actueel

Andermaal raadsheer Van der Meer

De Amsterdamse raadsheer Herman van der Meer leidt voor de tweede keer een commissie die zich over de gesubsidieerde rechtsbijstand buigt. De eerste keer kreeg de minister onafhankelijk advies, gebaseerd op feiten en dat gaat nu weer gebeuren, belooft hij.

De geschiedenis herhaalt zich. In navolging van zijn ambts­voorganger Sander Dekker heeft ook demissionair minister Franc Weerwind (Rechtsbescherming) Herman van der Meer gevraagd een commissie te leiden die zich over de gefinancierde rechtsbijstand gaat buigen. En net zoals de eerste keer, hij was toen nog president van het gerechtshof Amsterdam, heeft de inmiddels deels gepensioneerde raadsheer ingestemd. Hoewel het jongste karwei grote overeenkomsten vertoont met de vorige opdracht, zijn er ook verschillen, signaleert Van der Meer. ‘De situatie is nu heel anders dan destijds. We zijn inmiddels ruim zes jaar verder en de aanbevelingen van het eerste rapport zijn vrijwel allemaal ingevoerd. Ik denk dat de toeslagenaffaire daarbij van doorslaggevend belang was. Die heeft duidelijk gemaakt dat je niet moet morrelen aan de rechtsstaat.’

Van der Meer presenteerde het eerste rapport in oktober 2017, onder de titel Andere Tijden. De voornaamste conclusie betrof de structurele onderbetaling van toevoegingsadvocaten. Circa vier- tot vijfduizend advocaten bleken voor hun inkomen grotendeels afhankelijk van toevoegingszaken. Gemiddeld kwamen zij per jaar netto elf mille tekort, berekende Van der Meer, die vervolgens 52 aanbevelingen deed om de puntentoekenning te verbeteren. Boven aan het lijstje stond de aanbeveling jaarlijks 127 miljoen euro extra (ex btw) uit te trekken voor de rechtsbijstand.

Dat was muziek in de oren van de advocatuur, maar  vloeken in de kerk voor minister Dekker die gebonden was aan de strakke budgetregels van het kabinet-Rutte III. Met als gevolg dat het rapport aanvankelijk terzijde werd gelegd. In plaats van de aanbevelingen over te nemen, presenteerde Dekker zijn Contourennota met het plan om de gefinancierde rechtsbijstand op andere leest te schoeien.

Van der Meer heeft daar wel een tijdje van gebaald, erkent hij. ‘De politiek heeft de rechtsbijstand aanvankelijk aan een lijntje gehouden. De Kamer bleef op de handen zitten en de minister begon met allerlei experimenten. Die had verzuimd om geld te vragen voordat hij minister werd. Als je dat doet na je benoeming ben je te laat. Dat waren politieke keuzes waar de minister en de Tweede Kamer voor verantwoordelijk waren. Maar ik heb de hoop echter nooit opgegeven.’

Dat Van der Meer opnieuw is gevraagd de gefinancierde rechtsbijstand te analyseren, mag worden beschouwd als extra erkenning van de eerste commissie. Het doet hem zichtbaar genoegen. ‘Het is prettig zo aan een klus te beginnen. Ik heb begrepen dat mijn kandi­da­tuur breed wordt gedragen. De inhoud van het rapport Andere Tijden is ook nooit ter discussie komen te staan. Je mocht er destijds van vinden wat je wilde, dat was vooral een politieke keuze. Maar wat er stond, klopte en het klopt nog steeds. Niemand heeft ooit gezegd dat er dingen in stonden die niet correct waren.’

Commissie II krijgt nagenoeg dezelfde samenstelling als commissie I, zegt Van der Meer. Oud-deken Walter Hendriksen is net als in 2017 opnieuw van de partij, als ver­tegen­woordiger van de NOvA. Ook Heike Goudriaan, onderzoeker bij het CBS, doet weer mee. Zij tekent voor het wetenschappelijk fundament. En ook de directeur van de Raad voor Rechtsbijstand en een topambtenaar van het ministerie van Justitie en Veiligheid schuiven opnieuw aan. Dezelfde functionarissen als destijds, maar inmiddels in andere persoon.

