van de nova

uitspraken

Van de tuchtrechter

Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Tjitske Cieremans, Maurice Mooibroek en Robert Sanders.

Vereiste van welwillendheid

  • Hof van Discipline 10 juli 2023, nr. 220133, ECLI:NL:TAHVD:2023:117.
  • Advocatenwet artikel 46, gedragsregels 7 en 24.
  • E-mails van bedenkelijk niveau tussen twee advocaten die ruziën over afrekening toevoeging geen situatie waarvoor Advocatenwet of gedragsregels bedoeld zijn.

Twee advocaten hebben een geschil gehad over de verdeling van de afrekening van een overgenomen toevoeging. Dat is geschikt en vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met geheim­houdings­beding. Maar mr. X is er nog niet klaar mee. Mr. Y had ter gelegen­heid van de schikking kennelijk nog de suggestie gedaan dat mr. X zijn excuses aan hem zou aanbieden. Daar gaat mr. X nu mee aan de slag. Hij maakt excuses voor het feit dat hij niet duidelijk genoeg was geweest tegen mr. Y, in het bijzonder over het feit dat hij mr. Y een ordinaire dief vindt en dat hij de dikte van de plaat voor het hoofd van mr. Y ernstig had onderschat. Later wijst mr. X nog op een uitspraak waarin mr. Y grotendeels in het ongelijk was gesteld, naar mr. X later verklaart met het doel om mr. Y te irriteren en hem enig leedvermaak te tonen. Mr. Y stelt de vraag of dat betamelijk gedrag is en vraagt of mr. X na her­lezing van de correspondentie zijn excuses daarvoor wil aanbieden. Dat weigert mr. X.

Een klacht volgt. Mr. Y stelt dat mr. X zich onnodig grievend en onwelwillend tegen hem heeft uitgelaten. Dat stelt de raad voor de vraag of dit een situatie is waar de Advocatenwet en de gedragsregels voor geschreven zijn. De raad analyseert als volgt: het gaat om een ruzie tussen twee advocaten. Het is een kwestie die uitsluitend tussen hen beiden speelt. Er zijn geen cliënten of derden bij betrokken. Het is ook geen kwestie waarin zij als advocaten voor cliënten optreden. De uit­latingen zijn in die zin niet in het kader van de beroeps­uitoefening gedaan en evenmin in de openbaarheid gedaan. De raad vindt de inhoud van de mailwisseling van bedenkelijk niveau, maar komt al met al tot een ongegrondverklaring.

Mr. Y laat er niet bij zitten en gaat in hoger beroep. Hij meent onder andere dat de raad ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het vereiste van wel­willendheid in de onderlinge verhoudingen: gedrags­regel 24.

Dat noopt het hof tot nadere beschouwing van hetgeen is voorgevallen. Met als uitgangspunt dat ook in kwesties waarin geen cliënten en/of geen derden betrokken zijn, advocaten gedragsregel 24 te respecteren hebben. Zij moeten gedrag voorkomen dat hun onderlinge verhouding verstoort.

Dan gaat het hof op de kwestie in, ook de afrekening van de toevoeging waarmee de problemen begonnen. Dat kan omdat beide advocaten afstand doen van het geheim­houdings­beding in de vaststellingsovereenkomst. Het blijkt dat mr. Y in dat traject nu juist zelf weinig moeite had gedaan om de verhoudingen goed te houden. Zo had hij een kantoorgenote van mr. X op wiens naam de toevoeging stond persoonlijk aangesproken, terwijl het normaal gesproken een kwestie is die tussen kantoren wordt afgewikkeld. Hij had mr. X en de kantoorgenote rauwelijks gedagvaard, ook nog eens op het privéadres van de kantoor­genote en voorts nog geklaagd over financiële malversaties. Het hof concludeert dat mr. Y zich niet bepaald welwillend had opgesteld. En dan geldt dat de partij die zelf de grenzen van het betamelijke opzoekt de ander minder snel kan verwijten dat die hetzelfde doet, aldus het hof.

En alhoewel mr. X de e-mails beter niet had kunnen sturen, is er geen sprake van een tuchtrechtelijk verwijt. De verhouding is duidelijk verstoord en het ontbreekt over en weer aan welwillendheid en vertrouwen. Maar het speelt zich uitsluitend af in de beslotenheid van de verhouding tussen mrs. X en Y. Het oordeel van de raad, ongegrond, kan gehandhaafd blijven, zij het ten dele op andere gronden, aldus het hof.

Vermeende schending van privacy

  • Hof van Discipline 28 augustus 2023, nr. 220259, ECLI:NL:TAHVD:2023:139.
  • Advocatenwet artikel 46.
  • Advocaat van gemeente mag deze adviseren over mogelijke strafrechtelijke en civielrechtelijke maatregelen tegen gemeenteraadslid.

