als geheel in het licht van artikel 6 EVRM eerlijk was verlopen. Het in hoger beroep gedane verzoek tot het horen van drie verbalisanten over de herkenning van de verdachte op camerabeelden werd afgewezen. Het hof vond de aanvullende processen-verbaal waarin werd gerelateerd over de herkenningen voldoende duidelijk. Door het niet-horen van de verbalisanten werd de verdediging niet in haar belangen geschaad, aldus het hof. Het gerechtshof gebruikte de verklaringen daarna ook voor het bewijs. Maar als dergelijke door de verdachte betwiste verklaringen, zonder dat de verdediging die getuigen heeft kunnen ondervragen, voor het bewijs gebruikt worden, moet de rechter ervan blijk geven dat hij is nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Nu het gerechtshof dat had nagelaten, was de klacht daarover gegrond.

Soms wordt het recht op een eerlijk proces door een groot tijdsverloop geschonden. Als er te veel tijd zit tussen de feiten en de uiteindelijke dagvaarding kan het zijn dat de verdachte zijn ondervragingsrecht niet meer goed kan uitoefenen omdat getuigen zich, door het tijdsverloop, de zaken niet meer (goed) herinneren. Zo ook in ECLI:​NL:​HR:​2024:​1413. Het hof verklaarde het OM niet-ontvankelijk vanwege de enorme overschrijding van de redelijke termijn. De dagvaarding vond vijf jaar na de feiten plaats. Verbalisanten konden zich niks meer herinneren en andere getuigen waren niet meer traceerbaar, overleden of hadden een verslechterde gezondheid. Het ondervragingsrecht was geschonden en de waarheidsvinding ernstig in het gedrang gekomen. Bovendien konden noodzakelijk geachte onderzoekshandelingen door het tijdsverloop niet meer worden uitgevoerd terwijl de verdediging daarover al in een vroeg stadium verzoeken had ingediend, maar het OM nergens op had gereageerd. De Hoge Raad liet de niet-ontvankelijkheid van het OM echter niet in stand en casseerde omdat het gerechtshof ontoereikend had gemotiveerd waarom bijvoorbeeld strafvermindering niet een passend (en daarmee beter) antwoord op de schending van het recht op een eerlijk proces was.

In ECLI:​NL:​HR:​2024:185 speelde iets soortgelijks. Het ging om tijdens een doorzoeking van een woning aangetroffen hennep en een vuurwapen. De verdediging wilde de verbalisanten horen die bij de doorzoeking aanwezig waren geweest en diende daartoe een appelschriftuur in. Bijna drie jaar later volgde een antwoord. Maar bij het horen van de verbalisanten bleek dat zij zich niets meer konden herinneren van de doorzoeking. Daarmee was de verdediging volgens het gerechtshof een behoorlijke en effectieve mogelijkheid ontnomen om het ondervragingsrecht uit te oefenen. Tevens kon het hof geen compenserende factoren vaststellen. Het hof vond de gehele gang van zaken problematisch voor de bewijswaardering en kwam tot de conclusie dat bewijsuitsluiting moest volgen. De verdachte werd vrijgesproken. Dit lijkt een oordeel dat in cassatie makkelijker standhoudt dan een niet-ontvankelijkverklaring nu de eisen daarvoor een stuk strenger zijn. Voor de praktijk is het een mooi arrest waarin de toetsing van de eerlijkheid van het proces in heldere stappen wordt doorlopen.

Aanwezigheidsrecht en aanhoudingsverzoeken

De Hoge Raad heeft in eerdere jurisprudentie de beoordelings­kaders voor aanhoudings­verzoeken duidelijk gesteld. Toch gaat het in de praktijk nog vaak genoeg mis. Het is aan de verdediging om de reden van het aanhoudingsverzoek concreet te maken. Slaagt de verdediging hier niet in, dan kan de rechter een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak afwijzen. De rechter dient wel blijk te geven van een afweging van belangen, zoals het belang van een spoedige berechting in verhouding tot het aanwezigheidsrecht.

Dat niet altijd het juiste beoordelingskader wordt gehanteerd, bleek maar weer eens in het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:1005). Ter zitting deed de gemachtigd raadsman van de verdachte een aanhoudingsverzoek, met als reden dat de verdachte geen vrij kon krijgen van zijn werk en dus niet op de zitting aanwezig kon zijn. Het hof wees het verzoek af zonder te toetsen of de opgegeven reden aannemelijk was. Het hof overwoog alleen dat de oproeping in persoon was betekend en dat de melding van verhindering wegens werk te laat was ontvangen. Volgens eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad is dit niet het juiste beoordelingskader. De rechter had bij het aanhoudings­verzoek een afweging moeten maken tussen alle ter zitting betrokken belangen, te weten het recht van de verdachte om ter terechtzitting aanwezig te zijn in verhouding tot een spoedige berechting van de verdachte maar ook de samenleving. Bij afwijzing van zo’n verzoek dient de rechter bij de motivering blijk te geven van een dergelijke belangen­afweging. In casu was dit niet gebeurd en was de afwijzing van het aanhoudingsverzoek dus ontoereikend gemotiveerd.

In de volgende zaak speelde nagenoeg hetzelfde (ECLI:​NL:​HR:​2024:1395). De (niet-gemachtigd) raadsman deed ter terechtzitting in hoger beroep een verzoek tot aanhouding vanwege de afwezigheid van de verdachte. Hij voerde aan dat de verdachte gebruik wenste te maken van zijn aanwezigheidsrecht, maar waarschijnlijk was verhinderd omdat hij in Nederland ongewenst was verklaard en was uitgezet. Volgens de verdediging was de verdachte mogelijk ook niet op de hoogte van de zitting. Het hof wees het aanhoudingsverzoek af omdat niet aannemelijk was geworden dat de verdachte gebruik wenste te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Ook had het hof niet vastgesteld of de oproep aan de verdachte was betekend dan wel of de verdachte op een andere wijze van de zittingsdatum op de hoogte was geraakt. Het hof had dus niet geoordeeld of deze aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid al dan niet aannemelijk was. Evenmin had het hof zich uitgelaten over de andere aangevoerde redenen met betrekking tot het aanhoudingsverzoek, namelijk dat de verdachte mogelijk was verhinderd omdat hij was uitgezet. Het hof had een belangenafweging moeten maken tussen het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Nu het hof geen blijk had gegeven van die belangenafweging, was er volgens de Hoge Raad sprake van een ontoereikende motivering. Er volgden vernietiging en terugwijzing.

Bewijsminima, unus testis

Aan de regels van de bewijsminima an sich is in 2024 niets veranderd. Nog altijd geldt het in artikel 342 lid 2 verankerde uitgangspunt unus testis, nullus testis: een enkele getuigen­verklaring is onvoldoende om te komen tot het benodigde bewijs. Daarvoor is meer nodig, al stelt de Hoge Raad van oudsher geen al te hoge eisen aan het bijkomende bewijsmateriaal. Een geringe hoeveelheid steunbewijs is in de regel voldoende, waarbij dit steunbewijs wel uit een andere bron afkomstig moet zijn. Het steunbewijs hoeft echter niet direct te zien op de tenlastegelegde gedragingen. Wel moet er een voldoende duidelijk verband zijn tussen de verklaring van een getuige en het steunbewijs. Algemene uitgangspunten voor de invulling van dat voldoende duidelijk verband tussen de getuigen­verklaring en het steunbewijs geeft de Hoge Raad nog altijd niet. Dat vergt een beoordeling van het concrete geval.

In de conclusie van A-G Paridaens (ECLI:​NL:​PHR:​2024:356) bij het arrest van de Hoge Raad van 14 mei 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:693) werd een rechtspraakoverzicht opgenomen van de unus testis-regel. Onderscheiden worden een zevental categorieën bewijsmiddelen die in de praktijk als steunbewijs worden gebruikt. Het gaat dan om bewijsmiddelen die uitlatingen van de verdachte inhouden, foto’s/video’s/belgeschiedenis, schakelbewijs, bewijsmiddelen over een specifieke handelwijze van de verdachte, medische gegevens, de aanwezigheid van een verdachte bij het delict en de waargenomen emotie door derden.

De door derden waargenomen emotie bij een vermeend slachtoffer na het delict is de meest voorkomende categorie steunbewijs. Enkel een waargenomen emotie kan voldoende steunbewijs opleveren, waarbij vooral het tijdsverloop tussen die emotie en het delict van belang is. Vaak gaat het om emoties die direct na het delict zijn waar­genomen, maar ook als er sprake is van enig tijdsverloop tussen het delict en de waargenomen emotie kan de door derden waargenomen emotie voldoende steunbewijs opleveren. Zo liet de Hoge Raad al eerder een bewezen­verklaring in stand waar de emotie door moeder zes weken na het misbruik werd waargenomen. In het arrest dat volgde op de conclusie van Paridaens ging het om de waargenomen emotie bij het slachtoffer de maandag nadat in de nacht van zaterdag op zondag de verkrachting zou hebben plaatsgevonden. De Hoge Raad liet dit arrest in stand.

De Hoge Raad casseerde dit jaar wel een zaak waarin het ging om ontuchtige handelingen gepleegd in een massagesalon (ECLI:​NL:​HR:​2024:686). Het hof overwoog dat er voldoende steunbewijs werd gevonden in de berichten die de aangeefster diezelfde dag over het voorval in de massagesalon naar haar vriendin zou hebben gestuurd, de bevestiging van het feit dat aangeefster die dag daadwerkelijk een massage had genoten bij de verdachte in de salon en het feit dat haar vriendin jaren later, op meerdere momenten, nog steeds waarnam dat aangeefster ‘zichtbaar minder zelfverzekerd’ was op het moment dat ze over het voorval sprak.

De Hoge Raad herhaalde zijn relevante overwegingen uit 2010noot 20 en overwoog dat de motivering van het hof niet zonder meer begrijpelijk was nu de whatsappberichten in de kern niet méér inhielden dan een verslaglegging van aangeefster zelf over het voorval. Het enkele feit dat aangeefster een massage had genoten bij de verdachte in de salon en dat ze jaren later op momenten minder zelfverzekerd overkwam op de getuige is onvoldoende.

Ambtshalve herkenning

Een bijzondere positie in de regels van de bewijsminima neemt het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in. Artikel 344 lid 2 schrijft voor dat het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter kan worden aangenomen enkel op basis van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van een opsporings­ambtenaar. Vooral de ambtshalve herkenningen door verbalisanten zijn in de literatuur en de jurisprudentie vaak onderwerp van discussie.

In dat verband is de conclusie van Knigge voorafgaand aan het arrest van 17 maart 2020 nog steeds actueel. Knigge maakte onderscheid tussen twee typen herkenningen, namelijk de herkenningen door opsporings­ambtenaren die een verdachte goed kenden van vorige gelegenheden en herkenningen waarbij dit niet het geval was.noot 21 Voor die eerste categorie geldt dat een aantal factoren van belang zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning: de intensiteit en de frequentie van de eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte te zien is en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen.

De rechtbank Amsterdam (ECLI:​NL:​RBAMS:​2024:5893) benadrukte dit jaar in een uitspraak dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan, zeker als die herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij een feit kunnen aantonen. De rechtbank oordeelde dat de stills waarop de twee herkenningen waren gebaseerd onvoldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende kenmerken bevatten om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt en sprak vrij.

