van de nova

uitspraken

Van de tuchtrechter

Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Tjitske Cieremans, Maurice Mooibroek en Robert Sanders.

Handelen in de hoedanigheid van patroon

  • Hof van Discipline 26 januari 2024, zaak nr. 230091D, ECLI:​NL:​TAHVD:​2024:24 .
  • Artikel 46 Advocatenwet.
  • Patroon informeert de deken en raad onjuist over stages.

Mr. X is reeds patroon van een stagiair (mr. A) als zij de raad van de orde goedkeuring van de stage verzoekt van een nieuwe stagiair (mr. B). De raad stemt in met het verzoek. Enkele maanden later ontvangt de raad een verzoek tot goedkeuring van de stage van mr. C onder het patronaat van mr. X. Omdat de stage van mr. A bijna was afgelopen, gaat de raad akkoord met het patronaat over mr. C.

De raad ontvangt vervolgens signalen dat het met de begeleiding van mr. B niet goed zou gaan. Mr. X levert na enige aansporing het stageverslag op en daaruit blijkt dat mr. B zaken behandelt op het gebied van het personen- en familierecht en het strafrecht en dat zij zich ook op deze rechts­gebieden specialiseert. Mr. X is echter strafrechtadvocaat en doet niet of nauwelijks personen- en familierecht terwijl de patroon en de stagiair op hetzelfde rechtsgebied werkzaam moeten zijn. Mr. X wordt door de raad op die regel gewezen. Zij had tijdens haar kennismakingsgesprek aan de raad moeten laten weten dat zij eveneens op het gebied van het personen- en familierecht werkzaam zou zijn. Er wordt afgesproken dat mr. X de stagiairs op haar rechtsgebied zal begeleiden en over een halfjaar een overzicht stuurt van het aantal en de soort zaken die zij hebben behandeld.

Nadat in twee maanden tijd twee stagiairs bij het kantoor voortijdig – dus vóórdat zij hun stage hebben voltooid – vertrekken omdat zij ontevreden zijn over het functioneren van mr. X als hun patroon stelt de deken een onderzoek in naar het functioneren van mr. X als patroon. Mede naar aanleiding van gesprekken met de vertrokken stagiairs en een oud-medewerker van het kantoor van mr. X dient de deken een dekenbezwaar in met onder meer het verwijt dat mr. X de deken en de raad onjuist heeft geïnformeerd. Dit onderdeel van het dekenbezwaar wordt door de Raad van Discipline ongegrond verklaard. Volgens de raad hebben de door mr. X ondertekende stageverslagen en de communicatie met de medewerkers van de orde terecht vragen opgeroepen en de door mr. X verstrekte informatie was (deels) niet altijd overeenkomstig de waarheid. Volgens de raad staat niet met zekerheid vast dat mr. X de deken en de ordemedewerkers opzettelijk heeft misleid. Volgens de raad valt namelijk niet uit te sluiten dat deze informatie over de stages van de stagiairs in de beleving van mr. X (op dat moment) wel correct was.

Anders dan de raad acht het hof in hoger beroep dit onderdeel van het dekenbezwaar op een aantal aspecten gegrond. Daarbij gaat het om het onjuist (waaronder begrepen onvolledig) invullen van de stageverslagen, het versturen van een onvolledige e‑mail over de reden van het vertrek van mr. C alsmede een telefoongesprek hierover en het onjuist informeren omtrent de mate van begeleiding van stagiairs. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat, anders dan de raad heeft aangenomen, opzettelijke misleiding geen onderdeel vormt van het klachtonderdeel; het gaat om onjuist informeren.

