juridisch kronieken
Kroniek
Straf(proces)recht 2023
Deze Kroniek is een bespreking van de meest relevante ontwikkelingen voor de strafrechtpraktijk en is gebaseerd op jurisprudentie, wetgeving en literatuur.
Inleiding
De jaarlijkse bespreking van de stand van zaken in de strafrechtspleging kent inmiddels een traditie: betrokkenen uit de strafrechtsketen luiden gedurende het jaar bij tijd en wijle de noodklok om aan te geven dat het water ze aan de lippen staat. Dat is ook in 2023 niet anders, waarbij de aftrap reeds vroeg in het jaar werd gegeven. De NRC kopte in januari dat ‘de rechter er wakker van ligt dat het niet meer lukt om tijdig en goed te vonnissen’.noot 1 Grote zorgen over de werkdruk, het tekort aan rechters om de zaakstroom te kunnen behappen, de toenemende complexiteit van zaken,’het vele papierwerk van advocaten’ en het feit dat de rechters als ‘onafhankelijken’ zich lastig laten dwingen tot de hoognodige innovatie: de oorzaken van de overspannen strafrechtpleging zijn bekend en raken alle beroepsgroepen. De capaciteitsproblemen in de rechterlijke macht leidden er zelfs toe dat rechters en officieren van justitie dreigden te gaan staken,noot 2 wat ternauwernood kon worden afgewend met een nieuwe CAO. De poging vanuit de rechtbank Amsterdam om meer efficiëntie te creëren aan de hand van zogenoemde bulkzittingennoot 3(korte zittingen, eenvoudige en veelal oude zaken, geen uitgebreide behandeling in ruil voor een lagere straf) kreeg vooralsnog geen vervolg. Misschien omdat strafzaken zich nu eenmaal niet altijd lenen voor de korte klap, al waren de bevindingen van de betrokken procespartijen niet eens negatief. Een andere poging tot meer efficiëntie waarbij juist meer aandacht voor de verdachte werd gereserveerd, was de zogenoemde STMK-zitting (Snelle Toekomstgerichte Meervoudige Kamer): een voortvarend onderzoek met een meewerkende verdachte en procesafspraken waarbij de bestraffing zich eveneens richt op speciale preventie ten aanzien van de verdachte (ECLI:
Zo ontstond ook discussie onder de rechters zelf naar aanleiding van het opiniestuk in de Volkskrant van een afgezwaaide, gedesillusioneerde rechter die niet langer aan de lopende band van de koekjesfabriek wilde staan.noot 4 Haar collega’s uit de rechtbank Den Haag stelden in een reactienoot 5 zich niet in het door haar geschetste beeld te herkennen, maar associeerden hun beroep wel met topsport vanwege de onderbezetting, de hoge werkdruk en het verantwoordelijkheidsgevoel bij het streven de rechtzoekende burger goed te bedienen. Beide kampen vonden elkaar overigens wel in hun onbegrip waarom bepaalde zaken in hemelsnaam bij de rechter zouden moeten komen. In het verlengde daarvan deed voorzitter van de Raad voor de rechtspraak Henk Naves in het Financieele Dagbladnoot 6 een duit in het zakje door ‘de politiek’ aan te spreken op de overlast die wordt veroorzaakt door teveel bemoeienissen uit die hoek en het feit dat de politiek de structurele maatschappelijke problemen niet zelf lijkt te kunnen oplossen: ‘Als de politiek haar verantwoordelijkheid neemt, komen zaken niet bij de rechter’. Het is kritiek waarmee Kamerleden vaker om de oren werden geslagen, bijvoorbeeld in debatten in Nieuwspoort met vertegenwoordigers van politie, OM en strafrechters: ‘strafrecht is niet de oplossing voor alle maatschappelijke problemen’.noot 7 Het was wederom tegen dovemans oren gericht, die schreeuw om aandacht voor preventie, voor jeugdzorg, voor het keren van de kaalslag in de psychiatrie: de retoriek van repressie en criminaliteitsbestrijding kreeg in de politiek onverminderd de voorkeur. In de campagne voor de vroegtijdige nieuwe verkiezingen konden dergelijke geluiden vaak worden opgetekend en ook het belabberde verkiezingsprogramma van de uiteindelijk grootste partij stond er vol mee: veiligheid heeft topprioriteit en zerotolerancebeleid is daartoe de sleutel; meer politie en desnoods inzet van het leger, meer aanhoudingen en langere straffen; vervolgingsverplichting, minimumstraffen en hogere strafmaxima. Zo bezien staat de koekjesfabriek nog heel wat te wachten.
Criminaliteitsbestrijding is op zichzelf uiteraard een volstrekt legitiem doel van wetgeving en beleid. Er was vanuit het OM dan ook onverminderd aandacht voor de aanpak van ondermijnende- en georganiseerde criminaliteit. In het jaarbericht over 2022noot 8 lazen we dat ‘het OM er samen met anderen alles aan doet om de dreiging van de georganiseerde misdaad weg te nemen en de georganiseerde drugscriminaliteit te reduceren en beheersbaar te houden. Dat is een kwestie van lange adem, vasthoudendheid, voldoende menskracht, maar ook van een goed gevulde gereedschapskist.’ Dat dit een torenhoge ambitie is, bleek wel uit de problemen waarvoor de justitiële autoriteiten in de opsporing en vervolging onophoudelijk werden gesteld. De illusie dat enkel repressieve maatregelen het terugdringen van de criminaliteit zou bewerkstelligen, werd bijvoorbeeld al gelogenstraft bij de aanpak van de zogenoemde uithalersproblematiek in de havens van Rotterdam.noot 9 Die specifieke drugscriminaliteit werd niet minder door de zwaardere bestraffing, er kwamen niet minder uithalers beschikbaar en de criminaliteit loonde meer en verplaatste zich zelfs naar de binnenstad waarbij rivaliserende partijen elkaar met explosieven bestookten.
