juridisch opinie

‘Late vordering brengt verdediging in procedurele spagaat’

Niet-tijdige indiening van een vordering tot schade­vergoeding brengt de verdediging in strafzaken in een procedurele spagaat, constateert Tjalling van der Goot. Dat past niet bij een waardig en zorgvuldig strafproces, betoogt hij.

Het zal een advocaat in strafzaken bekend voorkomen dat een vordering van de benadeelde partij niet zelden op het laatste moment wordt ingediend. Op zichzelf kent de wet geen termijnen, behalve dat artikel 51g lid 3 Sv voorschrijft dat de voeging uiterlijk geschiedt voordat de officier van justitie met zijn requisitoir aanvangt. Toch rekenen rechters soms af met een late indiening van een vordering tot schade­vergoeding omdat een en ander zich niet verdraagt met de eisen van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en een latere behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor de advocaat van de verdachte kan deze praktijk een procedurele spagaat opleveren.

De Hoge Raad benadrukt het eenvoudige en laagdrempelige karakter van de procedure voor de benadeelde partij dat ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zo veel mogelijk schade­loos worden gesteld. Daarentegen zijn er ook nadelen. ‘De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civiel­rechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering.’ Volgens de Hoge Raad wordt dit bezwaar ondervangen ‘door (…) art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onder­scheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren’.noot 1

Eerlijk proces

Voor een eerlijk proces is het van belang dat een vordering van de benadeelde partij door de verdediging moet kunnen worden bestudeerd en voorafgaand aan de zitting met de cliënt moet kunnen zijn doorgenomen. Bovendien zal in voorkomende gevallen nader onderzoek door de verdediging moeten plaatsvinden om een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt te kunnen innemen. Kortom, het is essentieel dat de raadsman in de strafzaak de vordering van de benadeelde partij tijdig ontvangt.

De rechtbank in Amsterdamnoot 2 overwoog –⁠ ter illustratie ⁠– recent hierover het volgende: ‘De rechtbank overweegt dat de vordering door de benadeelde partij is ingediend op 14 februari 2023, de dag voorafgaand aan de zitting, om 17:45 uur. Deze vordering is door de rechtbank zelf pas ontvangen in de ochtend voor de zitting en door de raadsman van verdachte zelfs pas gedurende de zitting. De vordering met bijlagen beslaat bijna 200 pagina’s. Nu de raadsman van verdachte geen tijd heeft gehad om de vordering van de benadeelde partij voor te bereiden, deze niet met verdachte heeft kunnen bespreken en als gevolg daarvan geen onderbouwd standpunt heeft kunnen formuleren ten aanzien van de vordering benadeelde partij, terwijl de vordering ruim € 20.000,- bedraagt, acht de rechtbank dat geen sprake is van “equality of arms” en dat deze gang van zaken in strijd is met artikel 6, eerste lid EVRM. De behandeling van de vordering benadeelde partij levert daarom volgens de rechtbank een onevenredige belasting van het strafproces op, omdat dit zou betekenen dat de strafzaak zou moeten worden aangehouden om de raadsman van verdachte voldoende voorbereidingstijd te gunnen. Vooral nu verdachte nog zeer jong is en gedetineerd is, acht de rechtbank dit zeer onwenselijk. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.’

De rechtbank Overijsselnoot 3 sprak zelfs van een overval­tactiek van de raadsman van de benadeelde partij door in een langlopende strafzaak tegen meerdere verdachten meermalen pas daags voor de inhoudelijke behandeling een omvangrijke vordering in te dienen. ‘Het heeft er alle schijn van dat mr. (…) gebruik heeft willen maken van een overvaltactiek. De gevolgen hiervan zijn voor de benadeelde partij en kunnen de verdachten niet worden aangerekend. (…) Voorgaande betekent dat alleen dat deel van de vordering beoordeeld zal worden dat zodanig evident is en onweersproken is gebleven, dat toewijzing gelet op het belang van [slachtoffer] in de rede ligt.’

Proceseconomie

Zo op het oog terechte en logische beslissingen. Indien immers de benadeelde schade vergoed wil hebben, is het eerlijk dat de verdachte (en zijn advocaat) zich tegen een vordering adequaat kan verweren. Een aanhouding van de behandeling ter terechtzitting om de verdediging tijd te geven zich te kunnen prepareren, is niet alleen voor de verdachte die langer lijdt onder de druk van de vervolging, maar ook vanuit het oogpunt van proceseconomie en de schaarse zittingscapaciteit zeer belastend en nadelig.