Voor het hof is relevant dat de stagiairs bij de deken hebben verklaard dat de stage­verslagen niet volledig klopten. Mr. B gaf daarbij als voorbeeld dat, anders dan in het stageverslag stond, mr. X haar processtukken nooit las, met uitzondering van een enkel processtuk en dat correspondentie nooit werd gecontroleerd, met uitzondering van de enkele brief die zij zelf aan mr. X of een kantoorgenoot voorlegde. Het hof constateert daarnaast dat diverse vragen in de stageverslagen niet zijn beantwoord. Mr. C heeft verklaard dat, anders dan in het stageverslag is vermeld, nooit sprake was van twee uur begeleiding per week en dat, anders dan is ingevuld, het verloop van de stage niet een-op-een minimaal een keer per week werd besproken. Verder heeft mr. C verklaard dat mr. X geen beoordelingsgesprekken met haar heeft gevoerd, terwijl dit in het stageverslag wel is opgeschreven. Het hof twijfelt niet aan deze verklaringen en ook het verwijt wat de informatie betreft die mr. X aan de orde heeft verstrekt over de nakoming van afspraken omtrent begeleiding van stagiairs is gegrond.

Het hof rekent dit mr. X aan. Het doel van de stageverslagen is immers dat door de deken toezicht kan worden gehouden op het verloop van de stage. Als de stageverslagen niet volledig en conform de waarheid worden ingevuld, wordt dit toezicht belemmerd. Het hof acht hierbij relevant dat de stageverslagen weliswaar samen door de patroon en de stagiair worden ingevuld en ondertekend, maar dat gelet op de onderlinge verhouding waarin de stagiair zich in een afhankelijke positie bevindt, in het bijzonder van de patroon mag worden verwacht dat wordt toegezien op een volledige en correcte informatie­verstrekking in het stageverslag. De deken moet daarop kunnen vertrouwen en dit vertrouwen is door mr. X beschaamd.

Het hof overweegt ten aanzien van de e‑mail van mr. X over het vertrek van mr. C het volgende. Mr. X geeft in haar brief aan mr. X twee redenen aan voor haar beslissing om te vertrekken, namelijk dat zij meer strafzaken wilde doen dan zij op dat moment deed, en dat zij in de wijze waarop zij haar werk in de familierechtpraktijk heeft ervaren, namelijk – kort samengevat – dat zij onvoldoende steun van mr. X ervoer en zich te onzeker voelde om verder te gaan. Mr. X heeft echter uitsluitend de eerste reden van het vertrek van mr. C vermeld aan de orde.

Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft mr. X verklaard dat zij de brief van mr. C nu anders leest dan destijds en dat het nooit haar intentie is geweest om de deken verkeerd te informeren. Deze verklaring overtuigt het hof niet, in het bijzonder omdat er op het moment van verzending van deze e‑mail al geruime tijd contacten waren geweest tussen de orde en mr. X over de begeleiding van de stagiairs. De bijzondere relevantie van de tweede reden van vertrek kan mr. X daarom niet zijn ontgaan. Naar het oordeel van het hof geeft deze e‑mail van mr. X daarom een onjuiste voorstelling van zaken door de tweede reden van vertrek niet te vermelden. De informatie die mr. X heeft verstrekt, is daarmee op dat punt onvolledig. Het hof concludeert dat mr. X de deken onjuist (waaronder begrepen onvolledig) heeft geïnformeerd en het dekenbezwaar is daarom in zoverre gegrond.

Met betrekking tot de maatregel overweegt het hof dat advocaten onderdeel uitmaken van een geprivilegieerde beroepsgroep. Die geprivilegieerde positie brengt verplichtingen met zich, zoals het meewerken aan het door de deken uitgeoefende toezicht. Door de deken onjuist te informeren, heeft mr. X de deken belemmerd in haar toezicht­houdende rol. Het hof ziet geen aanleiding aan mr. X een andere maatregel op te leggen dan de raad heeft gedaan.

Voorwaardelijke schorsing van zes weken.

Ontvankelijkheid klagende vennootschap

  • Hof van Discipline 26 januari 2024, zaak nr. 220252, ECLI:​NL:​TAHVD:​2024:28 .
  • Artikel 46 Advocatenwet.
  • Klacht is bij de deken ingediend namens een op dat moment niet meer bestaande rechtspersoon.