Die focus op criminaliteitsbestrijding vormde een bedreiging voor de legitimiteit van het strafvorderlijk optreden. De inzet van ingrijpende bijzondere opsporingsmethoden leidde niet altijd tot het beoogde resultaat, maar bracht wel degelijk gevaren met zich voor de opsporing en vervolging. Zo trok het ‘Werken Onder Dekmantel’ (WOD) een dusdanig sterke wissel op de psychische gesteldheid van sommige opsporingsambtenaren dat alle undercoveroperaties werden gestaakt en een nieuw WOD-stelsel moest worden uitgedacht. Vanuit de politieorganisatie kwam ook het dringende verzoek aan het OM om voorlopig geen nieuwe zaken met kroongetuigen aan te brengen, omdat de politie alles wat daarbij komt kijken – inzet, begeleiding en beveiliging – niet meer kon bolwerkennoot 10. Het verzoek volgde op de aankondiging van minister Yeşilgöz van Justitie de kroongetuigeregeling juist te willen uitbreiden en vaker in te willen zetten. Dat voornemen viel samen met het verschijnen van het vernietigende rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de missstanden in de beveiliging van betrokkenen rondom het Marengo-proces die leidden tot de moord op de broer van de kroongetuige, diens raadsman Derk Wiersum en vertrouwenspersoon Peter R. de Vries.noot 11 Het snoeiharde rapport beschreef onder andere een gebrek aan communicatie tussen de verschillende (regionale) diensten, een gebrek aan coördinatie en een onderschatting van de dreigingsrisico’s met als wrange constatering dat de nodige signalen dat er levens op het spel zouden staan, waren gemist of genegeerd. Met de bevindingen bekroop menigeen het gevoel dat alle drie de moorden wellicht te voorkomen waren geweest. Hoewel minister Yeşilgöz zich genoodzaakt zag haar excuses aan te bieden aan de nabestaanden, volharde zij in haar voornemen juist meer gebruik te willen maken van die kroongetuige. Ook scheidend voorzitter van het College van procureurs-generaal Van der Burg zei in een interview naar aanleiding van het onderzoeksrapport ‘stoïcijns door te willen gaan’ met de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en moest vervolgens ook zijn excuses aanbieden voor het gebruik van onjuiste woordennoot 12. Het werd in elk geval duidelijk dat de agenda van de nietsontziende criminaliteitsbestrijding ook een keerzijde kent.
De impact van die agenda en bijvoorbeeld het Marengo-proces op de strafrechtspleging bleek uit het onderzoek van Investico met als titel ‘Betonrot in de rechtsstaat’ noot 13. Het onderzoek wees uit dat werkelijk iedere beroepsgroep die in dat strafrechtelijk onderzoek betrokken is, de negatieve consequenties daarvan ervaart. Er wordt geschreven over naïviteit ten aanzien van de omvang, de impact en de veiligheidsrisico’s van het Marengo-proces, maar ook over het gevaar van de verdergaande polarisatie tussen het OM en de strafrechtadvocatuur. Dat Marengo en de processen die daaraan gelieerd zijn specifiek voor de advocatuur risico’s in zich droegen volgde ook uit de strafzaken tegen de voormalig advocaten (26Mandel en 26Palma) van de hoofdverdachte uit de Marengo-zaak. Beiden werden ervan verdacht het verlengstuk van de criminele organisatie te vormen door informatie uit de EBI naar buiten te smokkelen in het kader van de voortzetting van die criminele organisatie. De advocatuur kampte daarnaast met meer problemen in de zin van veiligheidsaangelegenheden. Uit onderzoek van I&O Researchnoot 14 in opdracht van de Nederlandse Orde van Advocaten bleek dat meer dan de helft van de advocaten te maken krijgt met agressie, zowel verbaal als fysiek, vaak door hun eigen cliënten. Strafrechtadvocaten horen tot de risicogroepen, zeker zij die in een relatief kleine kantoorsetting opereren. Bovenop deze veiligheidsproblematiek speelde dan ook nog eens de onderfinanciering van de sociale advocatuur en de bedreiging van het verschoningsrecht door structurele schending daarvan door het Openbaar Ministerie (ECLI:
Het is al met al een weinig rooskleurige schets van de staat van de strafrechtspleging en de verhoudingen tussen de betrokken procesdeelnemers. Helaas is dit geen nieuwe ontwikkeling, maar lijken de werkdruk, de (veiligheids)risico’s en capaciteitsproblemen ieder jaar verder toe te nemen. Laten we hopen dat een volgende kroniek breekt met de hierboven geschetste traditie.
Formeel strafrecht
Procesafspraken
In 2023 is het aantal zaken dat is afgedaan aan de hand van vooraf gemaakte procesafspraken tussen het OM en de verdediging enorm gegroeid. Een belangrijke ontwikkeling is dat het College van procureurs-generaal eindelijk de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken publiceerde. Deze aanwijzing volgde op het arrest van de Hoge Raad (ECLI:
Onderzoeker Laura Peters van de Rijksuniversiteit Groningen volgt de ontwikkelingen rondom procesafspraken al jarenlang op de voet. Zo noteerde zij in september 2023 de honderdste strafzaak waarin het maken van procesafspraken leidde tot een vonnis conform die afspraken. In dat overzicht viel in elk geval één vonnis op van de rechtbank Overijssel waarin de procesafspraken weliswaar waren ‘gevolgd’, maar de rechtbank zowel kwam tot een aantal vrijspraken waarover tussen OM en verdediging consensus had bestaan voor wat betreft de veroordeling, als tot een hogere strafoplegging dan was afgesproken in de overeenkomst (ECLI:
Getuigen na Keskin
Het Keskin-arrest zorgde vanaf 2021 voor een belangrijke wijziging in de jurisprudentie over het mogen horen van getuigen die belastend hebben verklaardnoot 15. Voor het ondervragingsrecht van die getuigen à charge gold voortaan dat het belang om die getuigen te mogen horen werd voorondersteld. Datzelfde jaar nog kwam de Hoge Raad met enkele richtinggevende arresten waarin de eisen aan getuigenverzoeken werden bijgesteldnoot 16. Ook in 2023 werden er enkele van die post-Keskin-arresten gewezen.
Allereerst kort aandacht voor ECLI:
Overigens is ook na Keskin een rechter niet gehouden elk verzoek tot het horen van belastende getuigen toe te wijzen. Verzoeken tot het mogen horen van belastende getuigen die voor de bewijsvoering van geen enkel belang zullen zijn of geen toegevoegde waarde zullen hebben, mag een rechter nog steeds afwijzen. De onderbouwing van dat ontbrekende belang moet dan wel begrijpelijk zijn. In ECLI:
Een ander punt van discussie kan zijn of een getuige een belastende getuige is waarbij het belang om die getuige te mogen horen moet worden voorondersteld. Een voorbeeld van een zaak waarin de vraag aan de orde was of dat belang er voor de verdachte ook daadwerkelijk was, vinden we in ECLI:
Een andere uitspraak waarin de verklaring van een niet-gehoorde (want onvindbare) getuige toch mocht worden gebruikt was ECLI:
In ECLI:
Eenzelfde situatie deed zich voor in ECLI:

Als een getuige is overleden, wil dat niet per se zeggen dat diens verklaring niet meer gebruikt mag worden voor het bewijs. Dat speelde in ECLI:
Die toets aan artikel 6 EVRM was ook aan de orde in ECLI:
Ook een goede onderbouwing blijft belangrijk. In ECLI:
Van groot belang voor het toegewezen krijgen van getuigenverzoeken, ook als het om belastende getuigen gaat, is dat de verdediging daartoe het nodige initiatief neemt. In ECLI:
Omgekeerd, dus in de regiefase geen verzoeken indienen, dat schriftelijk bevestigen en daar pas later na een kritische ondervraging tijdens de inhoudelijke behandeling op terugkomen, kan ook leiden tot afwijzing van verzoeken, althans bij het gerechtshof in Amsterdam in een uitvoerig gemotiveerde beslissing (ECLI:
Beslag
Op 31 januari 2023 wees de Hoge Raad twee gelijkluidende arresten over het beoordelingskader bij beklag tegen (het voortduren van) een beslag (ECLI:
Op enkele andere onderdelen kwam de Hoge Raad wel tot bijstelling. Dit gold allereerst voor de beoordeling of het voortduren van het beslag in overeenstemming was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (ECLI:
Een andere bijstelling door de Hoge Raad zag op de mogelijkheden voor het doen van hernieuwd beklag als een eerdere beklagprocedure niet heeft geleid tot teruggave. Voor ontvankelijkheid bij een dergelijk hernieuwd beklag is van belang dat een beroep wordt gedaan op andere feiten of omstandigheden dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd en die van zodanige aard zijn dat zij nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoek tot teruggave. Daarbij is niet vereist dat deze ‘nieuwe’ feiten en omstandigheden zich pas na de behandeling van het eerdere klaagschrift hebben voorgedaan of bekend zijn geworden. De Hoge Raad bepaalde vervolgens dat van dergelijke andere feiten en omstandigheden doorgaans sprake zal zijn als een klager in een hernieuwd beklag, (mede) met een beroep op het forse tijdsverloop sinds de beslissing op het eerdere klaagschrift, uiteenzet waarom voortzetting van het beslag niet langer in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Cassatie
Op 24 januari 2023 wees de Hoge Raad een arrest in een zaak waarin een beroep werd gedaan op de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité van 26 juli 2022 in de zaak-Jaddoe tegen Nederland (ECLI:
In de zaak-Jaddoe was sprake van een veroordeling in hoger beroep na een vrijspraak in eerste aanleg, waarna de Hoge Raad het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 eerste lid RO verwierp. Het VN-Mensenrechtencomité nam vervolgens een schending van artikel 14 vijfde lid IVBPR aan. Uit dit artikellid volgt dat eenieder na een veroordeling wegens een strafbaar feit het recht heeft deze veroordeling opnieuw te laten beoordelen door een hogere rechter. Bij het oordeel dat sprake was van een schending werd betrokken dat de Hoge Raad bij de verwerping van het cassatieberoep gebruik had gemaakt van de verkorte motivering op grond van artikel 81 eerste lid RO.noot 19
In de zaak die voorafging aan het arrest van 24 januari 2023 klaagde de verdediging dat het hof – met de veroordeling in hoger beroep na een vrijspraak in eerste aanleg – ook een situatie creëerde die in strijd was met artikel 14 vijfde lid IVBPR.
A-G Bleichrodt zag in de zienswijze geen reden om de cassatiepraktijk aan te passen, maar gaf de Hoge Raad wel in overweging om in zaken waarin de verdachte in hoger beroep voor het eerst wordt veroordeeld niet langer te volstaan met een verkorte afdoening.noot 20 Wel kon de Hoge Raad in zijn motivering volstaan met verwijzing naar (specifieke delen van) de conclusie. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest allereerst dat hij de zienswijze zo begreep dat de cassatieprocedure in Nederland als zodanig voldeed aan de eisen zoals die voortvloeien uit artikel 14 vijfde lid IVBPR, maar dat de aangenomen schending zag op de in die situatie gebruikte verkorte motivering. Vervolgens besteedde de Hoge Raad aandacht aan zijn wettelijke taak als cassatierechter en oordeelde dat de controle van de bewijsvoering, naast het oordeel of sprake is van wettig bewijs, ook inhield dat de bewezenverklaring kon worden afgeleid uit de door de feitenrechter gebruikte bewijsmiddelen. Daarbij kon de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard op basis van de gebezigde bewijsmiddelen voldoende begrijpelijk waren. Bovendien kon de Hoge Raad beoordelen of de feitenrechter toereikend had gereageerd op door of namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijke standpunten over de bewijsbeslissing.
De Hoge Raad zette vervolgens uiteen dat artikel 80a RO de mogelijkheid bood om een cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigden omdat deze duidelijk kansloos zijn. Artikel 81 RO biedt bij een ontvankelijk cassatieberoep vervolgens de mogelijkheid het cassatieberoep te verwerpen met toepassing van een verkorte motivering. Beide bepalingen hebben als doel om de werklast van de Hoge Raad beheersbaar te houden zodat de Hoge Raad kan focussen op zijn kerntaken als cassatierechter. De Hoge Raad overwoog vervolgens dat de inhoudelijke beoordeling bij toepassing van artikel 80a of 81 eerste lid RO niet anders is dan wanneer daaraan geen toepassing wordt gegeven. Anders dan in de zienswijze tot uitgangspunt lijkt te worden genomen, vindt in de cassatieprocedure dus ook in gevallen waarin een verkorte motivering wordt toegepast, een inhoudelijke beoordeling plaats van zowel de juridische als de feitelijke gronden van een schuldigverklaring en veroordeling. Desalniettemin vond de Hoge Raad in de zienswijze aanleiding om in zaken waarin in hoger beroep een veroordeling was gevolgd na een vrijspraak in eerste aanleg en in cassatie tevergeefs wordt geklaagd over de bewijsvoering, het cassatieberoep vaker af te doen met een meer op de concrete zaak toegesneden motivering. In vergelijkbare gevallen nadien verwees de Hoge Raad in zijn motivering dan ook vaker naar (onderdelen van) de conclusie (ECLI:
Opsporingsbevoegdheden: Werken Onder Dekmantel
Waar in 2022 op het gebied van bijzondere opsporingsbevoegdheden de criminele burgerinfiltrant zijn herintrede maakte en het gerechtshof Den Haag oordeelde dat de door inzet van de Mr. Big-methode verkregen bekennende verklaring niet voor het bewijs kon worden gebruikt, was het in 2023 iets rustiger op het gebied van de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Twee uitspraken over de inzet van een Werken Onder Dekmantel (WOD)-traject verdienen de aandacht. Het gerechtshof Den Bosch oordeelde op 2 maart van dit jaar over een WOD-traject en meer specifiek over de vraag of in die zaak de zogenoemde ‘Mr. Big-methode’ werd gehanteerd (ECLI:

De inzet van een WOD-traject speelde ook een belangrijke rol in een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 26 april 2023 (ECLI:
Interessant in dit verband is tot slot het in september 2023 gepubliceerde onderzoek van de commissie Waarborgen Werken Onder Dekmantel (Waarborgen voor Heimelijk Werknoot 22). De commissie noteerde – onder andere – dat voor de doorontwikkeling van het heimelijk domein een duidelijke visie en stevig leiderschap vereist is, alsmede een sterkere regie door het OM. Geconcludeerd werd tot slot dat de vereiste waarborgen vragen om structurele investeringen in rechercheopleidingen.
Vormverzuimen
Het door de Hoge Raad gewezen overzichtsarrest met betrekking tot vormverzuimen van 1 december 2020 (ECLI:
Op 12 september 2023 (ECLI:
De Hoge Raad heeft, in aanvulling op het eerdergenoemde arrest uit 2020, een nader kader geschetst voor het verbinden van rechtsgevolgen aan het onrechtmatig handelen jegens de verdachte door een andere persoon dan een opsporingsambtenaar. Hierbij gelden twee vereisten. Allereerst dienen de resultaten van de onrechtmatige handeling te zijn gebruikt bij het opsporingsonderzoek naar en/of (verdere) vervolging van de verdachte voor het ten laste gelegde feit. Ten tweede dienen de resultaten van bepalende invloed te zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en/of vervolging voor het ten laste gelegde feit.
Bij de beoordeling van de vraag welk rechtsgevolg aan het onrechtmatig handelen dient te worden verbonden, wordt aangesloten bij de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren, tezamen met het subsidiariteitsvereiste. Bewijsuitsluiting is mogelijk in twee gevallen. Ten eerste in het geval dat artikel 6 EVRM in het geding dreigt te komen. Ten tweede als bij het gebruik van de resultaten een ander belangrijk rechtsbeginsel of strafvorderlijk voorschrift is geschonden en tegelijkertijd een opsporingsambtenaar direct of indirect betrokken is geweest bij de onrechtmatige handeling(en) in kwestie. Deze betrokkenheid kan bestaan uit de initiëring of de facilitering van de handelingen, waarin mede is begrepen dat een opsporingsambtenaar het onrechtmatige gedrag van de persoon in kwestie welbewust heeft laten begaan of voortduren.
Artikel 359a Sv: de EncroChat-finale
Toevalligerwijs sluit dit arrest goed aan bij een ander belangrijk arrest dat de Hoge Raad wees op 13 juni 2023 (ECLI:
Uit de onderzoeken 26Lemont en 26Argus was al gebleken dat sprake was van technische betrokkenheid van Nederlandse opsporingsambtenaren bij de ontwikkeling en plaatsing van een Franse interceptietool. Met die tool waren in Frankrijk data van de servers van EncroChat en SkyECC verzameld. De afgelopen jaren werd door de verdediging in tal van zaken steevast betoogd dat Nederland een grotere rol had gehad bij de ontwikkeling en inzet van de tool dan eerder door het OM werd beweerd. Dat zou volgens de raadslieden tot gevolg moeten hebben dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel niet in de weg stond aan verzoeken van Nederlandse advocaten tot nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de inzet van deze interceptietool. Na jaren van onzekerheid en een gebrek aan uniformiteit kwam op 13 juni 2023 de langverwachte uitspraak van de Hoge Raad aangaande dit onderwerp.
Een kort uitstapje: de prejudiciële procedure in strafzaken
Allereerst ging de Hoge Raad in op de relatief nieuwe procedure tot het stellen van prejudiciële vragen. De mogelijkheid tot het stellen is sinds oktober 2022 van kracht. Het wettelijk kader wordt gevormd door de artikelen 553, 554 en 555 van het Wetboek van Strafvordering. Een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet het antwoord nodig zijn om een beslissing te kunnen nemen, moet het gaan om een vraag die speelt in een procedure die is voorzien in het Wetboek van Strafvordering en moet de vraag een zaak overstijgend belang hebben. De feitenrechter dient dit alles te motiveren.
Procespartijen hebben wel inspraak in de procedure. Zij mogen een standpunt in nemen over het voornemen tot het stellen van de vraag èn over de inhoud van die vraag. Met deze procedure heeft de wetgever voor ogen dat er niet langer gewacht hoeft te worden op de cassatiefase om antwoord te krijgen op complexe rechtsvragen en dat tegenstrijdige uitspraken van feitenrechters worden voorkómen. Als aan de vereisten is voldaan, neemt de procureur-generaal een conclusie. Vervolgens beantwoordt de Hoge Raad de vraag en informeert hij de feitenrechter en de procespartijen. De feitenrechter beslist dan – na het horen van de partijen – met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.
De kernvraag: onder wiens verantwoordelijkheid?

In het arrest heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat op basis van artikel 359a Sv in principe enkel een rechtsgevolg aan een vormverzuim kan worden verbonden indien de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de opsporingshandelingen in het buitenland bij de Nederlandse autoriteiten ligt. Het gaat hierbij om twee mogelijke situaties. Allereerst in het geval dat onder gezag van de Nederlandse officier van justitie in het buitenland overeenkomstig artikel 539a Sv door Nederlandse opsporingsambtenaren toepassing wordt gegeven aan de hun bij de Nederlandse wet toegekende opsporingsbevoegdheden. Deze situatie doet zich in ieder geval niet voor in het geval dat een Nederlandse opsporingsambtenaar slechts betrokken is bij de uitvoering van een opsporingsbevoegdheid, terwijl buitenlands recht van toepassing is en er wordt gehandeld onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten. De tweede mogelijkheid ziet op de situatie waarbij er tussen Nederlandse en buitenlandse autoriteiten een zodanig nauwe samenwerking bij de opsporing bestaat, dat het gezag daarover feitelijk volledig of in overwegende mate toekomt aan de Nederlandse officier van justitie. De enkele aanwezigheid van Nederlandse opsporingsambtenaren bij de uitvoering van een onderzoekshandeling door een buitenlandse autoriteit of technische assistentie verleend door Nederlandse opsporingsambtenaren, valt hier niet onder.
Uit het voorgaande volgt dat de kernvraag is op basis van welke opsporingsbevoegdheden (Nederlandse of buitenlandse) en onder wiens gezag de opsporingshandelingen in het buitenland zijn verricht.
De algemene stelling dat artikel 359a Sv alleen van toepassing is in de hiervoor genoemde twee gevallen is niet zonder uitzondering. Zoals reeds eerder in de jurisprudentie bepaald (zo ook in het eerdergenoemde arrest van 12 september 2023), kan het onder bepaalde omstandigheden zo zijn dat een rechtsgevolg wordt verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan een opsporingsambtenaar. Hierbij geldt het eerdergenoemde criterium dat de onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de verdere vervolging van de verdachte voor het ten laste gelegde feit.
Beoordelingsruimte van de Nederlandse rechter
In het EncroChat-arrest heeft de Hoge Raad echter stellig bepaald dat de beoordelingsruimte van de Nederlandse rechter, waar het gaat om de verkrijging van onderzoeksresultaten onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten, zeer beperkt is. Deze ruimte is vervolgens afhankelijk van het rechtsinstrument op basis waarvan het bewijs in kwestie is overgedragen aan Nederland. Deze overdracht kan plaatsvinden op basis van klassieke rechtshulp, een Europees Onderzoeksbevel (EOB) of in het kader van een Joint Investigation Team (JIT).
Bij alle drie de instrumenten dient de Nederlandse rechter ervan uit te gaan dat het onderzoek in het buitenland rechtmatig is verricht. De enige uitzondering hierop is wanneer in dat land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek in kwestie niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels heeft plaatsgevonden. Alleen in dat geval kan een beroep worden gedaan op artikel 359a Sv, waarbij de Nederlandse strafrechter aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde factoren dient te beoordelen of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim.
Artikel 359a Sv zal derhalve enkel een rol spelen indien in het land waarin de onderzoeksresultaten zijn verkregen reeds een oordeel is geveld over de onrechtmatigheid van de verkrijging. Desondanks is het nog wel mogelijk om verweer te voeren op basis van de onrechtmatigheid van de uitvaardiging van het verzoek om rechtshulp of het EOB. Dit kan namelijk niet in het buitenland worden getoetst. Met betrekking tot het verzoek om rechtshulp achtte de Hoge Raad tevens van belang te vermelden dat rechtshulp doorgaans plaatsvindt door en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten, maar dat het ook zo afgesproken kan zijn dat Nederland deze verantwoordelijkheid draagt. In dat geval kan er wel een volle toetsing in het kader van artikel 359a Sv plaatsvinden.
Kort en goed: in het geval dat er onrechtmatig onderzoek is verricht in het buitenland zijn er flink wat hobbels te nemen voordat de onrechtmatigheden een rechtsgevolg als bedoeld in artikel 359a Sv kunnen dragen. Allereerst speelt de vraag op basis van welk recht en onder wiens gezag het onderzoek heeft plaatsgevonden. Betreft dit het buitenland, dan valt het onderzoek in principe niet onder artikel 359a Sv. De uitzondering hierop is indien de resultaten van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en/of vervolging van de verdachte voor het ten laste gelegde feit. Als hiervan sprake is, kan de Nederlandse strafrechter vervolgens enkel toepassing geven aan artikel 359a Sv als in het buitenland onherroepelijk is komen vast te staan dat de resultaten onrechtmatig zijn verkregen. Het behoeft geen betoog dat de lat dus enorm hoog ligt voor nader onderzoek naar de rechtmatigheid van opsporingsmiddelen bij het verkrijgen van onderzoeksresultaten via Europese internationale rechtshulp.