De kwestie is echter ook in strafvorderlijke zin complex. Want wat doet een advocaat van een verdachte die zich op het standpunt stelt dat de vordering van de benadeelde partij op een te laat tijdstip is binnen­gekomen? Wanneer voert hij een verweer dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering?

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. artikel 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen.noot 4 Maar een raadsman van een verdachte die zich op het standpunt stelt dat hij niet afdoende verweer kan voeren door tijdgebrek is veelal niet in staat om een vordering voldoende gemotiveerd te betwisten. Een vicieuze cirkel dus.

In de praktijk betekent dit dat de advocaat van de verdachte aan het begin van de terecht­zitting als punt van orde de late indiening van de vordering tot schade­vergoeding inbrengt. De rechter kan echter in dat stadium nog geen beslissing naar aanleiding van deze vordering nemen. De bevoegdheid om verweren preliminair –⁠ dus voor de voordracht door de officier van justitie ⁠– te voeren, is op grond van artikel 283 Sv voorbehouden aan kwesties die betrekking hebben op de nietige dagvaarding, de bevoegd­heid van de rechter of de ontvankelijk van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De vraag over ontvankelijk­heid van de benadeelde partij in de vordering kan dus niet preliminair worden beantwoord. Een en ander leidt ertoe dat een advocaat van een verdachte in dergelijke zaken enerzijds alles maar (tot op zekere hoogte ongemotiveerd of onvoldoende gemotiveerd) betwist om te voorkomen dat de rechter moet uitgaan van de juistheid van de aan de vordering ten grondslag liggende feiten, maar anderzijds bij pleidooi moet benadrukken dat hij onvoldoende tijd heeft gehad om voldoende gemotiveerde standpunten naar aanleiding van de vordering te kunnen innemen. Zo’n spagaat voor een verdediger in strafzaken is onwenselijk en bovendien niet passend bij een waardig en zorgvuldig strafproces.

Commissie-Donner

Een optie om te voorkomen dat een verdachte in een slechtere procespositie komt te verkeren dan de benadeelde is recent reeds door de Commissie-Donnernoot 5 geadviseerd. ‘Daarom zou bij vorderingen van meer dan bijvoorbeeld € 2.500 een uiterste indienings­termijn moeten worden gesteld. Bij lage vorderingen speelt deze problematiek minder of niet, bovendien dient het indienen van een vordering bij een snelrechtzitting voor slachtoffers niet onmogelijk gemaakt te worden. Ook zou de mogelijkheid van tussen­tijdse schriftelijke rondes in geval van hoger beroep nader moeten worden bezien.’

Nu er geen aangepaste termijnen voor indiening van een vordering tot schade­vergoeding zijn, is het wenselijk dat de ontvankelijkheid van de benadeelde partij reeds aan het begin van de inhoudelijke behandeling aan de orde gesteld kan worden. Dat voorkomt een wellicht achteraf onnodige bespreking van de vordering en geeft duidelijkheid aan alle procespartijen en ‑deelnemers. Artikel 283 Sv zou dan kunnen luiden: ‘In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank, niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie of niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd dit verweer reeds dadelijk na de ondervraging bedoeld in artikel 273 voor te dragen en toe te lichten.’

Een mooie klus voor de wetgever in het kader van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.noot 6 Tot die tijd is het passend uiterste indienings­termijnen vast te leggen en een instructie­norm in te voeren over hoe om te gaan met late indiening van vorderingen van de benadeelde partij in het landelijk procesreglement van de Rechtspraak.

Tjalling van der Goot is advocaat bij Anker & Anker Strafrechtadvocaten in Leeuwarden.

Noten

  1. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654.

  2. Rb. Amsterdam 1 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1258. Zie ook bijv. Rb. Noord-Holland 2 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:1772;Rb. Midden-Nederland 25 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3559;Rb. Midden-Nederland 28 april 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1717;Rb. Overijssel 26 januari 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:291;Rb. Midden-Nederland 25 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3559 en Rb. Noord-Nederland 9 mei 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:1978.

  3. Rb. Overijssel 26 oktober 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:4203.

  4. Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 (r.o. 2.8.3: overzichtsarrest).

  5. Advies Commissie onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten, Op verhaal komen. Naar een afgewogen, consistent en betaalbaar stelsel voor compensatie van slachtoffers van een strafbaar feit, Ministerie van Justitie en Veiligheid, maart 2021, p. 102.

  6. Het beoogde nieuwe Wetboek van Strafvordering bevat wel de mogelijkheid om complexe vorderingen tot schadevergoeding van slachtoffers van een gewelds- of zedenmisdrijf als benadeelde partijen af te splitsen van de hoofdzaak en in een afzonderlijke procedure in het strafrecht te behandelen.