Mr. X heeft op verzoek van de bestuurder van een vennootschap bijstand verleend aan de bestuurder, de vennootschap en de echtgenote van de bestuurder. Nadien heeft de gemachtigde van de vennootschap aan mr. X laten weten dat de bestuurder zich tot hem heeft gewend omdat de bestuurder er tevergeefs van uitging dat mr. X een deel van de gedeclareerde betalingen zou restitueren. Om een informatieverzoek van de gemachtigde antwoordt mr. X dat hij gehouden is aan zijn geheimhoudingsplicht, temeer nu de gemachtigde van de vennootschap geen geheimhouder is.

Namens de vennootschap wordt een klacht ingediend tegen mr. X die diverse onderdelen bevat en die merendeels zien op het declaratiegedrag van mr. X en zijn informatieplicht jegens klager. De Raad van Discipline heeft een aantal klachtonderdelen gegrond verklaard en aan mr. X een berisping opgelegd.

Aanvankelijk heeft zowel mr. X als klaagster beroep ingesteld. De gemachtigde van klaagster heeft bevestigd na de (eerste) mondelinge behandeling dat klaagster het ingestelde beroep intrekt.

Het hof buigt zich dan over de vraag of klaagster kan worden ontvangen in haar klacht. De tuchtrechter dient immers ambtshalve te toetsen of de klacht ontvankelijk is (vgl. HvD 3 februari 2014, ECLI:​NL:​TAHVD:​2014:67). Het spreekt voor zich dat alleen door of namens bestaande (rechts)personen klachten kunnen worden ingediend. Hierbij is het moment van indienen van de klacht bij de deken bepalend (vgl. HvD 4 februari 2013, ECLI:​NL:​TAHVD:​2013:125).

De klacht is door de gemachtigde van klaagster ingediend bij brief van 11 december 2020 en ontvangen door de deken op 14 december 2020. Uit de verschillende uittreksels uit het register van de Kamer van Koophandel in het dossier volgt dat de inschrijving van klaagster wegens opheffing van de vestiging in het register ambtshalve is doorgehaald per 26 november 2020 en dat de vennootschap is uitgeschreven per 10 oktober 2023.

De gemachtigde van klaagster heeft ter zitting van het hof op 1 december 2023 meegedeeld dat volgens hem ervan kan worden uitgegaan dat de vennootschap per 26 november 2020 is ontbonden. Hij heeft echter gewezen op het door hem (mede) namens klaagster op 28 september 2022 bij het hof ingediende verzoek tot schade­vergoeding. Volgens de gemachtigde van klaagster levert dit schade­vergoedingsverzoek een potentiële bate op, waardoor klaagster alsnog ontvankelijk is in haar klacht.

Het hof volgt de gemachtigde van klaagster niet in die redenering. Het moment van indienen van de klacht is immers bepalend voor de vraag of een klacht ontvankelijk is. Omdat de inschrijving van de vestiging van klaagster reeds op 26 november 2020 – en daarmee voorafgaand aan het indienen van de klacht – is doorgehaald, levert dit voor het hof een sterke aanwijzing op dat de vennootschap op het moment van indienen niet meer bestond. De gemachtigde van klaagster heeft dit bevestigd door te melden dat hij ervan uitgaat dat de vennootschap per die datum is ontbonden. Het hof ziet daarom geen aanleiding om uit te gaan van een andere datum voor het moment waarop klaagster is opgehouden te bestaan. Anders dan de gemachtigde van klaagster stelt, brengt het (eerst in hoger beroep) ingediende verzoek tot schade­vergoeding niet mee dat klaagster daardoor alsnog in haar klacht zou kunnen worden ontvangen. Het verzoek tot schade­vergoeding is accessoir aan de klacht; bovendien heeft klaagster haar beroep op 4 december 2023 ingetrokken.

Aldus oordeelt het hof dat de klacht is ingediend namens een op dat moment niet meer bestaande rechtspersoon. Dat betekent dat klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen en alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard.