juridisch analyse

De boete voor de advocaat-werknemer: eigen beurs of voor de baas?

Al jaren is het de maatschappelijke tendens om steeds meer te reguleren, regels strikter te handhaven en sancties op te leggen bij overtredingen. Advocaten verdienen doorgaans een goed belegde boterham aan het bijstaan van de (vermeende) overtreders. Maar ook de advocaten zelf lopen een toenemend risico om door een financiële sanctie getroffen te worden.

Financiële sancties

De eerste verschijningsvorm van een financiële sanctie vloeit voort uit de Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen. Deze wet werd in 2018 ingevoerd. Op grond van die wet kan de advocaat worden veroordeeld tot betaling van de kosten die de klager en de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) in verband met de behandeling van de klacht hebben moeten maken, indien door de tuchtrechter een maatregel wordt opgelegd.noot 1 Concreet moet de advocaat bij gegrondverklaring van een klacht die door de Raad van Discipline is behandeld een bedrag van € 1.250 betalen ter dekking van de kosten van de NOvA en de Staat en bij het Hof van Discipline is dat zelfs een bedrag van € 1.500.

Een tweede verschijningsvorm is de bestuurlijke boete. Deze kan worden opgelegd door toezicht­houders bij overtreding van wettelijke voorschriften. In de huidige constellatie is de lokale deken van de orde toezichthouder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en belast met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Advocatenwet door advocaten die kantoor houden in zijn of haar arrondissement.noot 2

De deken kan voor de overtreding van het bepaalde bij of krachtens bepaalde verordeningen een bestuurlijke boete opleggen.noot 3 En de dekens scherpen inmiddels ook daadwerkelijk de messen. Hoewel de deken al langer gebruik kon maken van bestuurs­rechtelijke handhaving, is de boodschap in het Jaarplan Toezicht op de Advocatuur 2024noot 4 voor het eerst dat de deken gebruikmaakt van de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen. Begin 2024 heeft het dekenberaad de Beleidsregel bestuurs­rechtelijke handhaving advocatuur 2024 vastgesteld.noot 5

Concreet zijn in Bijlage I bij de Beleidsregel twee speerpunten benoemd die bestuurs­rechtelijk zullen worden gehandhaafd.

  1. Het overtreden van de verplichting om minstens één rechtsgebied te registreren waarop ten minste tien opleidings­punten zijn behaald. Het niet-registreren wordt bestraft met een boete van € 1.000, het niet-halen van de bijbehorende opleidings­punten leidt tot een verhoging van de boete naar € 1.500.
  2. Het overtreden van de verplichting om aan kwaliteitstoetsen (zoals intervisie) deel te nemen. Een urentekort levert een boete op, variërend van € 500 tot € 2.000.

Voor wiens rekening?

De vakbekwaamheidseisen rusten op de advocaat persoonlijk, en niet op zijn of haar kantoor. Een eventuele financiële sanctie zal dan ook de advocaat persoonlijk treffen.

De vraag rijst voor wiens rekening dergelijke bedragen komen als de advocaat het beroep in loondienst uitoefent. Veel advocaten zijn immers als werknemer aan een advocaten­kantoor verbonden, en een kleinere maar groeiende groep zogeheten Cohen-advocaten is in dienst van een bedrijf of instelling.

In het verleden is er veel te doen geweest over de vraag of een werkgever aan hem als kentekenhouder opgelegde verkeersboetes zou mogen verhalen op de werknemer die de betreffende auto bestuurde. De Hoge Raad oordeelde in 2008 dat werknemers de boetes moeten dragen die door hun gedragingen aan hun werkgevers zijn opgelegd.noot 6

Toch wordt in latere rechtspraak genuanceerder geoordeeld over dit onderwerp. Zo oordeelde de kantonrechter van de rechtbank Arnhem dat een transportonderneming de door een daar werkzame chauffeur voorgeschoten boete van € 4.601 voor een onbruikbare tachograaf moest dragen omdat de verant­woordelijk­heid voor de juiste werking en gebruik van de tachograaf bij de werkgever ligt.noot 7

Over een boete van € 1.501 wegens overtreding van rij- en rusttijdenregelingen oordeelde dezelfde rechter dat de werkgever de gevolgen moet dragen van geringe fouten die de werknemer in de uitvoering van zijn werkzaamheden maakt, juist in een functie als die van chauffeur. Bovendien vond de rechter de boete zó hoog, dat die niet kon worden geacht verdisconteerd te zijn in het salaris.