Op het gemeentehuis van de gemeente N heerst enige jaren een gespannen sfeer. Raadslid mevrouw Y steekt haar opvattingen over het in haar ogen slechte func­tio­neren van de raadsgriffier en enkele mederaadsleden niet onder stoelen of banken. Zij stelt ook hun integriteit ter discussie. En dat alles in het publieke domein, binnen en buiten de gemeenteraad.

Mr. X krijgt van de gemeente opdracht om advies te geven of ‘er binnen het recht mogelijkheden zijn om actie te ondernemen’. En dat doet mr. X. Hij schrijft een notitie met verschillende aanbevelingen. Hij stuurt daarvoor ook een declaratie aan de gemeente. Kennelijk had mevrouw Y de gemeente ook aansprakelijk gesteld, waarvoor mr. X de gemeente eveneens bijstand verleent.

Jaren later doen een gemeenteraadslid en een wethouder aangifte van smaad tegen mevrouw Y. Mevrouw Y had dat zelf ook al eens gedaan tegen deze beiden, maar die aangifte werd ook na een artikel 12-proce­dure niet in behandeling genomen.

Weer jaren later dient mevrouw Y een klacht in tegen mr. X. Die bestaat uit vier onderdelen. Mr. X had voor zijn memo niet aan de gemeente mogen declareren omdat het een privé­aangelegen­heid betrof die niet met gemeen­schaps­geld betaald had mogen worden. Voorts had alleen de gemeenteraad zelf had het functioneren van mevrouw Y mogen onderzoeken, dus niet mr. X. Er was geen opdrachtbrief van mr. X aan de gemeente, in strijd met het transparantievereiste. En door het onderzoek uit te voeren zoals mr. X had gedaan, had hij de privacy van mevrouw Y geschonden.

De raad kijkt eerst naar de ontvankelijkheid. Heeft mevrouw Y wel belang bij de vier klachten? Het belang voor de klacht over de betaling van de declaratie met gemeen­schaps­geld ligt bij de gemeenteraad en niet bij mevrouw als individueel raadslid. En het feit dat een opdrachtbrief zou ontbreken, gaat de gemeente aan en niet, in elk geval niet rechtstreeks, mevrouw Y. Die twee klachtonderdelen zijn dus niet-ontvankelijk.

De overige onderdelen zijn volgens de raad verjaard en mevrouw Y wordt niet gevolgd in haar stellingen dat zij pas veel later, in 2020 van het memo respectievelijk de aangiften tegen haar kennis kon nemen.

Mevrouw Y gaat in hoger beroep, van alle vier de afgewezen klachtonderdelen. Maar een rechtstreeks eigen belang bij de klachten inzake de declaratie en de ontbrekende opdrachtbrief heeft zij ook volgens het hof niet. Wél aannemelijk acht het hof dat mevrouw Y pas in 2020 het memo van mr. X onder ogen kreeg. De klacht is daarom tijdig ingediend en de klacht­onderdelen die gaan over de vraag of mr. X dit had mogen onderzoeken en of hij daarmee de privacy van mevrouw Y heeft geschonden, moeten daarom inhoudelijk behandeld worden.

Dat leidt tot de (gebruikelijke) beschouwing van het hof dat mr. X als advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid genoot om de belangen van zijn cliënt te behartigen, maar die vrijheid ook grenzen kent. Die grenzen zijn niet overschreden door mr. X door het betreffende memo op te stellen. Hij mocht in opdracht van de gemeente onderzoek doen naar de uitlatingen van mevrouw Y en adviseren over de eventuele strafrechtelijke en civielrechtelijke maat­regelen die de gemeente zou kunnen inzetten. Van belang daarbij is de overweging van het hof dat mr. X die opdracht van zijn cliënt mocht aannemen en dat in­terne bevoegdheidsvraagstukken binnen zijn cliënt in begin­sel niet ter zake doen. Mevrouw Y had ook nog aangevoerd dat niet de gemeente maar in feite een ander raadslid de opdrachtgever van mr. X zou zijn geweest, maar daarvoor ziet het hof geen enkele aanwijzing. Mr. X mocht, móést zelfs, partijdig zijn en invulling geven aan de opdracht van de gemeente.

Die partijdigheid geldt ook waar het de klacht over de privacy betreft. Mr. X heeft onderzoek gedaan en is daarover alleen verantwoording schuldig aan zijn opdrachtgever: de gemeente. Van onevenredig nadeel toegebracht aan mevrouw Y, bijvoorbeeld door de gemeente te wijzen op de mogelijkheid om aangifte van smaad/laster te doen tegen mevrouw Y, is niet gebleken. Mr. X heeft zich beperkt tot onderzoek naar de gedragingen van mevrouw Y die zij als gemeente­raadslid in de openbaarheid deed. Er is geen ongeoorloofde bemoeienis geweest met haar persoonlijk leven. Deze klachtonderdelen worden daarom on­gegrond verklaard.