Een andere zaak uit de lagere rechtspraak is die van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:​NL:​RBZWB:​2024:6547) alwaar de totstandkoming van de ambtshalve herkenningen wel op heel dubieuze wijze plaatsvond. In die zaak kon uit de op verzoek van de raadsman aan het dossier toegevoegde e‑mailcorrespondentie tussen verbalisanten worden afgeleid dat voorafgaand aan de herkenning informatie over de identiteit van de verdachte was gedeeld en het expliciete verzoek werd gedaan een herkenning voor deze bij naam genoemde verdachte op te maken. In het proces-verbaal van herkenning werd geen melding gemaakt van vooraf verkregen informatie. De rechtbank overwoog dat waarheidsvinding haar op deze manier onmogelijk werd gemaakt en achtte de inbreuk zodanig ernstig dat niet langer sprake was van een eerlijk proces. Het Openbaar Ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Dat enige voorkennis niet aan het gebruik van de herkenning in de weg hoeft te staan, illustreerde de zaak die leidde tot het arrest van 22 oktober (ECLI:​NL:​HR:​2024:1465). De Hoge Raad liet een veroordeling van het hof in stand, hoewel duidelijk was dat de betreffende verbalisant voorafgaand aan de herkenning al te horen had gekregen wie de mogelijke verdachte van de beroving was. Het hof overwoog dat behoedzaamheid gelet op die voorinformatie weliswaar geboden was, maar dat gelet op het feit dat er ook twee andere herkenningen van andere verbalisanten zonder voorinformatie waren, de herkenning van deze derde verbalisant met voorkennis wel gebezigd kon worden voor het bewijs.

In een ander arrest (ECLI:​NL:​HR:​2024:1152) ging het om de vraag of het hof het verbod op denaturering had geschonden door in de bewijsoverwegingen ten aanzien van de ambtshalve herkenning op te nemen dat de herkenning zou hebben plaatsgevonden op basis van een foto terwijl in het proces-verbaal stond dat de herkenning zou hebben plaatsgevonden op basis van een screensaver. De Hoge Raad liet het arrest van het hof in stand en oordeelde dat daarmee geen wezenlijk andere betekenis of strekking was gegeven aan de herkenning van de verbalisant.

Vormverzuimen

Het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2023 viel vorig jaar net buiten de Kroniek, reden waarom we de uitspraak dit jaar bespreken (ECLI:​NL:​HR:​2023:1768). In deze zaak ging het om de verkoop van harddrugs. De politie had vier telefoons in beslag genomen onder de verdachte, waarbij zij viermaal de inkomende oproepen op de mobiele telefoons had beantwoord. De Hoge Raad overwoog, anders dan het hof, dat deze beantwoording van oproepen niet een onderzoek vormde aan de in beslag genomen telefoons zoals aan de orde was in ECLI:​NL:​HR:​2017:584. De bevoegdheid hiertoe kon daarom niet worden gevonden in een wettelijke grondslag voor inbeslagneming. De Hoge Raad herhaalde relevante overwegingen uit 2014noot 22 met betrekking tot de niet specifiek in de wet geregelde wijze van opsporing. Het hof had geoordeeld dat het beantwoorden van inkomende oproepen door de politie slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte had opgeleverd, dat daarvoor geen tussenkomst van de officier van justitie was vereist en zodoende geen sprake was van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De Hoge Raad overwoog dat dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde en niet onbegrijpelijk was, gelet op vaststellingen van het hof dat de politie niet meer dan vier oproepen had beantwoord, waarna een kort gesprek plaatsvond met de beller en de beller liet blijken op zoek te zijn naar verdovende middelen. De opsporingsambtenaar had vervolgens na enkele zinnen zijn functie bekendgemaakt. Hoewel dus werd overwogen dat geen sprake was van een wettelijke bevoegdheid hiertoe, werd vanwege de beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer hieraan geen rechtsgevolg verbonden. De Hoge Raad verwierp het beroep.

Op 9 april 2024 deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak waarin een minderjarige zonder advocaat werd gehoord (ECLI:​NL:​HR:​2024:555). De verdenking betrof medeplegen van een poging tot zware mishandeling. In deze zaak had het hof vastgesteld dat een minderjarige verdachte voor het feit waarover hij bij de politie een verklaring had afgelegd, niet was aangehouden, maar dat hem op dat moment uit anderen hoofde zijn vrijheid was ontnomen. Op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat hiervoor bedoelde regels niet van toepassing waren, maar dat oordeel was onjuist. Dat had tot gevolg dat ook het oordeel dat de verdachte rechtsgeldig afstand kon doen van zijn recht op rechtsbijstand en om die reden geen sprake was van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv vanwege schending van recht op rechtsbijstand, onjuist was. De vraag of de huidige wettelijke regeling van rechtsbijstand aan minderjarige verdachten voorafgaand en tijdens het (eerste) politieverhoor, ook in gevallen waarin de minderjarige verdachte zich in vrijheid bevond, volledig in overeenstemming was met artikel 6 van de Richtlijn 2016/800/EU over procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in strafprocedure, behoefde in deze zaak geen beantwoording gelet op wat hiervoor is overwogen.

Op 19 maart 2024 ging een uitspraak van de Hoge Raad over het niet aan de verdachte mededelen dat de rechtsbijstand kosteloos was, terwijl het een feit betrof waarvoor voorlopige hechtenis was toegelaten (ECLI:​NL:​HR:​2024:412). Uit een samenstel van wettelijke bepalingen volgt dat de verdachte, aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, moet worden medegedeeld dat rechtsbijstand kosteloos isIngeval de verdachte afstand heeft gedaan van het recht op het raadplegen van een raadsman, nadat hij op het bestaan van dit recht is gewezen, maar waarbij ook is vastgesteld dat sprake is van een vormverzuim, in die zin dat niet alle voorgeschreven mededelingen volledig en in alle opzichten juist zijn gedaan, dan moet de rechter, indien verweer wordt gevoerd over het gebrek van het doen van die mededelingen, op grond van artikel 359a Sv beoordelen of aan het verzuim rechtsgevolg moet worden verbonden en welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Namens de verdachte werd aangevoerd dat het verhoor van de verdachte mede betrekking had op verdenking van vernieling en mishandeling en dat de verdachte weliswaar was geïnformeerd over het recht op rechtsbijstand, maar dat haar in strijd met de wettelijke regeling niet was medegedeeld dat rechtsbijstand kosteloos zou zijn. Verder was aangevoerd dat de verdachte geen afstand zou hebben gedaan van haar recht op bijstand van een raadsman voorafgaand aan en tijdens haar verhoor als zij op juiste manier was voorgelicht over de kosten van rechtsbijstand. Het hof verwierp dit verweer en overwoog daartoe dat de verdachte afstand heeft gedaan van het recht op rechts­bijstand. Het hof liet echter de juistheid van de hiervoor genoemde stellingen in het midden en had wat namens de verdachte naar voren was gebracht niet bij de beoordeling van het verweer betrokken. De verwerping van het verweer was daarom ontoereikend gemotiveerd.

Op 22 oktober 2024 werd uitspraak gedaan over de vraag hoe een artikel 359a Sv-verweer dient te worden ingericht wil het kans van slagen hebben (ECLI:​NL:​HR:​2024:1501). Het ging in deze zaak om rijden onder invloed van alcohol en de vraag of het beroep op artikel 359a Sv van de verdediging, te weten dat het recht op rechtsbijstand van een raadsman tijdens het verhoor was geschonden, aan de aan zo’n verweer te stellen eisen voldeed. Het hof oordeelde dat het verweer niet voldeed aan de eisen en dit oordeel was volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Daartoe werd overwogen dat de in het tweede lid van artikel 359a Sv bedoelde factoren niet of in ieder geval onvoldoende ter sprake waren gebracht en de conclusie van de raadsvrouw dat het resultaat van het bloedonderzoek van het bewijs moest worden uitgesloten, niet zozeer volgde uit het standpunt dat de verdachte geen gebruik heeft kunnen maken van verhoorbijstand door een raadsman, maar uit de ‘veelheid van vormverzuimen’. Het beroep werd verworpen.

Tot slot zijn dit jaar enkele arresten gewezen over het Tallon-criterium, zoals de uitspraak van 11 juni 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:814). In deze zaak ging het om poging tot doodslag, medeplegen aan voorbereiding van moord en voorbereiding van opzettelijke brandstichting en/of een ontploffing teweegbrengen, begaan met een terroristisch oogmerk. De verdediging had zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door AIVD-agenten, die in contact stonden met de medeverdachte, is gebracht tot het begaan van strafbare feiten die hij zonder optreden van die agenten niet zou hebben begaan. De Hoge Raad herhaalde relevante overwegingen uit de EHRM-rechtspraak met betrekking tot de vraag wanneer bijzondere opsporingsmethoden in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces en rechterlijke toetsing bij een beroep door de verdediging op het instigatieverbod. Het hof oordeelde dat, hoewel verslaglegging van het optreden van de AIVD niet volledig was te controleren, de verdediging in de gelegenheid is geweest op basis van onderzoek (ambtsbericht) en de veronderstelde inzet van de AIVD tijdens parallel onderzoek in zekere mate te toetsen en dat daarbij van geen onregel­matig­heden is gebleken. Verder oordeelde het hof dat uit e‑mails tussen de mededader en de veronderstelde AIVD-agenten niet was gebleken dat de mededader door hen tot het voornemen tot plegen van een aanslag was gebracht. In dat oordeel lag besloten dat de veronderstelde AIVD-agenten in hun contacten met de mededader ‘essentially passive’ zijn gebleven en dat de mededader niet door hen ‘was subjected to pressure to commit the offence’. Daarbij overwoog het hof ten overvloede dat de mededader ter zitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak was gevraagd om de stelling dat hij onder druk was gezet en gehersenspoeld toe te lichten en dat de mededader zich toen beriep op zijn zwijgrecht. Evenmin was de verklaring die de mededader in hoger beroep als getuige over de e‑mails aflegde concreet geworden. Op grond van deze omstandig­heden oordeelde het hof dat niet is gebleken dat artikel 41.5 Wiv 2017 jegens de mededader is geschonden en dat het gebruik voor het bewijs, tegen de verdachte van communicatie tussen de mededader en de politie-infiltrant en de directe resultaten daarvan, niet in strijd was met het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Het oordeel getuigde (mede gelet op rechtspraak van EHRM) niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Het hof heeft ook in voldoende mate redenen opgegeven die tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt konden leiden, aldus de Hoge Raad.

Redelijke termijn

De discussie of een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn tot het oordeel mag leiden dat het OM niet-ontvankelijk is en het recht tot vervolging heeft verspeeld, speelt al jaren. Hoewel de Hoge Raad in de standaardjurisprudentie als uitgangspunt hanteert dat een dergelijke overschrijding vooral dient te worden gecompenseerd door vermindering van bijvoorbeeld de op te leggen straf of het te ontnemen geldbedrag, deden zich na verloop van tijd toch zaken voor waarin de feitenrechter wel degelijk verdergaande beslissingen nam. Dat is niet zo vreemd als wordt bedacht dat het OM ook zelf als gevolg van ernstige capaciteitstekorten de eigen niet-ontvankelijkheid vorderde in sterk verouderde strafzaken. In zaken waarin jeugdigen onderwerp van vervolging zijn (en dus niet meer zo jong zijn als het vergrijp eenmaal voor de rechter komt) al dan niet in combinatie met strafzaken waarin de termijnoverschrijding ook fundamentele proces­rechtelijke consequenties had, zoals het niet kunnen voeren van een effectieve verdediging of vergaande beperkingen in de waarheidsvinding, kon de strafrechter streng uit de hoek komen. Het jaar 2024 kenmerkt zich ten aanzien van het onderwerp van de redelijke termijn echter door een aantal cassaties van dergelijke arresten. In ECLI:​NL:​HR:​2024:492 zette de Hoge Raad die lijnen (vermindering volstaat, hoe de compensatie eruitziet is aan de feitenrechter) nog eens uit met betrekking tot de redelijke termijn. Bij relatief geringe overschrijdingen of in zaken waarin de gevangenis­straf beperkt is tot enkele weken of maanden, werd volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De keerzijde is blijkens ECLI:​NL:​HR:​2024:1081 wel dat de motivering van het enkele constateren van de termijnoverschrijding zonder straf­vermindering niet erin mag bestaan dat het feit zo ernstig was. Dat de termijn­overschrijding van drieënhalve maand in hoger beroep in het niet viel bij de ‘aard en ernst van de bewezen­verklaring’ (in casu de aanrijding van een fietser door een dronken bestuurder, waarna het slachtoffer zwaargewond werd achtergelaten) was geen reden om geen strafvermindering door te voeren.

Een dergelijk verweer moet echter uitdrukkelijk worden onderbouwd conform artikel 359 lid 2 Sv, waarbij op ondubbelzinnige wijze de gronden worden benoemd waarop artikel 6 EVRM is overschreden. Het enkele noemen van de overschrijding is wat dat betreft onvoldoende. De conclusie van A-G Harteveld luidde nog anders, vooral omdat uit de stukken van het geding wel was af te leiden dat voor de fase van hoger beroep die overschrijding alleen al ruim zestien maanden besloeg. De verdediging dient op ondubbelzinnige wijze aan te geven in welke procesfase van het geding en in welke mate sprake zou zijn van overschrijding. Hoewel de A-G stelde dat het hof gehouden was een gemotiveerde beslissing op het verweer te geven (ECLI:​NL:​PHR:​2023:1066), casseerde de Hoge Raad niet (ECLI:​NL:​HR:​2024:168). Hetzelfde gold ook voor het verweer ‘dat de redelijke termijn is geschonden en de verdachte nog vastzit’: het hof mocht hier van de Hoge Raad terecht aan voorbijgaan (ECLI:​NL:​HR:​2024:45).

Voor de berekening of de redelijke termijn is overschreden en in welke mate, is het van belang om vast te stellen wanneer een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem of haar vervolging kan worden ingesteld. In langlopende onderzoeken met verschillende momenten waarop een verdachte is verhoord en vrijheidsbenemende dwangmiddelen zijn toegepast, dient de verdediging in het verweer duidelijk te maken wanneer die verwachting voor het eerst heeft kunnen bestaan. In ECLI:​NL:​HR:​2024:1013 had het gerechtshof de datum waarop de verdachte opnieuw gevangen was genomen (2 mei 2018) als uitgangspunt genomen. Het hof had echter ook vastgesteld dat de verdachte al eerder in verzekering was gesteld (op 9 juni 2015). Toch moest – indachtig het standaardarrest uit 2008 – die eerste datum van inverzekering­stelling geldenook al was die eerste periode van voorlopige hechtenis op 18 september 2015 weer opgeheven wegens gebrek aan ernstige bezwaren. De Hoge Raad casseerde, maar merkte wel op dat het verloop van de voorlopige hechtenis, de duur van vrijheidsbeneming en de redenen die dat verloop hebben bepaald, wel van betekenis kunnen zijn bij de beantwoording van vraag of de duur van de procedure nog als redelijk kon worden aangemerkt.

Als een feitenrechter bepaalt dat niet alleen sprake is van een onevenredig tijdsverloop maar ook van complicaties daardoor ten aanzien van de bewijsgaring of de waardering van het bewijs, zodat de ‘fairness of the proceedings as a whole’ in het gedrang komt, kunnen verderstrekkende consequenties aan de overschrijding van de redelijke termijn worden gekoppeld zoals de niet-ontvankelijkheid van het OM. Zo geschiedde in ECLI:​NL:​GHSHE:​2023:1435 waarbij het hof overwoog dat de termijn was gaan lopen met de inverzekering­stelling op 9 december 2013, dat de enorme overschrijding van vijf jaar en vijf maanden het gevolg was van ‘stilzitten door het OM’ terwijl de verdediging zelf een actieve rol had gespeeld door informatie in te winnen over de stand van zaken, door nog voor de dagvaarding aan te geven getuigen te willen horen en zelfs te vragen om beëindiging van de zaak. De getuigen die uiteindelijk waren toegewezen konden niet worden getraceerd of waren vanwege gezondheidsredenen niet in staat te worden gehoord, terwijl de verzochte verbalisanten door het enorme tijdsverloop niet meer in staat waren zich iets te herinneren van de zaak. Volgens het hof was daardoor sprake van uitzonderlijke omstandig­heden en inbreuk op de verdedigingsrechten waardoor de waarheidsvinding in het gedrang was gekomen. Het leidde tot de niet-ontvankelijkheid van het OM. De Hoge Raad in ECLI:​NL:​HR:​2024:1413 casseerde, op voorspraak van de A-G (ECLI:​NL:​PHR:​2024:879).Daarmee lijkt de discussie over de vraag of een enorme overschrijding van de redelijke termijn ooit kan leiden tot een niet-ontvankelijk OM, voorlopig beslecht.

Wraking

Ook dit jaar werden de meeste wrakingsverzoeken weer afgewezen. We lichten er een paar opmerkelijke beslissingen uit. In ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:3403 werd het wrakingsverzoek te laat (pas na veertien dagen) ingediend. Bovendien werd nagelaten te onderbouwen dat verzoekster – zoals zij stelde – zo langdurig van slag was geweest dat zij twee weken niet meer helder had kunnen nadenken. Het verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekers die al te enthousiast gebruikmaken van het wrakingsinstrument kunnen overigens een wrakingsverbod opgelegd krijgen (ECLI:​NL:​GHDHA:​2024:1543, ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:2662 en ECLI:​NL:​GHDHA:​2024:263).

In ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:6 was de mededeling van de voorzitter over ‘dezelfde’ kleding onvoldoende om de schijn van rechterlijke partijdigheid objectief te rechtvaardigen. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt dat beelden werden getoond van het schoolplein en van een geweldsincident op het parkeerterrein. Daarbij merkte de voorzitter op dat ‘de kleding waarin de verdachte herkend is op de beelden van het schoolplein dezelfde is als de kleding die zichtbaar is op de beelden van het geweldsincident’. Voor de wrakingskamer was deze mededeling van de voorzitter die zich met een voor een misverstand vatbare woordkeuze (dezelfde in plaats van soortgelijke) had uitgelaten onvoldoende om de wraking toe te wijzen. Het feit dat de voorzitter ter zitting direct uitlegde hoe hij zijn woorden had bedoeld, speelde daarbij een rol.

Een zitting verloopt niet altijd vlekkeloos. In ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:2056 zat een van de raadsheren bijna te slapen - volgens het wrakingsverzoek was hij nauwelijks geïnteresseerd in hetgeen naar voren werd gebracht. Ook reageerde de voorzitter met stem­verheffing op een opmerking van de verzoeker. Maar de indruk en het gevoel van de verzoeker over het verloop van de zitting waren onvoldoende om te oordelen dat er sprake was van de blijk van vooringenomenheid noch was de eventuele vrees daartoe objectief gerechtvaardigd.

In ECLI:​NL:​RBZWB:​2024:2413 werd een curator gewraakt. Dat verzoek was niet-ontvankelijk. De curator was geen procesdeelnemer in de hoofdzaak. In ECLI:​NL:​RBDHA:​2024:15696 bleek de rechter-commissaris uit anderen hoofde over relevante informatie te beschikken die (nog) niet in het strafdossier (toetsingsdossier) was gevoegd. Het ging om informatie over de doorzoeking van een woning van verzoeker. Deze doorzoeking had onder toezicht van dezelfde rechter-commissaris plaatsgevonden, maar het proces-verbaal van de doorzoeking was nog niet in het strafdossier gevoegd. Dat betekende volgens de wrakingskamer echter niet dat daarmee sprake was van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Van een rechter-commissaris mag worden verwacht dat deze zich vanuit zijn/haar professionaliteit beperkt tot het toetsen aan de hand van de stukken die zich in het toetsingsdossier bevinden. De wrakingskamer had ook geen concrete aanwijzingen dat de rechter-commissaris bij de toetsing van de inverzekeringstelling van verzoeker gebruik had gemaakt van (de haar ambtshalve bekende) informatie over de doorzoeking. Dat het toetsingsdossier ‘mager’ was, zoals werd aangevoerd door verzoeker, was daarvoor een onvoldoende onderbouwing.

Veel verzoeken werden afgewezen omdat ze buiten de bevoegdheid van de wrakings­kamer vielen, bijvoorbeeld omdat werd geklaagd over de juistheid van een beslissing van een rechter-commissaris (ECLI:​NL:​RBNHO:​2024:10844) of omdat rechters werden gewraakt die niet bij de behandeling van de zaak waren betrokken (‘het hele Haagse hof’, ECLI:​NL:​GHDHA:​2023:2923).Een griffier kan niet worden gewraakt (ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:2047) en wraken nadat de einduitspraak is gegeven, is te laat ( ECLI:​NL:​RBOVE:​2024:798).

Wrakingen na onwelgevallige tussenbeslissingen leiden zelden tot succes (ECLI:​NL:​RBNHO:​2024:1897 en ECLI:​NL:​RBDHA:​2024:16560). Die laatste uitspraak zag op een verzoek tot wraking vanwege het niet-honoreren van een aanhoudingsverzoek. Beslissingen die zien op de orde ter terechtzitting kunnen bij het negatief uitvallen van die beslissing ook niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden (ECLI:​NL:​RBGEL:​2024:1083). Maar zo nu en dan werd een verzoek tot wraking wel toegewezen. In ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:1765 werd een wrakingsverzoek van de raadsheer-commissaris in de context van een getuigenverhoor door de wrakingskamer toegewezen. Ook het verzoek van de medeverdachte die een soortgelijk bericht van de raadsheer-commissaris had ontvangen werd toegewezen (ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:1764). De medeverdachten in deze zaak werden als getuigen in elkaars zaak gehoord. Daarom vroegen de advocaten van de verdachten of ze bij het getuigenverhoor van hun cliënt aanwezig mochten zijn. Dat verzoek werd door de Rh-C afgewezen omdat hij vreesde dat de getuigen door de aanwezigheid van hun advocaat beïnvloed zouden worden en dat in dat geval gesteld zou kunnen worden dat de getuige niet in vrijheid had verklaard.

Die afwijzing was ongebruikelijk nu de getuigen ook (mede)verdachte waren in hun eigen zaak. In dat kader wilden ze logischerwijs ook de bijstand van hun advocaat omdat bij het afleggen van een getuigenverklaring in de zaak van de medeverdachte tevens hun procespositie als verdachte in het geding kwam. De wrakingskamer oordeelde dat de getuige in dat verband een verschonings­recht toekwam. De motivering van de Rh-C dat de aanwezigheid van de raadslieden niet werd toegestaan zodat de medeverdachte niet kon zeggen dat de getuige (tevens verdachte) onjuist of niet alles had verklaard omdat zijn advocaat erbij had gezeten, was volgens de wrakingskamer dan ook onbegrijpelijk. Daarbij betrok de wrakingsrechter expliciet de rol van de advocaat in het strafproces. Gezien die rol was naar objectieve maatstaven de vrees voor partijdigheid van de Rh-C gerechtvaardigd.

In ECLI:​NL:​RBLIM:​2024:7773 hoorde de r-c de partner van verzoeker als getuige zonder dat de advocaat van verzoeker daarbij aanwezig kon zijn. Ook bezocht zij de moeder van verzoeker (tevens de aangeefster in deze zaak) op haar huisadres voor het verkrijgen van toestemming voor het gebruiken van medische gegevens. Die twee beslissingen konden niet tot wraking leiden. Maar dat lag anders voor wat betreft een brief die de r-c aan de raadkamer had gestuurd. Daarin werd niet alleen informatie over de stand van zaken gegeven, maar verwees de r-c ook naar opvallende overeenkomsten tussen een brief van de verdachte aan zijn partner en een brief van de aangeefster, die zij ‘opvallend’ noemde. Daarmee sprak de r-c een waardeoordeel uit en ondersteunde zij volgens de wrakings­kamer de hypothese dat verzoeker de aangeefster wilde beïnvloeden en dat hij dus wat te verbergen had. Dit maakte dat het wrakingsverzoek werd toegewezen wegens de terechte vrees voor partijdigheid van de rechter-commissaris.

In ECLI:​NL:​RBMNE:​2024:6083 werd het verzoek tot wraking ook toegewezen. Het enkele feit dat de rechter een medeverdachte in een eerdere procedure had veroordeeld voor medeplegen van een winkeldiefstal was daarvoor nog onvoldoende. Maar uit de zittingsaantekeningen in de zaak van de medeverdachte (die eerder ook door dezelfde advocaat was bijgestaan), bleek dat de rechter wel een impliciet oordeel had gegeven over de betrokkenheid en rol van de verzoeker bij het gezamenlijke plan om het gestolen goed te verkopen.

Penitentiair recht en vrijheidsstraffen

Er was het afgelopen jaar veel aandacht voor capaciteitstekorten in het gevangeniswezen. Door gebrek aan personeel enerzijds en een stijgende bezetting van de gevangenissen anderzijds werden de gevangenis­straffen van zelfmelders sinds 6 december 2023 uitgesteld. In totaal zijn hierdoor 3.455 zelfmelders niet opgeroepen tot het uitzitten van hun straf. Om het capaciteitstekort tegen te gaan, zijn twee tijdelijke maatregelen aan de Regeling tot tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi) toegevoegd. Ten eerste zijn de criteria voor plaatsing op een beperkt beveiligde afdeling (BBA) tijdelijk verruimd en ten tweede is het capaciteitsverlof onder elektronisch toezicht (enkelband) geïntroduceerd. Uit het voortgangsrapport van september 2024 blijkt dat daarnaast nieuwe plannen zijn gemaakt. Zo wordt beoogd om begin 2025 zelfmelders op te roepen met een gevangenis­straf tot maximaal twee weken en die niet konden worden geplaatst. In PI Veenhuizen worden daarvoor veertig plaatsen beschikbaar gesteld. Ook wordt het dagprogramma van gedetineerden beperkt en wordt vaker ingezet op het gebruik van meerpersoonscellen. Ten slotte wordt gekeken naar de mogelijkheden tot het huren van cellen in Estland en het uitbreiden van jeugdgevangenissen en tbs-klinieken.

Een andere ontwikkeling is dat maatregelen worden genomen om georganiseerde criminaliteit vanuit detentie in te perken. Ten eerste bestaat het voornemen om aan de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog) criteria toe te voegen voor plaatsing op een afdeling voor intensief toezicht (AIT) en zo de AIT wettelijk te regelen. De RSJ adviseerde hierover op 28 februari 2024 en stelde dat de plaatsings­criteria voor de extra beveiligde inrichting (EBI) en voor de AIT onvoldoende onderscheidend zijn. Het zal niet altijd duidelijk zijn wanneer sprake is van een extreem hoog risico (EBI) of een hoog risico (AIT) op – kort gezegd – vlucht of maatschappelijk gevaar. Ook wees de RSJ op het risico op willekeur bij de beslissing tot plaatsing in een EBI of op een AIT. De minister verduidelijkte dat het verschil in plaatsing afhankelijk is van de dreiging die uitgaat van de gedetineerde, de impact van de dreiging en de veiligheids­maatregelen die vereist zijn om die dreiging tegen te gaan. In hoeverre hiervan sprake is, wordt getoetst aan de hand van de macht die de gedetineerde heeft binnen een criminele organisatie, (financiële) middelen en mogelijkheden, de persoonlijke omstandig­heden en het strafrestant. Ook in de jurisprudentie komt het verschil in plaatsing op een AIT of in een EBI aan bod. De RSJ oordeelde op 1 mei 2024 het beroep tegen plaatsing in een EBI gegrond (PUC_763873_21). Er was onvoldoende gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een plaatsing op een AIT. Het feit dat in het selectieadvies stond dat plaatsing op een AIT niet mogelijk was vanwege het capaciteitsgebrek maakte dit niet anders. In de zaak van 18 september 2024 was wel voldoende gemotiveerd dat klager voldeed aan de criteria voor plaatsing in de EBI (PUC_774191_21/​1/). De raadsman betoogde op basis van het advies van de RSJ van 28 februari 2024 dat onvoldoende gemotiveerd was waarom niet kon worden volstaan met plaatsing op de AIT. Verweerder voerde aan dat klager zich beriep op een voorgenomen wijziging van de regelgeving die nog niet van kracht was, maar de RSJ ging hier niet op in.

Ten tweede wordt ook met het wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet (hierna Pbw) van 6 juni 2023 beoogd de dreiging vanuit de georganiseerde criminaliteit in te perken door het toezicht op bepaalde gedetineerden te versterken. In maart 2024 werd het wetsvoorstel zo gewijzigd dat het mogelijk werd om gesprekken tussen gedetineerden en hun advocaat in de EBI en op de AIT audiovisueel op te nemen. De Raad van State schreef in zijn advies dat deze wijzigingen onverenigbaar zijn met de Grondwet, het EVRM en het Unierecht. Alleen onder uitzonderlijke omstandig­heden en in individuele gevallen mag het recht op vertrouwelijke communicatie met een advocaat worden beperkt. De raad trok ook in twijfel of er naast de bestaande strafvorderlijke mogelijkheid om vertrouwelijke gesprekken af te luisteren ruimte bestaat voor een uitbreiding. De minister blies het voornemen vervolgens af.

Appel

In 2023 sprak de Hoge Raad zich al uit over de termijnen van het instellen van cassatie (ECLI:​NL:​RBMNE:​2023:1363). In dit arrest werd bepaald dat voor het instellen van beroep in cassatie een termijn van veertien dagen na de einduitspraak geldt wanneer op de (nadere) terechtzitting een gemachtigde raadsman is verschenen. Deze termijn blijft ook gelden als na schorsing van het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde tijd, op de nadere terechtzitting de verdachte noch een gemachtigd raadsman is verschenen. In 2024 is dit nogmaals bevestigd (ECLI:​NL:​HR:​2024:1093). Deze zaak voert terug naar 18 juni 2013. Toen verscheen de raadsman op zitting bij het gerechtshof Den Bosch en verklaarde uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. Ter zitting werd het onderzoek geschorst tot 13 september 2013. Op die datum verscheen de raadsman opnieuw zonder cliënt. De raadsman verklaarde geen contact te hebben gehad met zijn cliënt en niet gevolmachtigd te zijn. Het hof stemde hiermee in en op 27 september 2013 is uitspraak gedaan. Negen jaar later, op 21 april 2022, werd cassatie­beroep ingesteld. Te laat, concludeerde A-G Harteveld en onder verwijzing naar deze conclusie hield de Hoge Raad de beslissing van het hof in stand.

Op 30 januari 2024 wees de Hoge Raad een tussenbeschikking in een beklagzaak over de vraag of het beroep tegen de beslissing van de rechtbank op de juiste manier was ingesteld (ECLI:​NL:​HR:​2024:89). Er was cassatieberoep ingesteld door de administratief medewerker van de rechtbank, die daartoe gemachtigd was. Die machtiging bestond uit een e‑mailbericht van de advocaat aan de rechtbank. In deze mail was niet opgenomen dat de advocaat door klagers was gemachtigd en de mail was niet door de advocaat ondertekend, terwijl beide wel vereist zijn.noot 23 Advocaat-generaal Spronken concludeerde tot een niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep. In haar conclusie beschrijft zij dat de constructie van een dubbele volmacht, waarbij klaagster de advocaat machtigt en de advocaat de griffiemedewerker, niet expliciet in de wet geregeld is maar door de Hoge Raad is toegelaten. Mocht dit onverhoopt misgaan dan zijn er door de Hoge Raad herstelmogelijkheden geboden, bijvoorbeeld door het rechtsgeldig indienen van een cassatieschriftuur. In casu was echter sprake van twee tekortkomingen, namelijk de machtiging en een ontbrekende handtekening, iets dat volgens de A-G niet hersteld kan worden. Het herstellen van twee gebreken is volgens de A-G een brug te ver en zou van het vereiste van de volmacht voor het instellen van cassatieberoep een wassen neus maken. Toch besloot de Hoge Raad dat de advocaat wel ontvankelijk was in het beroep. Nu de cassatieschriftuur is ingediend door dezelfde advocaat die de e‑mail aan de rechtbank had verzonden, mag daaruit worden afgeleid dat, ook al was de volmacht onvolkomen, wel de wens van klaagster tot het indienen van cassatie bestond. Het ingestelde cassatieberoep kon daarom gewoon doorgaan.

Materieel strafrecht– leerstukken

Opzet en schuld

In het kader van (voorwaardelijk) opzet wees de Hoge Raad het afgelopen Kroniekjaar een aantal noemenswaardige arresten. Het hof had in ECLI:​NL:​HR:​2024:661 vastgesteld dat de verdachte de aangever een harde vuistslag tegen zijn linkeroog had gegeven, met zoveel kracht dat de aangever zich nauwelijks staande kon houden en hierbij breuken opliep in het jukbeen en de botstructuren rond het oog, de neus en de bijholte. De vuistslag was volgens het hof gericht op een zeer kwetsbaar deel van het hoofd, waardoor de verdachte de ‘aanmerkelijke kans’ op zwaar lichamelijk letsel had aanvaard. In cassatie werd geklaagd dat de bewezen­verklaring wat betreft het opzet ontoereikend was gemotiveerd.

Volgens de A-G was het middel terecht voorgesteld. Het bewijs toonde immers alleen dat de verdachte aangever een harde vuistslag in het gezicht had gegeven, waardoor de aangever bijna achteroverviel. In tegenstelling tot eerdere vergelijkbare zaken kon het hof, volgens de A-G, hier geen aanvullende omstandig­heden vaststellen die het oordeel ondersteunden. Het hof baseerde zijn conclusie vooral op de ‘algemene ervaringsregel’ dat het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is. De A-G vond deze redenering onvoldoende onderbouwd; niet elke vuistslag in het gezicht zou automatisch een aanmerkelijke kans op zwaar letsel inhouden.

De Hoge Raad achtte het gezicht echter wel degelijk een ‘uiterst kwetsbaar’ deel van het hoofd. Dat de verdachte de aanmerkelijke kans had aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, getuigde volgende de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was toereikend gemotiveerd.

Poging en voorbereiding, vrijwillige terugtred

Het leerstuk van de strafbare poging als bedoeld in artikel 45 Sr houdt de gemoederen flink bezig. De Hoge Raad heeft in het welbekende Cito-arrest duiding willen geven door het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm te geven, maar daarmee wordt weinig houvast geboden. Wat de karakteristieke handelingen zijn die voldoende zijn om te spreken van een begin van uitvoering zal alsnog per delict moeten worden vastgesteld. Er wordt in de literatuur dan ook wel gepleit voor een alternatieve formule.

In ECLI:​NL:​HR:​2023:1563 oordeelde de Hoge Raad in ieder geval dat sprake was van poging tot doodslag als een politieambtenaar in korte tijd krachtig met een wapenstok tegen een lichaam sloeg, terwijl het hoofd en bovenlichaam zich nog in het politie­voertuig bevonden, maar collega’s van de politieambtenaar al wel aan de benen trokken om de rest van het lichaam uit de auto te krijgen. Bij de tiende klap werd, naar eigen zeggen van de politieambtenaar per abuis, het hoofd geraakt. Dit handelen kon naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op ook het raken van aangevers hoofd waardoor deze dodelijk verwond zou kunnen raken, dat het niet anders kon zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust had aanvaard.

In ECLI:​NL:​HR:​2024:814 kwam de uiterlijke verschijningsvorm in relatie tot het leerstuk van de ondeugdelijke poging aan bod. In deze zaak werden de verdachten verdacht van onder meer het voorbereiden van een terroristische aanslag. Infiltranten van de AIVD hadden aan de verdachte een vuurwapen verstrekt dat door de politie onklaar was gemaakt. De verdachte was hiervan niet op de hoogte. De verdachte richtte dit defecte wapen op de politie toen zij hem kwamen arresteren. Hij haalde binnen zeven à acht seconden de trekker tevergeefs drie keer over en probeerde driemaal de storende patroon uit te werpen om zo het defect te verhelpen. Namens de verdachte werd in deze zaak geklaagd over het oordeel van het hof dat sprake zou zijn van een begin van uitvoering van doodslag, omdat de verdachte gebruikmaakte van een (absoluut) ondeugdelijk middel. Het vuurwapen was immers onklaar gemaakt. De Hoge Raad oordeelde echter dat voornoemde gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, zodat geen sprake meer was van een absoluut ondeugdelijke poging. Annotator Van der Vis merkte bij dit arrest op dat hiermee een verweer over de ondeugdelijkheid door de strafrechter weerlegd kon worden, zonder een inhoudelijk oordeel te geven over de deugdelijkheid van het middel of het object. De focus leek inderdaad voornamelijk te liggen op de uiterlijke verschijnings­vorm die gericht was op voltooiing van het delict en het feit dat de verdachte niet wist dat het vuurwapen niet functioneerde. Dat gaat dus niet meer over de ondeugdelijkheid van het middel, maar meer over het opzet dat voor poging is vereist. De vraag wanneer sprake was van een begin van uitvoering was ook van belang om de grens tussen de strafbare poging en voorbereidende handelingen te duiden. Hoe verder de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf vandaan liggen en hoe minder concreet deze daarop waren gericht, hoe eerder nog geen sprake was van een poging, maar van voorbereiding.

In ECLI:​NL:​HR:​2024:1118 herhaalde de Hoge Raad dat voor een strafbare voorbereiding van een misdrijf als bedoeld in artikel 46 Sr was vereist dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk misdrijf de voorbereidingshandelingen en voorbereidingsmiddelen waren gericht en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht. Onder dit opzet is voorwaardelijke opzet begrepen. In deze zaak had de verdachte heimelijk een peilbaken geplaatst, terwijl hij ervan op de hoogte was dat zijn opdrachtgever een conflict had in de wereld van de zware drugscriminaliteit. Hij had ook geen vragen gesteld om zich ervan te verzekeren dat de plaatsing van het baken niet strekte tot voorbereiding van moord. Daarmee had hij, aldus de Hoge Raad, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het plaatsen van het peilbaken onderdeel was van voorbereiding van moord.

In ECLI:​NL:​HR:​2024:193 oordeelde de Hoge Raad dat voor het strafbare voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van een voorbereidingshandeling is vereist dat de verdachte dit voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat (het niet anders kan dan dat) de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van voorwerp. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet de verdachte feitelijke beschikkingsmacht over het voorwerp kunnen uitoefenen. Daarvoor hoeft het voorwerp zich echter niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor het medeplegen van het strafbaar voorhanden hebben van een voorwerp gelden dezelfde vereisten. In deze liquidatiezaak was vastgesteld dat medeverdachte A het slachtoffer zou lokaliseren, waarna hij met zijn PGP-telefoon medeverdachte B in kennis moest stellen van de plek waar het slachtoffer op dat moment was. De verdachte wachtte met medeverdachten B en C in een safehouse in Berlijn om na bericht van A direct in actie te kunnen komen. C zou vervolgens de motor besturen met achterop de verdachte en in elk geval moest de verdachte het slachtoffer neerschieten. De Hoge Raad overwoog dat in deze vaststellingen besloten lag dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de voorbereidingsmiddelen en dat de verdachte samen met zijn medeverdachten feitelijke macht hierover kon uitoefenen. De gezamenlijke beschikbaarheid en inzet van de PGP-telefoons, de vuurwapens met patronen en de motor waren bestemd voor het doen slagen van het moordplan, zodat sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen. Artikel 46b bepaalt dat van poging of voor­bereiding geen sprake is wanneer een misdrijf niet is voltooid doordat een verdachte vrijwillig is teruggetreden. Het hangt, zoals zo vaak, af van de concrete omstandig­heden van het geval of daar ook daadwerkelijk sprake van is.

In ECLI:​NL:​HR:​2024:447 deed de verdediging een beroep op vrijwillige terugtred. Deze zaak betrof de moord op advocaat Derk Wiersum. De Hoge Raad deed de zaak af onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO en ging dus niet in op het verweer van de verdediging dat de mogelijkheid was opengebleven dat sprake was van vrijwillige terugtred. Uit deze uitspraak en de conclusie van de A-G kan echter wel worden afgeleid dat een beroep op vrijwillige terugtred niet enkel een theoretische mogelijkheid mag zijn. Er dienen concrete aanknopings­punten in het dossier te zitten waaruit een concreet alternatief scenario volgt (ECLI:​NL:​PHR:​2024:227). De A-G merkte nog op dat bij zo’n ‘Meer en Vaart’-verweer, een rechter in beginsel de aangedragen alternatieve gang van zaken moet weerleggen, maar dat dit niet altijd is vereist. In deze zaak week het hof af van het betoog van de verdediging dat sprake was van het alternatieve scenario van vrijwillige terugtred zonder dit alternatieve scenario te weerleggen. Hiermee bracht het hof tot uitdrukking dat hetgeen naar voren is gebracht niet aannemelijk is geworden. Daar had de Hoge Raad kennelijk geen probleem mee. Kortom, voor een kansrijk beroep op vrijwillige terugtred waarbij de rechter ook wordt gedwongen om daar serieus rekening mee te houden, is (niet geheel verrassend) concrete onderbouwing vereist.

Deelnemingsvormen en openlijke geweldpleging

In het kader van deelnemingsvormen zijn enkele arresten van de Hoge Raad te noemen, te beginnen met medeplegen. Het gerechtshof Den Bosch oordeelde op 12 maart 2024 dat sprake was van medeplegen van uitlokking van moord (ECLI:​NL:​HR:​2024:372). De verdachte had, zo bleek uit vaststellingen van het hof, naar aanleiding van een drugs­conflict zijn medeverdachte de opdracht gegeven om het beoogde slachtoffer om het leven te brengen. Daarbij kwam niet het beoogde slachtoffer, maar zijn partner om het leven. Het hof overwoog dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het daadwerkelijke slachtoffer en hij daarom tot medeplegen van uitlokking van moord kon worden veroordeeld. De Hoge Raad liet de uitspraak van het hof in stand en overwoog dat de verdachte anderen had ingeschakeld om de moord uit te voeren. De communicatie hierover verliep ‘met handen en voeten’, er zijn nauwelijks instructies gegeven en de verdachte had zich niet met de planning en uitvoering bemoeid. De verdachte wist, althans hield er rekening mee dat de moord bij de woning van het beoogde slachtoffer zou worden uitgevoerd en hij wist dat daar ook andere personen woonden. Ook had hij de druk opgevoerd. Deze omstandig­heden maakten dat de verdachte hiermee het risico op de koop toe heeft genomen dat men overhaast zou overgaan tot de uitvoering van de moordopdracht en dat daarbij overhaaste beslissingen zouden worden genomen, zodat de aanmerkelijke kans bestond dat (ook) anderen dan het beoogde slachtoffer zouden worden gedood.

Op 25 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat sprake was van medeplegen van weder­spannigheid met letsel tot gevolg (ECLI:​NL:​HR:​2024:934). Overwogen werd dat de zwaardere strafbedreigingen zoals opgenomen in artikel 182 onder 2 Wetboek van Strafrecht enkel van toepassing zijn op de verdachte die zelf bewezen verklaard letsel heeft toegebracht. In deze zaak casseerde de Hoge Raad nu het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de verdachte het letsel had toegebracht. Vast is komen te staan dat de verdachte zich tezamen met anderen heeft verzet tegen de opsporings­ambtenaren en dat zij daarbij de handen, armen en het kruis/de onderbuik heeft geraakt. Het hof had echter niet zonder meer mogen concluderen dat daardoor het tenlastegelegde letsel is ontstaan. Kortom, bij geweld in vereniging waarbij de strafverzwarende omstandigheid van het toebrengen van letsel ten laste is gelegd en duidelijk is dat de verdachte het slachtoffer heeft geraakt, blijft het zaak dat uit de bewijsmiddelen ook daadwerkelijk volgt dat het letsel door het uitgevoerde geweld van deze verdachte is toegebracht.

Ten aanzien van medeplichtigheid is een uitspraak te noemen van de Hoge Raad van 30 januari 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:78). In deze zaak was de verdachte veroordeeld tot medeplichtigheid aan een woningoverval door de daders van deze woningoverval met de auto te vervoeren. De verdachte verklaarde ter zitting dat hij hen zou helpen de kluis te vervoeren, maar dat hij die dag was gebeld dat het niet door zou gaan. Op basis van het dossier achtte het gerechtshof Den Haag het te bewijzen dat de verdachte aanwezig was geweest bij de voorverkenning en de daders en de buit had vervoerd. Het hof overwoog daarnaast dat, voor zover de verdachte er niet van op de hoogte was geweest dat mogelijk geweld en zelfs een vuurwapen zouden worden gebruikt, hij hier in ieder geval voorwaardelijk opzet op moet hebben gehad (zie ook onder het kopje ‘Opzet en schuld’). Hij wist dat men een kluis wilde meenemen en deze is doorgaans verborgen in een privévertrek van de woning. Daarnaast was de kans aanmerkelijk dat de bewoner thuis zou zijn en dat een kluis niet vrijwillig zou worden afgegeven. Dan kan weerstand worden verwacht die, voor een succesvolle diefstal, gebroken moet worden door middel van geweld. Gelet op deze omstandig­heden had de verdachte volgens het hof bewust die aanmerkelijke kans aanvaard. De Hoge Raad liet deze motivering in stand nu uit deze overweging bleek dat het geweld voldoende verband hield met het gronddelict, ook als geen (voorwaardelijk) opzet bestond op het (bedreigen met) geweld.

In het kader van openlijke geweldpleging oordeelde de Hoge Raad ook op 30 januari 2024 (ECLI:​NL:​HR:​2024:115) dat voor de bewezen­verklaring van ‘openlijk’ niet altijd nodig is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid waar deze precies zijn gepleegd. In deze strafzaak ontstond ruzie tussen een verhuurder van scooters en twee van zijn klanten. De klanten, verdachten, waren niet tevreden en kwamen verhaal halen. De bewezen­verklaring van het hof stoelde op twee aangiftes en een getuigenverklaring. In het cassatie­middel werd geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet bleek of het geweld buiten of in de loods had plaatsvonden,. De Hoge Raad herhaalde een eerdere uitspraak uit 2006, waarin het kader voor het bestanddeel ‘openlijk’ werd geschetst. Het ging wat betreft de ‘openlijkheid’ in de kern erom dat de geweldpleging zich op zodanige wijze en zodanige plaats moest hebben voltrokken dat de openbare orde was verstoord. Het slachtoffer had verklaard dat de mannen met een bloedgang kwamen aangereden en gelijk begonnen te schelden. In die verklaring lag besloten dat de verdachten vanaf de weg kwamen aangereden en direct een verhitte discussie ontstond. Dit werd bevestigd door de verklaring van de getuige, die verklaarde dat hij de mannen meteen hoorde schreeuwen en tieren. Daarnaast had het slachtoffer verklaard dat hij na een aantal minuten schelden de verdachte hoorde gniffelen. Dat wees erop dat de verdachte zich op dat moment in of naast de auto bevond en dus in ieder geval het slachtoffer zich op dat moment op straat in de nabijheid van de auto en de verdachte bevond. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onder verwijzing naar de hiervoor genoemde bewijsmiddelen voldoende had gemotiveerd waarom het geweld ‘openlijk’ zou hebben plaatsgevonden. Een preciezere vaststelling was derhalve niet nodig, als uit de bewijsmiddelen maar voldoende duidelijk was dat het op een openbare plaats was.

Materieel strafrecht – delicten

Seks, zeden en strafrecht

Uit de prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Grensoverschrijdend gedrag 2024 blijkt dat ruim 1,7 miljoen mensen (van zestien jaar en ouder) aangaven in de twaalf maanden voorafgaand aan het onderzoek slachtoffer te zijn geweest van een vorm van seksuele grensoverschrijding, variërend van fysiek seksueel geweld tot niet-fysieke seksuele intimidatie tot online seksuele intimidatie. De nieuwe Wet seksuele misdrijven, die op 1 juli 2024 in werking trad, beoogt betere strafrechtelijke bescherming te bieden aan (minderjarige) slachtoffers van seksueel geweld en grens­over­schrijdend gedrag. De wet moderniseert bestaande wetgeving om beter aan te sluiten bij hedendaagse maatschappelijke normen en de complexiteit van zowel digitaal als fysiek seksueel grens­over­schrijdend gedrag.

Een van de belangrijkste veranderingen van de nieuwe wet is het schrappen van de eis om ‘dwang’ te bewijzen bij verkrachting en aanranding. De wet maakt ook onderscheid tussen opzet en schuld. In de schuldvariant hoeft niet langer te worden bewezen dat de dader dwang uitoefende; het is voldoende dat de dader onder de gegeven omstandig­heden het ernstige vermoeden had kunnen hebben dat de wil van het slachtoffer ontbrak.

Bij opzetverkrachting en opzetaanranding (artikel 243 en artikel 241 Sr) weet de dader dat de instemming van het slachtoffer ontbreekt, maar gaat desondanks toch door met de seksuele handelingen. In situaties waarin ook sprake is van geweld, bedreiging of dwang wordt gesproken van gekwalificeerde opzetverkrachting of opzetaanranding, de zwaarste nieuwe categorie van seksuele misdrijven. In zo’n geval kan de maximumstraf oplopen tot achttien jaar. Daarnaast wordt seksueel grens­over­schrijdend gedrag uitgebreider strafbaar gesteld. Zo worden grooming (artikel 248 Sr) en sexting (artikel 240b Sr) niet langer enkel gezien als privacyschendingen, maar als zedenmisdrijven. Verder zijn twee nieuwe delicten strafbaar gesteld: seksuele intimidatie in openbare ruimtes en het seksueel benaderen van kinderen jonger dan zestien jaar via chatberichten (sexchatting). Dit is ook verboden als het gaat om kinderen tussen de zestien en zeventien jaar die in een kwetsbare positie zitten. Nieuw is dat rekening wordt gehouden met normaal seksueel experimenteergedrag tussen jongeren. Er is een nieuwe wettelijke strafuitsluitingsgrond gecreëerd voor seksueel contact in een gelijkwaardige situatie tussen minderjarigen vanaf twaalf jaar (artikelen 251, 248 en 247 Sr).

Hoewel de wijzigingen binnen de nieuwe zedenwetgeving beogen de drempel voor het doen van aangifte voor slachtoffers te verlagen, blijven er zorgen over de praktische uitvoering van de wet. Als een verdachte ontkent en er zijn geen getuigen, blijft ook met de nieuwe strafbepalingen het bewijs lastig. Het bewijsrecht is immers niet aangepast. De eerste strafzaak over seksuele straatintimidatie heeft inmiddels plaatsgevonden bij de kantonrechter in Rotterdam in  oktober 2024. In deze zaak ging het om een verdachte die in het openbaar een onbekend gebleven persoon indringend seksueel had benaderd, hetgeen was waargenomen door een zogenaamde ‘lokboa’. De kantonrechter veroor­deelde de verdachte tot een geldboete van 280 euro waarvan 180 euro voorwaardelijk.

Georganiseerde misdaad en terrorisme

In april van dit jaar wees de Hoge Raad een arrest over het begrip ‘leider’ (ECLI:​NL:​HR:​2024:619). In de bestreden uitspraak had het gerechtshof geoordeeld dat, hoewel de verdachte een minder grote rol vervulde dan zijn medeverdachten, hij toch als leider werd aangemerkt van een criminele organisatie die tot doel had geld te verdienen met hennepkwekerijen en de in- en verkoop van hennep. Het gerechtshof had verder geoordeeld dat de verdachte zelf ook een ondergeschikte rol vervulde en moest doen wat door een van zijn medeverdachten werd gezegd. Een cassatie­middel klaagt dat deze vaststelling niet te verenigen is met de conclusie dat de verdachte leider was van de criminele organisatie. De Hoge Raad bevestigde haar eerdere oordeel uit 2018 over het begrip ‘leider’ van een criminele organisatie, namelijk dat binnen een criminele organisatie meerdere deelnemers als ‘leider’ kunnen worden aangemerkt, waarbij niet iedere leider een even grote rol hoeft te hebben.Al met al wordt nogmaals benadrukt dat (1) ook ondergeschikte deelnemers van een criminele organisatie als leider kunnen worden aangemerkt en (2) welke omstandig­heden bepalen of iemand als leider van de organisatie wordt aangemerkt.

In 2020 werd (onder andere) motorclub Bandidos door de Hoge Raad onherroepelijk ontbonden en verboden verklaard wegens strijd met de openbare orde. Kort daarop kwam de jurisprudentie op gang over welke gedragingen kunnen worden aangemerkt als deelname aan de ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een dergelijk verboden verklaarde motorclub, zoals bedoeld in artikel 140, tweede lid (oud), van het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad had vorig jaar arrest gewezen in een zaak waarin een verdachte met kleding van Bandidos en Bandidos Sittard naar de ingang van een gerechtsgebouw liep, waar op dat moment een strafzaak tegen leden van Bandidos Sittard aan de gang was. Het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch oordeelde dat deze gedragingen onvoldoende waren om tot een veroordeling te komen op basis van de genoemde strafbaarstelling en sprak de verdachte vrij. De Hoge Raad vond dat het gerechtshof daarmee een te beperkte uitleg gaf aan de strafbaarstelling en verwees de zaak terug, waarna het gerechtshof alsnog tot een veroordeling kwam (ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:2286). Daarbij nam de Hoge Raad uitdrukkelijk in overweging dat de verdachte op weg was naar de ingang van een publieke ruimte, waar op dat moment een zitting tegen leden van Bandidos Sittard plaatsvond en dat de leden bewust de naam ‘Bandidos’ of hun ‘colors’ gebruikten om hun aanwezigheid kracht bij te zetten.

Advocaat-generaal Paridaens schreef op 5 november 2024 een conclusie bij een vergelijkbare zaak, waarin het enkel ging om het dragen van kleding van lokale chapters van Bandidos op de openbare weg (ECLI:​NL:​PHR:​2024:1121). Alleen de landelijke organisatie van Bandidos (BMC Holland) is door de rechter verboden verklaard; de lokale chapters zijn dat niet. Het hof sprak de verdachte vrij, omdat deze gedraging onvoldoende kon worden aangemerkt als een daad die ten dienste staat van de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet gebleken is dat de verdachte ooit lid is geweest van BMC Holland of enige activiteit heeft verricht voor deze organisatie of een van de lokale chapters.

De vraag die nu voorligt, is of het dragen van kleding met daarop een logo dat sterk lijkt op dat van een verboden motorclub zonder meer kan worden gezien als deelname aan de ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van de verboden organisatie. Een belangrijk verschil met de uitspraak van de Hoge Raad van vorig jaar is dat het in deze zaak gaat om een geïsoleerde gedraging, zonder verdere context, zoals het lopen naar de ingang van een gerechtsgebouw.

Witwassen

In juni 2024 publiceerde het EU-Publicatieblad twee verordeningen en twee richtlijnen die de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering moeten versterken. De nieuwe regels voorzien in de oprichting van een Europese Autoriteit (AMLA).noot 24 EU-lidstaten moeten via een centraal toegangspunt informatie beschikbaar gaan maken, onder meer over wie de houder is van welke bankrekening. Om de aanpak van witwassen op nationaal niveau effectiever te maken, heeft de Tweede Kamer in september 2024 ingestemd met een verbod op contante betalingen voor goederen vanaf € 3.000. Waar EU-breed vanaf 2027 een verbod op contante betalingen vanaf € 10.000 voor transacties met en tussen handelaren en dienstverleners zal gelden, gaat Nederland dus nog een stap verder.

Witwassen kent verschillende varianten. Het kunnen (actieve) gedragingen zijn die gericht zijn op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van een voorwerp of het verwerven, voorhanden hebben of overdragen van een voorwerp dat afkomstig is uit een misdrijf ex artikel 420bis Sr. Ook het enkel verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf kwalificeert als witwassen ex artikel 420bis.1 Sr. In ECLI:​NL:​RBAMS:​2024:5634 oordeelde de rechtbank dat voor een bewezen­verklaring van die laatste variant, eenvoudig witwassen, het voldoende is dat ten laste is gelegd en is komen vast te staan dat het voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf, waarbij onder enig misdrijf ook een eigen misdrijf kan worden verstaan. Eenvoudig witwassen hoeft daarmee dus niet specifiek ten laste te zijn gelegd, maar kan in voorkomende gevallen worden ingelezen in het wel tenlastegelegde artikel 420bis Sr.

Van witwassen kan enkel sprake zijn als het voorwerp een illegale herkomst heeft, waarbij het gronddelict niet per se bewezen hoeft te worden. In zo’n geval moet er wel een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte zijn over de herkomst van de goederen. Het ligt dan op de weg van het OM om nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechtbank Oost-Brabant besloot in een tussenvonnis dat het OM die mogelijkheid nog krijgt zelfs na requisitoir, pleidooi en sluiting van het onderzoek. De verdediging heeft de strafkamer in reactie daarop gewraakt maar het tussenvonnis getuigde, aldus de wrakingskamer, niet van vooringenomenheid.

Uit ECLI:​NL:​HR:​2024:47 volgde dat de verklaringen die verdachten ter terechtzitting aflegden met betrekking tot de herkomst van aangetroffen voorwerpen, doorgaans niet kunnen dienen om die herkomst te verhullen. Die verklaringen worden immers pas afgelegd als het einddossier al gereed is, dus ná de tenlastegelegde pleegdatum. Voor een bewezen­verklaring van het verwerven, voorhanden hebben of overdragen is vereist dat een verdachte ook feitelijke zeggenschap had over het voorwerp. In ECLI:​NL:​HR:​2024:222 oordeelde de Hoge Raad dat daarvan geen sprake was bij een verdachte die zijn pinpas en pincode had afgegeven aan twee jongens die daarmee een geldbedrag – dat kort daarvoor werd gestort op de bankrekening van de verdachte – contant van die bankrekening opnamen. Niet was vastgesteld dat de verdachte enige bemoeienis had met de transacties en ook anderszins waren geen vaststellingen gedaan waaruit kon worden afgeleid dat de verdachte feitelijke zeggenschap had.