De situatie van de advocaat is echter juridisch anders dan in de genoemde rechtspraak omdat de betalingsverplichting op de advocaat zelf zal rusten en niet op de werkgever. De vraag is dan of er een grondslag valt aan te wijzen waarop de advocaat de kosten op de werkgever kan verhalen.

Ten aanzien van verkeersboetes overwoog de Hoge Raad in het arrest uit 2008 dat een wettelijke grondslag voor verhaal op de werkgever van boetes ontbreekt. Wel liet de Hoge Raad ruimte open voor de mogelijkheid dat de werkgever onder bijzondere omstandig­heden op grond van artikel 7:611 BW gehouden is een boete voor zijn rekening te nemen, bijvoorbeeld indien hij het begaan van de desbetreffende overtreding heeft bevorderd.noot 8 De enige deur die de Hoge Raad dus op een kier laat staan, is de open norm van het goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW).

Als het gaat om kosten in verband met een gegrond verklaarde tuchtklacht, is het bijvoorbeeld in de volgende situaties denkbaar dat de werknemer zich met succes op artikel 7:611 BW beroept.

  1. De werknemer is advocaat-stagiair en de patroon had de stagiair moeten behoeden voor klachtwaardig handelen. Een voorbeeld is de situatie waarin de stagiair tekortschiet in de communicatie met de cliënt en de patroon onvoldoende meekijkt en/​of begeleidt.
  2. De verweten gedraging vond plaats op verzoek of instructie van een advocaat-partner.
  3. De advocaat vertrouwt, naar achteraf blijkt ten onrechte, op het werk van een kantoorgenoot.
  4. In de kantoororganisatie gaan zaken mis waarvoor de advocaat tuchtrechtelijk verantwoordelijk is, zoals het overmaken van derdengelden naar de verkeerde partij.

Als het gaat om bestuurs­rechtelijke boetes, lijkt het minder waarschijnlijk dat de advocaat-werknemer zich op artikel 7:611 BW zal kunnen beroepen.

Al met al zal de advocaat-werknemer die door een financiële sanctie wordt getroffen, zich in de meeste gevallen niet kunnen verhalen op de werkgever.

Uiteraard is denkbaar dat de werkgever bereid is om de financiële sanctie te betalen of te vergoeden, ook als daar geen grondslag voor is aan te wijzen. In alle gevallen moet worden bedacht dat zo’n betaling of vergoeding door de fiscus als loon wordt beschouwd. Loon is namelijk alles wat een werknemer krijgt op grond van zijn dienstbetrekking.noot 9 Dit betekent dat ofwel loonheffing erover zal moeten worden ingehouden, ofwel dat het bedrag van de sanctie valt onder de werkkostenregeling (WKR) en als eindheffingsloon zal moeten worden aangewezen.noot 10

Aldert van der Bent is advocaat bij Wybenga advocaten in Rotterdam en advocaat-redactielid van dit blad.

Noten

  1. Artikel 48ac Advocatenwet.

  2. Artikel 45a lid 1 Advocatenwet.

  3. Artikel 45g lid 1 Advocatenwet.

  4. https://​www.toezichtadvocatuur.nl/​cms/​public/​files/​Jaarplannen%20Dekenberaad/​Jaarplan-dekenberaad-2024.pdf?e129c5aed9.

  5. https://​www.toezichtadvocatuur.nl/​cms/​public/​files/​beleidsregels/​beleidsregel-bestuurs­rechtelijke-handhaving-2024-met-bijlage.pdf?65ae03b85e.

  6. HR 13 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8791.

  7. Rb. Arnhem 17 april 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BI6548.

  8. HR 13 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8791, r.o. 3.4.4.

  9. Hfdst. 4 (inleiding) Handboek Loonheffingen.

  10. Par. 10.1.3 Handboek Loonheffingen.