vak & mens
Stellen die samenwonen zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap lopen tegen tal van juridische problemen aan als ze uit elkaar gaan. Promovenda Maaike Huijzer (26) bepleit nieuwe wetgeving. ‘Het recht moet meebewegen met maatschappelijke ontwikkelingen.’
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: het is algemeen bekend dat als je gaat samenwonen met je partner, zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap, er over en weer geen rechten en plichten zijn. Toch? Vanwaar je onderzoek naar dit soort informele relaties en de mogelijke consequenties na een scheiding?
‘Het zou mooi zijn als iedereen hiervan op de hoogte was, maar rechtspraak en literatuur wijzen toch iets anders uit. Een groot deel van de samenlevers maakt geen afspraken en denkt niet na over de juridische invulling van hun relatie. Zo blijkt uit cijfers van het CBS dat ongeveer de helft van de stellen die gaan samenwonen geen samenlevingscontract opstellen. Uit enquête-onderzoek van vFAS – de Nederlandse vereniging Familie- en Erfrecht Advocaten Scheidingsmediators – blijkt zelfs dat dit aantal nog minder is: 32 procent. Ik vermoed dat veel stellen tijdens de relatie liever niet bezig zijn met financiële zaken voor het geval dat ze uit elkaar gaan. Ik zie het ook in mijn eigen omgeving. Noem het naïef, onwetendheid: ik weet het niet. Bij een scheiding lopen stellen – zowel met als zonder samenlevingscontract – tegen tal van juridische problemen aan. Ik ben docent bij het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht en sinds 2024 werkzaam als promovenda bij het Utrecht Centre for European Research into Family Law. Voor mijn proefschrift doe ik onderzoek naar deze zogenoemde informele samenleefrelaties. Dat zijn partners die samenwonen op basis van een affectieve relatie zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap. Ik ben in kaart aan het brengen tegen welke problematiek deze samenlevers specifiek aanlopen. Vervolgens ga ik onderzoeken hoe deze problematiek verminderd kan worden door nieuwe wetgeving voor samenlevers aan de hand van rechtsvergelijking en empirisch onderzoek. Hierbij focus ik op de interne verhouding tussen partners.’
Je sprak hierover tijdens het vFAS-symposium afgelopen september. Merk je dat het onderwerp leeft onder advocaten?
‘Zeker, ik kreeg veel reacties. Advocaten vragen geregeld om advies. In de praktijk blijkt dat er veel onduidelijkheid is. Voor gehuwden en/of geregistreerde partners is een en ander goed geregeld in Boek 1 BW. Maar voor informeel samenlevenden is het algemene vermogensrecht van toepassing bij de financiële afwikkeling van de relatie. Dit algemene vermogensrecht veronderstelt dat mensen handelen vanuit economische belangen. Samenwoners zijn echter geen zakenpartners. Ze stellen niet bij alles een contract op en handelen niet steeds vanuit individuele economische belangen. Mede daardoor sluit het huidig geldende recht niet goed aan op de realiteit van een samenleefrelatie. Er is bijvoorbeeld recent een zaak over vermogensverschuivingen en het meedelen in vermogen van de andere partner door de Hoge Raad terugverwezen naar het hof. Na overlijden van de ene partner gaat de overwaarde van het huis waarin partners lange tijd hebben samengewoond niet naar de overgebleven partner, maar naar de familieleden. Het huis stond weliswaar op naam van de overleden partner maar de overgebleven partner stelt al die jaren wel te hebben bijgedragen aan de woning. Dat schuurt. Maar wat kun je in dit soort gevallen als noodzakelijke wetgeving ontbreekt?’
Maar stellen kiezen er toch zelf voor om geen huwelijk of geregistreerd partnerschap aan te gaan?
‘Dat is ook de stelling van de minister. Partners kunnen kiezen voor het huwelijk of geregistreerd partnerschap. Als ze daar niet voor kiezen, is het hun eigen verantwoordelijkheid om hun zaken goed te regelen, vindt hij. Maar ik pleit ervoor dat het recht meebeweegt met maatschappelijke ontwikkelingen. Het is sterk de vraag in hoeverre mensen de keuze voor hun relatievorm baseren op juridische overwegingen. Inmiddels heeft een kwart van alle stellen in Nederland een informele samenleefrelatie. Het is dan ook niet langer te rechtvaardigen dat deze relatievorm niet onder het relatierecht valt. Als er zoveel stellen zijn die – wellicht uit onwetendheid – een en ander niet regelen, dan moet daar regelgeving voor komen. Ter illustratie: de bescherming van degene die zorgtaken vervult, hebben we in Nederland hoog in het vaandel staan. Momenteel wordt deze bescherming voor een groot deel van de stellen niet gewaarborgd.’
‘We lopen in Nederland achter. Landen als Ierland, Noorwegen, Zweden en Portugal hebben al specifieke regelgeving’
Tegen welke problematiek lopen informeel samenwoners aan?
‘Dit is grofweg onder te verdelen in vijf categorieën: de vermogensafwikkeling, verjaring, pensioen, partneralimentatie en erfrecht. Kinderalimentatie valt hierbuiten, want dat is niet anders dan voor gehuwden en betreft de verhouding ouder-kind. Ik doe onderzoek naar de verhouding partner-partner. Daarbij is de vermogens-, oftewel de financiële afwikkeling het meest problematisch. In tegenstelling tot gehuwden/geregistreerd partners is het opgebouwde vermogen tijdens de relatie niet automatisch gezamenlijk vermogen. Inkomsten en schulden blijven in principe gescheiden. In de realiteit raakt veel van dit vermogen verstrengeld. De ene partner betaalt de boodschappen en de andere de gezamenlijke hypotheek. Dat kan met name problemen gaan opleveren als er kinderen komen en de werk- en zorgverdeling niet gelijk is. Uit onderzoek blijkt dat de vrouw – ik ga nu even uit van een heterorelatie – in negentig procent van de gevallen meer zorgtaken op zich neemt. Zorgtaken worden niet vergoed en het beschermingsmechanisme – zoals we dat in een huwelijk kennen – gaat bij samenwoners niet op. Dat betekent in de praktijk dat als je voor de kinderen hebt gezorgd waardoor je minder of niet hebt kunnen werken je uiteindelijk – bij een scheiding – met lege handen achterblijft. Je deelt immers in niets mee: spaargeld, inkomen, pensioen, huis et cetera. En ook de gezamenlijke inboedel kan bijvoorbeeld problemen opleveren. Degene die de tafel heeft gekocht is eigenaar van de tafel, degene die het bed heeft gekocht is eigenaar van het bed. Maar wat als je het van een gezamenlijke rekening hebt betaald? Of als je na vijftien jaar geen idee meer hebt wie wat gekocht heeft? Ook bestaat er veel onduidelijkheid over vermogen dat tijdens de relatie verschoven is. Krijgt de partner die bij aankoop van de gezamenlijke woning een veel groter bedrag heeft geïnvesteerd bij het einde van de relatie een vergoeding bij verkoop van de woning? Ik zou het antwoord niet kunnen geven. Voor familierecht advocaten is dit niets nieuws. Er zijn inderdaad geen rechten en plichten over en weer als je niets vastlegt, dat is bekend. Maar in de praktijk blijkt er totale willekeur te zijn. Als het toch tot de gang naar de rechter leidt dan is er veel rechtsonzekerheid. De ene rechter vindt dit, de andere dat. Dat komt omdat het juridisch kader niet aansluit.’
En hoe zit het met de andere drie categorieën?
‘Daar kan ik kort over zijn. Verjaring? De algemene verjaringsregels gelden, dit betekent dat een vordering in principe na vijf jaar verjaart. Het is dus goed denkbaar dat de investerende partner na een lange relatie geen mogelijkheid meer heeft om de vordering te innen als de partners uit elkaar gaan. Pensioen? Dit wordt niet automatisch gedeeld. Partneralimentatie? Daar heb je als informeel samenwonende geen recht op. Erfrecht? Als partner heb je nergens recht op, tenzij er een testament is opgesteld. Veel partners hebben dit niet gedaan, dan gaat het vermogen naar de kinderen of als die er niet zijn naar de ouders, broers en zussen.’
Het voelt oneerlijk.
‘Precies. En daarom denk ik dat het essentieel is dat er nieuwe wetgeving komt. Als een kwart van de mensen zo leeft en daarmee in de problemen kan komen dan moeten er meer rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en bescherming komen. We lopen in Nederland achter. Meerdere landen – denk aan Ierland, Noorwegen, Zweden en Portugal – hebben inmiddels al specifieke regelgeving ingevoerd. Ik ga de aankomende jaren onderzoek doen hoe we hier in Nederland van kunnen leren.’