Cryptocurrrency speelt een steeds grotere rol bij witwassen. De Hoge Raad had in ECLI:​NL:​HR:​2024:887 expliciet opgenomen dat ook bitcoins konden worden aangemerkt als ‘voorwerpen’ die kunnen worden witgewassen, maar dit volgde al wel uit de feiten­rechtspraak. Zo oordeelde het gerechtshof Den Haag in ECLI:​NL:​GHDHA:​2023:2925 dat een verklaring over de wijze van verkrijging van bitcoins, zonder inzichtelijk te maken welke bitcoins dit betroffen door bijvoorbeeld het noemen van een bitcoinadres of specifieke wallet, niet voldoende was en het daarmee niet anders kon zijn dan dat de bitcoins middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig waren. De verdachte had de herkomst proberen te verhullen door de bitcoins om te zetten naar euro’s en dollars en dit geld ‘door te sluizen’. Van belang hierbij was dat het hof de verdachte niet ook veroordeelde voor het witwassen van het geld, zoals wel ten laste was gelegd. Dan zou er volgens het hof sprake zijn van een niet te rechtvaardigen dubbeltelling omdat er geen brondelict viel aan te wijzen.

Niet alleen de eigenaren van cryptocurrency kunnen strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld. Ook softwaretools en hun ontwikkelaars die het mogelijk maken cryptocurrency te verplaatsen, kunnen actief bijdragen aan witwassen, zo oordeelde de rechtbank Oost-Brabant in ECLI:​NL:​RBOBR:​2024:2069. De rechtbank achtte het een feit van algemene bekendheid dat cryptomixers, zoals Tornado Cash in deze zaak, vaak worden gebruikt voor het witwassen van cryptovaluta. Met Tornado Cash worden de oorspronkelijke herkomst van cryptovaluta en de identiteit van de eigenaar verborgen en met dat doel zou Tornado Cash ook zijn ontworpen. Door bij de ontwikkeling en werking van Tornado Cash geen maatregelen te treffen om misbruik te voorkomen, hebben de oprichters en ontwikkelaars zichzelf ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Overigens kunnen bij deze uitspraak wel vraagtekens worden geplaatst. Dit impliceert dat Tornado Cash zelfstandig de criminele herkomst van de cryptocurrency heeft willen verbergen of verhullen, waarmee dus het criminele gedrag zou verschuiven van individuen naar systemen. Omdat er geen interactie was tussen of met de personen die de cryptocurrency hadden gestort, oordeelde de rechtbank met betrekking tot de nauwe en bewuste samenwerking dat Tornado Cash de verhullende gedragingen had verricht en werden de oprichters verantwoordelijk gehouden voor de acties van Tornado Cash. Dit kan verregaande consequenties hebben voor software­ontwikkelaars. Softwaretools worden dan immers geacht zelfstandig in staat te zijn tot crimineel ‘gedrag’, terwijl de ontwikkelaars verantwoordelijk worden gehouden voor de ‘gedragingen’ van de tool.

Het moge duidelijk zijn dat ook het faciliteren van witwassen tot een eigen veroordeling van witwassen kan leiden. Dat kan met name financiële instellingen raken. Een bekend voorbeeld is de boete en ontneming die de ING Bank in 2017 met het OM overeenkwam toen de bank niet aan haar controleverplichtingen had voldaan en zich (daarmee) ook zelf schuldig had gemaakt aan witwassen. Overigens blijft strafvervolging van voormalig ING-CEO Ralph Hamers tot op heden uit, ondanks een bevel daartoe van het gerechtshof Den Haag. In oktober 2024 drongen belang­hebbenden in de kortgedingprocedure ECLI:​NL:​RBDHA:​2024:17190 nog aan op vervolging, maar de rechtbank ging daar niet in mee.

De reële angst voor boetes leidt ertoe dat banken hun bevoegdheden ruim inzetten. In september 2024 maakte de Rabobank intern nog bekend dat zij per maand afscheid neemt van circa tienduizend (!) klanten die een risico op witwassen zouden opleveren. Maar er is nog hoop: in ECLI:​NL:​PHR:​2024:855 wees de procureur-generaal erop dat de bank per individueel geval nog altijd oog diende te hebben voor de concrete omstandig­heden van een klant en een zorgvuldige belangenafweging diende te maken. Doet zij dat niet, dan schendt zij mogelijk haar (civielrechtelijke) zorgplicht. De Hoge Raad deed deze zaak recent af onder verwijzing naar artikel 81 RO en verwierp daarmee het beroep van de bank. Een zorgvuldige belangenafweging door de banken zou dus nog steeds voorop moeten staan.

Uitingsdelicten, belediging, smaad, laster, discriminatie, bedreiging

In dit Kroniekjaar werd veelvuldig gebruikgemaakt van het recht op demonstratie en de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in artikel 10 EVRM, is geen absoluut recht; de overheid mag onder bepaalde voorwaarden beperkingen of sancties opleggen om de uitoefening van dit recht te reguleren. Beperkingen zijn echter alleen toegestaan als ze bij wet zijn voorzien, een legitiem doel dienen en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De strafbaarstelling van opruiing voldoet aan deze vereisten en vormt dus een gerechtvaardigde inbreuk op de vrijheid van meningsuiting. Voor de beoordeling of een uitlating opruiend is, zijn de inhoud en context van de uiting van belang, evenals de locatie, de gelegenheid waarop deze werd geuit en de bedoeling van de spreker. Dit leidde het afgelopen jaar tot veroordelingen in zaken waarin werd opgeroepen tot geweld, vaak gericht tegen politici en het openbaar gezag — soms zelfs door politici (ECLI:​NL:​RBDHA:​2024:10515). Deze veroordelingen gingen vaak gepaard met veroordelingen wegens bedreiging. Zo werd een verdachte die het woord ‘liquideer’ in het lettertype van de VVD op een A4 had gedrukt en dit op zijn raam en brievenbus had geplakt, vrijgesproken van opruiing. Onder de gegeven omstandig­heden was het woord ‘liquideer’ onvoldoende specifiek om een opruiend karakter te hebben (ECLI:​NL:​GHARL:​2024:5974).

De vrijheid van meningsuiting staat ook veroordelingen wegens (groeps)belediging niet in de weg, mits wordt voldaan aan de hiervoor genoemde vereisten uit artikel 10 lid 2 EVRM. Voor het bestanddeel ‘beledigend’ hanteert de Hoge Raad een beslissingsschema dat aansluit bij de rechtspraak van het EHRM. Daarbij wordt getoetst of (1) de uiting op zichzelf en/of gelet op de context beledigend is, (2) de uiting werd gedaan in een context die het beledigende karakter daarvan mogelijk wegneemt, zoals een maatschappelijk debat of artistieke expressie en (3) de uiting onnodig grievend is. Uitlatingen mogen provocerend zijn, maar moeten bepaalde grenzen respecteren, vooral wat betreft de eer, goede naam en rechten van anderen.

Allereerst moet worden beoordeeld of de uiting ‘op zichzelf’ beledigend is. Hierbij spelen ook de associaties die door de uitlating worden opgeroepen een rol. In dat verband weegt de historische context vaak zwaar, mogelijk zelfs meer dan de politieke context waarin de uiting plaatsvindt. Dit bleek uit een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, dat oordeelde dat de drager van een Israëlische vlag, waarop de davidster was vervangen door een kakkerlak, zich schuldig maakte aan groepsbelediging van leden van het Joodse ras. De rechtbank vond in die zaak dat het om politiek protest tegen de staat Israël ging en niet om een uitlating over personen. Het hof achtte de afbeelding echter beledigend voor Joden door de historische lading van de kakkerlak als symbool. Dat de afbeelding ook als kritiek op Israël kan worden gezien, deed hier volgens het hof niet aan af, en de Hoge Raad vond deze uitspraak begrijpelijk (ECLI:​NL:​HR:​2024:589).

Een veralgemenisering van deze uitspraak zou betekenen dat vergelijkingen van bepaalde groepen mensen met ongedierte vallen onder artikel 137c Sr, ongeacht de context waarin deze vergelijkingen worden gemaakt.

Uithalersproblematiek

Enigszins verwant aan de strafrechtelijke aanpak van Opiumwetdelicten is de vraag welke strafrechtelijke reactie het meest geëigend is bij overtreding van het nog relatief nieuwe artikel 138aa Sr. Het gaat daarbij om het wederrechtelijk verblijven op een in een (lucht)haven gelegen besloten terrein. In de volksmond ook wel de ‘uithalerswet’, hoewel het dus niet gaat om een Opiumwetdelict. Nadat het gerechtshof Den Haag in 2022 benadrukte dat de wetgever qua maximumstraffen aansluiting zocht bij de straffen voor huis-, erf- en lokaalvredebreuk en het daarmee gaat om misdrijven tegen de openbare orde, wees het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch recenter (ECLI:​NL:​GHSHE:​2024:2580) er juist op dat de wetgever er vanuit is gegaan dat binnendringers op haventerreinen dat doen ter facilitering van de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit en daar een strafverzwarend effect in gelegen is. Om dat binnendringen terug te dringen, is een strafbepaling ingevoerd waarin het risico bestaat te worden veroordeeld tot een gevangenis­straf, aldus het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch. De vraag welke reactie het meest geëigend is, houdt de hoven verdeeld. Waar het gerechtshof Den Haag als uitgangspunt neemt dat een taakstraf bij een first offender voldoende afschrikwekkend werkt, neemt het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch als vertrekpunt dat ook degene die voor het eerst op een besloten haventerrein ronddwaalt een onvoorwaardelijke gevangenis­straf kan verwachten. Of het verschil tussen taakstraf en gevangenis­straf gaat leiden tot een verschil in het aantal uithalers in de havens van Vlissingen en Rotterdam, zal de tijd leren.

WWM

Wapens zijn onder te verdelen in meerdere categorieën. Een veelvoorkomend type wapen in de praktijk is het omgebouwde, ofwel doorgeboorde, gaspistool, waardoor het in staat is om scherpe projectielen af te vuren.

Het verschil tussen een omgebouwd en een niet-omgebouwd gaspistool komt tot uiting in de strafoplegging. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten staat het voorhanden hebben van een gaspistool (op straat) gelijk aan een gevangenis­straf van één maand. Bij een alarmpistool is de straf zelfs een geldboete van € 550. Echter, als het wapen is omgebouwd, wordt het gelijkgesteld met een ‘gewoon’ pistool, wat leidt tot een gevangenis­straf van acht maanden, of vier maanden als het wapen in een woning wordt aangetroffen. Of iets kan worden gekwalificeerd als een vuurwapen is relevant, omdat dit bepaalt of het wapen valt onder categorie III, sub 1 van de Wet wapens en munitie. Artikel 1, sub 3 van de Wet wapens en munitie geeft de volgende definitie van een vuurwapen: ‘Een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie.’ Een omgebouwd gaspistool kan dus pas worden gekwalificeerd als vuurwapen als het bestemd of geschikt is om projectielen door een loop af te schieten.

Wanneer wapens in beslag worden genomen, zal een wapendeskundige van de politie onderzoek doen om te bepalen onder welke categorie van de Wet wapens en munitie het wapen valt. Daarnaast kan de politie, al dan niet op verzoek van de verdediging, met het wapen schietproeven uitvoeren. Deze schietproeven kunnen aantonen of het wapen daadwerkelijk geschikt is om scherpe projectielen af te vuren. Het is mogelijk dat de schietproeven uitwijzen dat het wapen niet in staat is om scherpe projectielen af te schieten en dus niet geschikt is voor dat doel. In dergelijke gevallen concluderen wapendeskundigen regelmatig dat het omgebouwde wapen alsnog gekwalificeerd kan worden als vuurwapen in de zin van de Wet wapens en munitie, omdat de ombouwer kennelijk de intentie had om het wapen te veranderen van een gas- of alarmpistool naar een vuurwapen. Of die conclusie gerechtvaardigd is, wordt echter niet altijd eenduidig beantwoord door de jurisprudentie en literatuur. Een veel gevoerd verweer door de verdediging is dat, aangezien de ombouw van het wapen mislukt is, de juridische bestemming van het wapen niet is veranderd. Het wapen zou dan nog steeds als gas- of alarmpistool (categorie III, sub 4) moeten worden geclassificeerd, en niet als vuurwapen.

Het gerechtshof Amsterdam wees dit jaar een arrest over dit onderwerp (ECLI:​NL:​GHAMS:​2024:1731). In die zaak ging het om een wapen dat zowel vóór als na de ombouwing was voorzien van een vrije loop. Daardoor was het wapen in beide gevallen bedoeld om projectielen af te vuren. Het feit dat het pistool geen patronen afvuurde, kwam doordat de slagpin het slaghoedje niet ontstak. In dit arrest ging het om een wapen dat in wezen niet veranderd is door de ombouw, aangezien het in beide gevallen bedoeld was om projectielen af te schieten. Dit verschilt van wapens waarbij de mogelijkheid om projectielen af te vuren vóór de ombouw niet aanwezig was. Het arrest zegt dus niet veel over het bestanddeel ‘bestemd’ in de definitie van vuurwapen. Of een wapen door de ombouw bestemd is om scherpe projectielen af te schieten, laat daarom nog ruimte over voor interpretatie.

Verkeersstrafrecht en de WVW

De Hoge Raad heeft op 15 oktober 2024 in twee zaken nadere uitleg gegeven over de begrippen schuld en roekeloosheid in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). In de zaak ECLI:​NL:​HR:​2024:1398 wijdde de Hoge Raad algemene beschouwingen aan schuld als delictsbestanddeel in artikel 6 WVW. Het begrip ‘schuld’ betekent verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt erop aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddeld ander persoon in vergelijkbare omstandig­heden en vergelijkbare hoedanigheid. Dit wordt beoordeeld op basis van alle gedragingen van de verdachte. Duidelijk wordt gemaakt dat uit de rechtspraak niet als algemene regel kan worden afgeleid dat schuld nooit kan worden bewezen als de gedraging van de verdachte die leidde tot een ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De specifieke omstandig­heden van het geval, waaronder de aard van de verkeerssituatie, kunnen vereisen dat zelfs een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig wordt beschouwd. Wat de verdachte in zo’n kort moment deed, kan, als dat tot een ongeval leidde, ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW opleveren. In de zaak die hieraan ten grondslag lag, oordeelde het gerechtshof Amsterdam dat sprake was van overtreding van artikel 6 WVW, een oordeel dat door de Hoge Raad in stand werd gelaten. De verdachte had een dubbele doorgetrokken streep overschreden en kwam op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer, wat resulteerde in een frontale botsing met een tegenligger. Bij het ongeval kwam één persoon om het leven en raakte een ander zwaargewond. Het hof nam in zijn overweging mee dat provinciale wegen, vooral die zonder fysieke scheiding tussen tegemoetkomend verkeer, bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vereisen. Dit gold in nog sterkere mate op de plaats van het ongeval, waar de weg een flauwe bocht maakte en de duisternis om extra oplettendheid vroeg.

In de zaak ECLI:​NL:​HR:​2024:1405 wijdde de Hoge Raad, onder verwijzing naar de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten (artikel 5a WVW), algemene beschouwingen aan roekeloosheid als bedoeld in artikel 175 lid 2 en 6 WVW. Van ‘roekeloosheid’ is sprake bij een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, waarbij de verdachte zich bewust was van dit gevaar of dat had moeten zijn. De Hoge Raad past in deze uitspraak zijn eerdere (strenge) rechtspraak aan. De wetgever heeft namelijk beoogd dat roekeloosheid in veel meer gevallen kan en moet worden aangenomen dan alleen bij kat-en-muisspellen, vluchtgedrag of snelheidswedstrijden. Voortaan wordt in elk geval aangenomen dat er sprake is van roekeloosheid als de verdachte artikel 5a WVW heeft overtreden. Dat betekent dat het begrip roekeloosheid nu meer situaties omvat dan voorheen in de rechtspraktijk werd erkend. Te denken valt aan situaties waarin iemand (veel) te hard rijdt bij gevaarlijke kruisingen of wanneer een automobilist onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol met een aanzienlijke snelheid slingerend over de weg rijdt en onvoldoende rechts houdt. Als dergelijk gevaarlijk rijgedrag geen gevolgen heeft, kan er een veroordeling volgen op basis van artikel 5a WVW. Echter, als er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met dodelijke of ernstige verwondingen, kan door de voorgestelde koppeling een veroordeling voor roekeloosheid (artikel 6 WVW in samenhang met artikel 175 WVW) volgen.

Modernisering

Het is onvermijdelijk: er komt een nieuw, gemoderniseerd Wetboek van Strafvordering. De voorbereidingen daarvoor zijn al ruim tien jaar aan de gang, maar nu is het moment gekomen dat alle delen van het nieuwe wetboek ook in de Tweede Kamer zullen worden behandeld. Boek 1 tot en met 6 van het nieuwe wetboek waren in maart 2023 al naar de Tweede Kamer gestuurd en de negende voortgangsrapportage kondigde in januari van 2024 al aan dat ook de laatste twee boeken 7 en 8 nog dit jaar zouden worden ingezonden. Zo geschiedde: met de vaststellingswet van 17 oktober 2024 waren ook de boeken over respectievelijk de ‘Tenuitvoerlegging’ en de ‘Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking’ klaar voor behandeling. Het betreft de boeken die al eerder, vooruit­lopend op de modernisering, waren aangevuld met de Wet USB en de Wet herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken en die nu voorzien zijn van de laatste wijzigingen naar aanleiding van ontwikkelingen en bevindingen in de praktijk. Als streefdatum voor inwerkingtreding wordt 1 april 2029 aangehouden.

Bijzonder aan het Moderniseringstraject is dat in de afgelopen jaren ook pilots hebben gedraaid die anticiperen op de nieuwe regelgeving, waarvan de bevindingen afgelopen september in een tweetal rapporten werden gepresenteerd. Het ging om het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, om gebruik van een eindezaakverklaring bij mediation in strafzaken in de fase van de berechting, om het onderzoeken van gegevens na inbeslagneming van een apparaat zoals een smartphone, om gebruik van een combinatie van een opname van beeld en/of geluid (AVR) met een verkort proces-verbaal daarvan (camerabeelden, opnames van verdachtenverhoren en opnames van zittingen) en tot slot om het laten uitoefenen van bevoegdheden door hulpofficieren van justitie. De uitgebreide bevindingen zijn opgetekend in twee WODC-rapporten onder de titels Evaluatie Innovatiewet Strafvordering – Pilots Gegevens na beslag, Audiovisuele registratie en Hulpofficier van Justitienoot 25 en Evaluatie pilots Innovatiewet Strafvordering – Prejudiciële vragen en Mediation in Strafzaken.noot 26

Het moderniseringstraject behoeft nu alweer bijstelling. Op 8 mei van dit jaar ging een eerste aanvullingswet in consulatie waarmee de onderwerpen ‘Procesafspraken’ en ‘Buitengerechtelijke afdoening’ alsnog in het wetgevingstraject worden betrokken. Voor procesafspraken geldt dat inmiddels een bestendige praktijk bestaat in alle fasen van het geding voor de rechter en dat het arrest van de Hoge Raad en de Aanwijzing van het college van procureurs-generaal weliswaar duidelijke kaders scheppen, maar dat de wetgever er niet aan ontkomt bepaalde vraagstukken wettelijk te regelen. Denk aan de vraag of procesafspraken echt in alle strafzaken zijn toegestaan en of een maximale strafkorting dient te worden vastgesteld. Ten aanzien van de buitengerechtelijke afdoening geeft de aanvulling nadere regels voor de inzet van de strafbeschikking (hoofdregel) in verhouding tot de transactie (uitzondering) en een rechterlijke toets door middel van een verlofstelsel voor hoge transacties.

De modernisering van het Wetboek van Strafvordering zal de komende jaren zeker zijn beslag zkrijgen en alle partijen in de strafrechtketen dienen zich gedegen voor te bereiden op de nieuwe situatie. Voor straf­recht­advocaten geldt die oproep wellicht nog sterker dan voor anderen, alleen al omdat de advocatuur in de meeste parlementaire stukken in het lijstje van ‘samenwerkende, betrokken organisaties’ niet wordt genoemd.

De auteurs zijn werkzaam bij Cleerdin & Hamer Advocaten in Amsterdam, Almere en Rotterdam.

Noten

  1. Zie bijvoorbeeld het Rapport Verkenning Werkdruk Rechtspraak en Openbaar Ministerie Werken aan echte oplossingen van J. Winter.

  2. Zie Antwoorden Kamervragen over de overwegingen van het kabinet om Nederlandse gedetineerden naar Estland te sturen.

  3. Zie Hogere gevangenisstraffen mogelijk voor drugscriminelen | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl.

  4. Zie https://​www.strafrechtketen.nl/​binaries/​strafrechtketen/​documenten/​rapporten/​2024/​6/​12/​factsheet-strafrechtketenmonitor-2023/​Strafrechtketen+2023.+Factsheet+strafrechtketenmonitor.pdf.

  5. Zie https://​www.nrc.nl/​nieuws/​2024/​06/​21/​om-baas-rinus-otte-als-het-recht-steeds-minder-het-cement-vormt-in-de-samenleving-wat-moeten-we-dan-a4857215

  6. https://​magazines.openbaarministerie.nl/​opportuun/​2024/​05/​interview-guus-schram

  7. Zie https://​nos.nl/​artikel/​2519817-handhaven-nieuwe-straatintimidatiewet-volgens-vakbonden-grote-uitdaging

  8. Zie ECLI:​NL:​RBMNE:​2024:5727.

  9. Zie ECLI:​NL:​RBROT:​2024:9612, ECLI:​NL:​RBMNE:​2024:5730 en ECLI:​NL:​RBMNE:​2024:5727.

  10. Zie het rapport van Zürcher, Pardal, Leussink en Hoorens, ‘Drugsgerelateerde corruptie op Schiphol en in de Rotterdamse haven. Een analyse van corruptiedreigingen, impact en beleidsinstrumenten op basis van de methodologie voor National Risk Assessment, RAND 2024.

  11. Zie ECLI:​NL:​RBZWB:​2024:6392.

  12. Zie ECLI:​NL:​TADRSGR:​2024:152.

  13. Zie J. Lindeman, ‘Under pressure. Juridische professies in de strafrechtpleging onder druk’, Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit 2024 (14) 2.

  14. Zie ECLI:​NL:​HR:​2021:218.

  15. Zie ECLI:​NL:​HR:​2022:900.

  16. Zie ECLI:​CE:​ECHR:​2021:0119JUD000220516.

  17. Zie ECLI:​NL:​HR:​2021:576, ECLI:​NL:​HR:​2021:693 enECLI:​NL:​HR:​2021:765.

  18. Zie ECLI:​NL:​HR:​2022:466.

  19. Zie ECLI:​NL:​HR:​2021:576 en ECLI:NL:HR:2021:1418.

  20. Zie ECLI:​NL:​HR:​2010:BM2452.

  21. Zie ECLI:​NL:​PHR:​2019:1315.

  22. Zie ECLI:​NL:​HR:​2014:1563.

  23. Zie bijvoorbeeld ECLI:​NL:​HR:​2009:BJ7810, ECLI:​NL:​HR:​2010:BK2971, ECLI:​NL:​HR:​2022:909 en ECLI:​NL:​HR:​2022:1568.

  24. https://​eur-lex.europa.eu/​legal-content/​NL/​TXT/?uri=CELEX:32024R1620.

  25. https://​repository.wodc.nl/​handle/​20.500.12832/​3392

  26. 26https://​repository.wodc.nl/​handle/​20.500.12832/​3393