actueel
Het gerechtshof Den Haag wil van de Hoge Raad weten of advocatenkantoren verplicht zijn de beroepsopleiding van hun stagiairs te betalen. Het hof heeft daartoe prejudiciële vragen gesteld.
De vragen van het hof komen voort uit een geschil tussen een stagiaire en haar kantoor over de onderlinge arbeidsovereenkomst. De vrouw trad in juni 2022 voor onbepaalde tijd in dienst bij het Rotterdamse kantoor. In de arbeidsovereenkomst werd als ontbindende voorwaarde opgenomen dat de stagiaire de Beroepsopleiding Advocatuur in drie jaar tijd met succes moest afronden. In het geval dat zij voortijdig uit dienst zou treden, moest de stagiaire de gemaakte studiekosten aan het kantoor terugbetalen.
De loopbaan van de stagiaire bij het kantoor bleek van korte duur. Na nog geen jaar werd ze op staande voet ontslagen en vorderde het kantoor terugbetaling van de studiekosten. De stagiaire wendde zich tot de kantonrechter in Rotterdam om financiële genoegdoening te krijgen, werd slechts ten dele in het gelijk gesteld en ging in hoger beroep.
Voordat de hogere rechter tot een inhoudelijke behandeling toekwam, kwamen de ex-stagiaire en haar voormalig kantoor een schikking overeen. Alleen het punt van de studiekosten bleef nog open, hoewel de kantonrechter het studiekostenbeding nietig had verklaard. Volgens de kantonrechter valt de beroepsopleiding voor advocaten onder de scholingsplicht van de werkgever en moet die kosteloos worden aangeboden. Het kantoor kan zich daar echter niet in vinden en houdt vast aan de eis tot terugbetaling.
Het gerechtshof Den Haag doet vooralsnog geen uitspraak in de zaak en kiest voor een andere route. Op verzoek van de NOvA, die zich als belanghebbende heeft gesteld, legt het hof enkele vragen neer bij de Hoge Raad. In de eerste plaats vraagt het hof zich af of de Beroepsopleiding Advocatuur op grond van artikel 7:611a lid 1 BW kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van een advocaat-stagiair. Als dat zo is, dient de werkgever de scholing kosteloos aan te bieden. De beroepsopleiding kan mogelijk ook worden gezien als scholing die noodzakelijk is voor het verkrijgen van een diploma waarover een werknemer dient te beschikken om als advocaat op te treden. In dat geval is het geen zaak voor de werkgever.
Als de Hoge Raad voor de eerste optie kiest, wil het hof vervolgens weten of de rekening voor de opleiding per definitie helemaal bij de werkgever moet komen te liggen, zoals artikel 7:611a lid 2 BW voorschrijft. In dat geval wordt een studiekostenbeding onmogelijk.
Voor de volledigheid legt het hof ook nog de vraag voor of de Advocatenwet en de Voda mogelijk de grondslag bieden om kantoren te verplichten de beroepsopleiding van stagiairs te betalen.
Het hof accepteert dat de NOvA zich als belanghebbende heeft gemengd in de procedure. De orde schaart zich niet achter een van de partijen, maar neemt een neutraal standpunt in. Volgens de NOvA dient in het belang van de hele beroepsgroep duidelijk te worden of de kosten van de Beroepsopleiding Advocatuur al dan niet voor rekening van de werkgever komen.
Een studiekostenbeding is binnen de advocatuur gebruikelijk. Jaarlijks melden zich ruim duizend stagiairs aan bij de beroepsopleiding, die circa € 13.500 kost. Die instroom is in belangrijke mate afhankelijk van kantoren die stagiairs in dienst nemen en begeleiden. Als kantoren die kosten niet kunnen verhalen op vroegtijdige vertrekkers, worden ze mogelijk terughoudend bij het aannemen van nieuwe stagiairs, vreest de NOvA.