Wraking
Ook in dit kroniekjaar werden de meeste wrakingsverzoeken afgewezen. We lichten er een paar beslissingen uit. In ECLI:
Een griffier kan niet worden gewraakt, het verzoek daartoe werd niet-ontvankelijk verklaard (ECLI:
Beslissingen die zien op de orde ter zitting leiden evenmin tot een geslaagde wraking. Zo gaf in ECLI:
Gelukkig hebben rechters ook recht op een privémening en mogen zij die uiten. In ECLI:
Bijzonder hard ging het er aan toe in de wrakingsprocedure waarin de raadsman (in de toelichting op zijn wrakingverzoek) betrok dat volgens hem rechters en officieren van justitie op dezelfde wijze de rechtbank en een rechtszaal binnenkomen, dat zij samen lunchen in de kantine, van dezelfde parkeergarage en dienstingang gebruikmaken en samen borrels en feestjes zouden hebben (ECLI:

In een aantal zaken kwam de wrakingskamer wel tot het oordeel dat sprake was van (tenminste de schijn van) vooringenomenheid. Zo leidde in ECLI:
Aanwezigheidsrecht en aanhoudingsverzoeken
Op de voet van artikel 279 Sv kan door de verdachte zelf of diens raadsman – ook een gemachtigd raadsman – worden verzocht het onderzoek ter terechtzitting aan te houden. Ook de raadsman die niet gemachtigd is door de verdachte – die niet ter zitting is verschenen – kan verzoeken om het onderzoek ter terechtzitting aan te houden, ter effectuering van het aanwezigheidsrecht. Een verzoek tot aanhouding kan ook worden ingezet om alsnog de in artikel 279 Sv lid 1 bedoelde machtiging te krijgen. Er wordt pas beslist op een verzoek om aanhouding nadat het Openbaar Ministerie hierover is gehoord.
Voor de verdediging is het zaak om de omstandigheid die aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag ligt concreet te maken. Blijft dit achterwege, dan kan de rechter het verzoek om die reden afwijzen. Het is echter niet telkens zo dat de rechter enkel op grond van de vaststelling dat een gestelde omstandigheid onvoldoende onaannemelijk is gemaakt het verzoek kan afwijzen. In zo’n geval dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen.

De Hoge Raad toetst streng. Dit bleek ook weer uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 6 december 2022 waarin de HR haar relevante overwegingen uit RvdW 2021/27 nog maar eens herhaalde als het gaat om het beoordelen van een aanhoudingsverzoek en de daaraan te leggen maatstaven (ECLI:
In Hoge Raad d.d. 10 januari 2023 (ECLI:
In het arrest van 28 maart 2023 (ECLI:
Ook een niet-gemachtigd raadsman kan ter zitting een aanhoudingsverzoek doen (ECLI:
Ter vergelijking een ander arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2023 (ECLI:
Mediation in strafzaken
Sinds 1 oktober 2022 loopt een pilot waarbij de rechtbanken Zeeland-West-Brabant, Gelderland en Overijssel de mogelijkheid hebben om een zaak naar mediation te verwijzen. Bij een geslaagde mediation kan de rechter zonder inhoudelijk vonnis de zaak beëindigen met een ‘eindezaaksverklaring’ (artikel 572 Sv, nieuw van de Innovatiewet Strafvordering). De rechter kan, na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, onderzoeken of de zaak in aanmerking komt voor mediation. Als dat het geval is, wordt het onderzoek geschorst op grond van artikel 281 Sv. Daarbij wordt een termijn bepaald waarbinnen mediation wordt beproefd. Bij hervatting van het onderzoek onderzoekt de rechter vervolgens de uitkomst van de mediation. De rechter kan bij een positieve uitkomst beslissen dat de zaak is geëindigd (eindezaaksverklaring) omdat de zaak dan zonder verdere inhoudelijke behandeling kan worden geëindigd. De officier van justitie kan zich wel tegen deze beëindiging verzetten en ook de advocaat kan verzoeken om voortzetting van het onderzoek. Daarbij kan de rechter ook voorwaarden verbinden aan de eindezaaksverklaring.
Op dit moment bevordert de rechtbank Zeeland-West-Brabant vooral mediaton in verkeerszaken met ernstige afloop. De rechtbanken Gelderland en Overijssel beproeven mediation in jeugd- en adolescentenzaken. De eerste uitspraak in het kader van de pilot kwam van de rechtbank Overijssel (ECLI:
Ook de rechtbank Zeeland-West-Brabant gebruikte deze bevoegdheid. De verdachte stond terecht voor het aan schuld te wijten veroorzaken van een verkeersongeval waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel had opgelopen (artikel 6 WVW) dan wel het veroorzaken van gevaar op de weg (artikel 5 WVW). De mediation was voor zowel het slachtoffer als de verdachte positief, waardoor de zaak inhoudelijk kon worden beëindigd. Het was niet nodig hieraan voorwaarden te verbinden omdat dat afbreuk zou doen aan hetgeen beide partijen zelf al waren overeengekomen (ECLI:
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigde een beslissing van de rechtbank Overijssel waar de eindezaaksverklaring was toegepast omdat de officier van justitie voortzetting van het onderzoek had verzocht. Volgens het hof was het bij zo’n vordering niet meer mogelijk om de zaak met een eindezaaksverklaring te beëindigen (ECLI:
Tevens is nog van belang een uitspraak van de rechtbank Gelderland waar de verdachte terechtstond voor een diefstal met geweld. De mediation werd positief beëindigd waarbij het slachtoffer had aangegeven dat het voor hem daarmee klaar was. Tegelijkertijd vonden er positieve veranderingen plaats in het leven van de verdachte. De kinderrechter overwoog dat zij het zeer waardevol vond hoe beide partijen met elkaar in gesprek waren gegaan en paste de eindezaaksverklaring toe (ECLI:
De eindezaaksverklaring beoogt het herstelrecht te stimuleren en de rechter een mogelijkheid te geven om de zaak alsnog te beëindigen als het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen. Tegelijkertijd moet niet worden vergeten dat ook in een vroeg stadium al door de verdediging mediation kan worden voorgesteld, om op die manier te voorkomen dat de verdachte wordt gedagvaard. Na twee jaar wordt een eerste evaluatie van de pilot uitgevoerd, na drie jaar vervalt de Innovatiewet. Uiteindelijk kan een positieve afronding van de pilot leiden tot een wetswijziging.