Van der Meer denkt ook min of meer dezelfde werkwijze te hanteren als de vorige keer. ‘Ik verwacht dat we wat minder hoorzittingen zullen houden, omdat we vooraf ook gaan kijken naar de beleidsterreinen waar de noodzaak tot herijking het grootst is. Maar als we daar niet zeker van zijn, gaan we weer dezelfde mensen uitnodigen.’

Formeel krijgt de commissie de opdracht de vergoedingen in het stelsel voor gesubsidieerde rechtsbijstand te herijken. Van der Meer gaat zich naar eigen zeggen echter niet bezighouden met het puntentarief (momenteel € 126,55), maar met de tijdsbesteding. ‘De politiek kiest voor de hoogte van de beloning. Maximaal schaal 12 van de CAO Rijk is een politiek besluit. Wij kunnen hooguit zeggen hoeveel uur je daarvoor moet maken en welke kantoorkosten daarmee zijn gemoeid. Dat hebben we in 2017 ook gedaan. Toen hebben we gezegd: dat lukt niet. Je krijgt die zaken niet gedaan in de hoeveelheid uren die daarvoor staan.’

Het tekort liet zich toen het schrijnendst voelen in de familiepraktijk, aldus de raadsheer. ‘Daar is de verbetering sindsdien ook heel goed merkbaar geweest. Maar of dat genoeg was, moet nu opnieuw blijken. Ik hoor nog geen juichverhalen. De cliënt bepaalt voor een groot deel het urenbeslag van een advocaat. Als de maatschappelijke ontwikkeling is dat er meer echtscheidingen met kindproblematiek zijn, die veel tijd vergen, zal dat straks uit de cijfers blijken.’

Eén punt per uur

De commissie-Van der Meer II heeft als opdracht de vergoedingen in het stelsel voor gesubsidieerde rechtsbijstand te herijken. De tarieven voor toevoegingen hebben de afgelopen jaren geen gelijke tred gehouden met de inflatie. Op basis van tijdschrijfgegevens uit 2022 en 2023 dient de commissie te bezien of de vergoedingen voor rechtsbijstandsverleners nog in lijn zijn met de daadwerkelijke tijdsbesteding. Het uitgangspunt daarbij is dat één gewerkt uur overeen dient te komen met één punt in het stelsel. De commissie moet ook in beeld brengen of met een bruto-omzet gebaseerd op 1.200 punten een nettojaarinkomen op niveau van schaal 12, trede 10, van de CAO Rijk kan worden verdiend. Als dat niet het geval is, hoopt Weerwind van de commissie te horen hoe dat niveau wel kan worden gehaald.

Het rapport van de tweede commissie-Van der Meer wordt verwacht in het najaar van 2024. Minister Weerwind wil de daaruit voortvloeiende wijzigingen in de vergoedingen per 1 juli 2025 realiseren.

De basisgedachte blijft: een punt staat voor een uur, zegt Van der Meer beslist. ‘Daar gaan we niet aan morrelen. Als er tien punten voor een zaak staan, die uiteindelijk vijftien uur blijkt te kosten, dan moet die zaak naar vijftien punten.’

Maar wat als het nieuwe kabinet straks opnieuw met tekorten kampt en moet gaan bezuinigen? Dan dreigt ook hier herhaling van de geschiedenis. Van der Meer grinnikt een beetje, om dan in lachen uit te barsten. ‘Dan komt het aan op politieke consistentie. Daar heb ik wel een opvatting over, maar die ga ik niet met u delen. Dat is te politiek, daar moet ik als rechter van wegblijven.’

Om op serieuze toon te vervolgen: ‘De toeslagenaffaire heeft haarscherp aangetoond dan het veel geld kan kosten als je zaken aan de voorkant niet goed regelt. Academisch geschoolde professionals moet je niet het minimumloon willen toeschuiven, want dan weet je dat ze weglopen.’

Welke minister straks zijn tweede rapport in ontvangst gaat nemen, weet Van der Meer niet. Het maakt hem ook niet uit. ‘Ik heb nooit een verkeerd woord gehoord van Sander Dekker. Ik heb wel met hem gedeeld dat hij in een lastige positie zat. Maar zo is de politiek, die is niet per se gemakkelijk. Als je een onafhankelijk voorzitter vraagt om onafhankelijk onderzoek te doen, dan komt er een onafhankelijk rapport. Dat is toen gebeurd en dat gaat nu weer gebeuren.’