Materieel strafrecht
Medeplegen
Medeplegen bij een zwijgende verdachte dan wel een verdachte met ongeloofwaardige verklaring
De Hoge Raad liet zich ook dit jaar weer uit over de vraag in hoeverre het uitblijven van een (geloofwaardige) verklaring kan bijdragen aan het bewijs dat sprake is van medeplegen (ECLI:
Ook dit arrest laat (weer) zien waar de grens ligt bij het veroordelen voor medeplegen bij een zwijgende verdachte of een verdachte die een ongeloofwaardige verklaring aflegt. De Hoge Raad besteedde daarbij aandacht aan arresten waar het uitblijven van een aannemelijke verklaring van belang kan zijn voor het bewijzen van medeplegen. In twee andere scenario’s is dit mogelijk het geval. Ten eerste als wel kan worden vastgesteld dat meerdere personen een diefstal begaan, maar niet precies duidelijk is wie wat heeft gedaan en tegelijkertijd de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid daarbij duiden (ECLI:

In het arrest van 30 mei 2023 was van geen van die twee scenario’s sprake, omdat deze feiten en omstandigheden wezen op het op de uitkijk staan en dus eerder op medeplichtigheid. De A-G vergeleek daarbij in de conclusie de verschillende jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt en destilleerde op basis daarvan een aantal omstandigheden die kunnen bijdragen aan het bewijs dat sprake is van medeplegen. Denk aan het delen in de buit, een gezamenlijk plan, het inbrengen van de vluchtauto, het tinten van ruiten, samen naar woning lopen enzovoort.
Uit de jurisprudentie van de afgelopen jaren van de Hoge Raad volgt dat feitenrechters in sommige gevallen onterecht het feit dat de verdachte zwijgt of een ongeloofwaardige verklaring aflegt als bewijsmiddel hebben gebruikt. Dit kan enkel in de gevallen die de Hoge Raad schetst, bijvoorbeeld omdat geen contra-indicaties voor medeplichtigheid aanwezig zijn.
Wetenschap geweldscomponent medeverdachte
In strafzaken waar medeplegen werd aangenomen, werd veelal overwogen dat de verdachte ook wetenschap moet hebben gehad van de geweldscomponent gepleegd door de medeverdachte. De Hoge Raad overwoog op 20 september 2022 (ECLI:
Dit jaar is nog geen nieuwe uitspraak gepubliceerd in die zaak. Wel zijn twee andere noemenswaardige uitspraken gedaan op dit gebied. Het hof Arnhem-Leeuwarden overwoog op 12 januari 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:245) dat hoewel het in de nacht rammen van een gevel een gewelddadig karakter heeft en alle vier de betrokkenen zich daar schuldig aan hadden gemaakt, het specifieke geweld van de bestuurder tegen de aangever zich los van het rammen van die gevel had voorgedaan. Het hof had op basis van deze omstandigheden geen aanleiding om aan te nemen dat op voorhand was afgesproken om geweld tegen personen te gebruiken. Ook kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de bestuurder van de auto was en hij daarmee als pleger de geweldshandelingen had verricht. Om die reden werd de verdachte vrijgesproken van de strafverzwarende geweldscomponent.

Het hof Arnhem-Leeuwarden overwoog op 4 april 2023 (ECLI:
Criminele organisatie
Bestrijding van de georganiseerde misdaad blijft een politiek speerpunt. Parasolbepaling van dienst is de strafbare deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr): wie eronder valt, ziet langere tijd de zon niet schijnen. Het kabinet onderzoekt of het bereik van artikel 140 Sr moet worden verruimd naar Italiaans anti-maffia-modelnoot 23. Dit mede om handlangers, zogenaamde ‘facilitators’ beter te kunnen aanpakken.
In april werd op basis van die verdenking de advocaat van de hoofdverdachte in het slepende liquidatieproces Marengo aangehouden. Zij zou bijstand hebben verleend aan de criminele organisatie van haar cliënt. Marengo liep verdere vertraging op; het vonnis van de rechtbank wordt in februari 2024 verwacht. In het daaraan gelieerde proces over de moord op Peter R. de Vries is de verdenking uitgebreid tot deelname met een terroristisch oogmerk (artikel 140a Sr)noot 24. Zou de terroristische component bewezen worden verklaard, dan zal naar verwachting ook deze variant vaker worden ingezet in de strijd tegen de georganiseerde misdaad.
In een ‘klassieke’ terrorismezaak casseerde de Hoge Raad een arrest van het gerechtshof Den Haag (ECLI:
Strafuitsluitingsgronden
Noodweer(exces)
Ook in het jaar 2023 is het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 22 maart 2016 (ECLI:
Van noodweerexces is sprake indien de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk onmiddellijk gevolg sprake is geweest, komt betekenis toe aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Het hof verwierp het beroep van de verdachte omdat niet aannemelijk was geworden dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging door de verdachte het onmiddellijke gevolg was van een door de wederrechtelijke aanranding van de verdachte door aangever veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.
De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. Bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Het hof was volgens de Hoge Raad uitgegaan van geweldshandelingen over en weer. Op enig moment was een situatie ontstaan waarin de verdachte zich moest verdedigen tegen de wederrechtelijke aanranding. Deze twee vaststellingen zijn volgens de Hoge Raad niet voldoende nauwkeurig en consistent, mede in het licht van de door het hof aangenomen ‘betrouwbare verklaring’ van de getuige die had verklaard dat aangever zelf ‘meteen’ begon met het geweld tegen verdachte. ‘Tegen de achtergrond van het door verdachte gebezigde geweld (…) onvoldoende inkleuring [heeft] gegeven aan de door hem gevoelde emoties’ waarbij die inkleuring ‘in elk geval onvoldoende [is] om de hevigheid van de gemoedsbeweging die werd ingegeven door deze specifieke situatie te kunnen duiden’ acht de Hoge Raad het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. Ook in dat verband ontbreken voldoende nauwkeurige vaststellingen, in het bijzonder met betrekking tot ‘deze specifieke situatie’. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof en wees de zaak terug.
In een arrest van de Hoge Raad van 18 april 2023 (ECLI:

In 2023 is aan de zaak van Thijs H. veel aandacht besteed. Thijs H. werd ervan verdacht dat hij op twee verschillende dagen drie mensen met messteken om het leven heeft gebracht. Hij bekende de feiten te hebben gepleegd, maar verklaarde vanuit een psychose te hebben gehandeld. De advocaten van Thijs H. hebben om die reden verzocht hem volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Het hof oordeelde anders. Aan Thijs H. werden de strafbare feiten in verminderde mate toegerekend. Hij kon volgens het hof voor, tijdens en na de strafbare feiten ‘de strekking, de wettelijke en morele ongeoorloofdheid en de context van zijn gedragingen’ in ieder geval tot op zekere hoogte begrijpen en was ook in staat overeenkomstig zijn wil te vormen. Zo heeft de verdachte bij het begaan van de feiten telkens keuzes gemaakt over de persoon van het beoogde slachtoffer en het moment van handelen. Aan hem werd een gevangenisstraf van 22 jaar en tbs met dwangverpleging opgelegd. Over de uitspraak van het hof is een uitgebreide conclusie geschreven door procureur-generaal (hierna: P-G) Bleichrodt. Voordat ingegaan wordt op de conclusie van de P-G en het arrest van de Hoge Raad eerst een aantal belangrijke vaststellingen. Over Thijs H. zijn in totaal drie verschillende rapportages door in totaal zes verschillende deskundigen opgesteld. In twee rapportages is geadviseerd Thijs H. volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren in verband met een psychotische stoornis, waarbij opgemerkt kan worden dat de medische diagnose niet helemaal overeenkomt. In de derde rapportage geven de deskundigen geen advies omdat zij onvoldoende inzicht hebben gekregen in de belevingswereld van Thijs H. Het hof oordeelde dat op basis van deze rapportages en de verklaring van Thijs H. zelf kan worden geoordeeld dat de gedragingen in direct verband stonden met een psychotische stoornis, maar dat hij ondanks deze stoornis in enige mate zelf in staat was zelf een afweging te maken en daarnaar te handelen. Het hof verklaarde Thijs H. verminderd ontoerekeningsvatbaar en ging daarmee voorbij aan in ieder geval twee adviezen van deskundigen. De verdediging heeft in cassatie onder meer geklaagd dat het hof bij de beoordeling van de toerekenbaarheid ten onrechte geen vaststellingen heeft gedaan over de aard van de stoornis en de doorwerking daarvan tijdens de drie gepleegde moorden.

De P-G ging in zijn conclusie van 20 juni 2023 (ECLI:
Opiumwet
Per 1 januari 2023 is lachgas toegevoegd aan lijst II van de Opiumwet.noot 25 Sindsdien is het onder andere verboden om lachgas in of uit Nederland te voeren, te verhandelen of voorhanden te hebben. De eerste uitspraak over het voorhanden hebben van lachgas komt van de rechtbank Amsterdam (ECLI:

Ook de OM-richtlijnen zijn aangepast. Het voorhanden hebben van één ampul of ballon wordt gezien als gebruikershoeveelheid en het doen van afstand is daarbij voldoende. Daarna lopen de eisen op met als maximum een taakstraf van 160 uur en een maand voorwaardelijke gevangenisstraf bij een hoeveelheid vanaf veertig kilogram. Voor recidive binnen vijf jaar is dat een taakstraf van 240 uren en twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf. Recidive binnen twee jaar kan een eis verwachten van vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.noot 26
Nieuwe wetgeving en wetsvoorstellen
Strafmaximum doodslag
De Eerste Kamer stemde op 21 februari 2023 in met het wetsvoorstel om de maximale gevangenisstraf voor doodslag te verhogen van vijftien naar 25 jaar. Op 1 juli 2023 is de wet in werking getreden.noot 27 Reden voor ministers Dekker en Grapperhaus om deze verhoging voor te stellen, was het verkleinen van het zogenaamde ‘strafgat’ tussen de strafmaxima van doodslag en moord.noot 28 De maximale gevangenisstraf voor moord is in 2006 verhoogd van twintig naar dertig jaar, waardoor het verschil tussen de strafbedreigingen van moord en doodslag op vijftien jaar is komen te staan.noot 29 Een van de argumenten van de toenmalige ministers was dat signalen uit de praktijk indiceren dat de maximale gevangenisstraf voor doodslag in sommige – zeer ernstige – gevallen als knellend werd ervaren. Daarbij werd gesteld dat de rechters gemiddeld zwaarder zijn gaan straffen in de periode van 2012 tot 2018.noot 30
Tussen moord en doodslag bestaat niet alleen in strafbedreiging, maar ook inhoudelijk een groot verschil. In 2012 heeft de Hoge Raad de bewijslat voor voorbedachte raad verhoogd.noot 31 Met dit arrest moeten rechters bij een bewezenverklaring van het delict moord – kort gezegd – motiveren dat verdachten niet alleen gelegenheid hebben gehad tot kalm en rustig beraad van hun voorgenomen daad, maar daar ook daadwerkelijk gebruik van hebben gemaakt en zich daar rekenschap van hebben gegeven. Daarbij kunnen contra-indicaties aan de vaststelling van voorbedachte raad in de weg staan.
Te bezien valt of de noodzakelijkheid tot het verhogen van de maximum gevangenisstraf naar 25 jaar wel bestond. In ECLI:
Strafbaarstelling van het bezit van instructief materiaal over het seksueel misbruiken van kinderen
Vanaf 1 juli 2023 is het reeds verboden in bezit te zijn van materiaal waarin instructies staan voor het seksueel misbruiken van kinderen. Het Wetboek van Strafrecht wordt verruimd met een nieuwe strafbepaling die voorbereidingshandelingen met het oog op seksueel kindermisbruik zelfstandig strafbaar stelt. Met deze strafbaarstelling wordt het verspreiden, verwerven of in bezit hebben van een handleiding met tips en trucs voor het seksueel misbruiken van kinderen verboden. Doel van het wetsvoorstel is om in een vroeger stadium te kunnen optreden tegen potentiële kindermisbruikers.
Het circuleren en kennisnemen van instructief materiaal over het seksueel misbruiken van kinderen is een zeer ernstig en wereldwijd fenomeen en valt onder de meest verwoestende vorm van criminaliteit aldus de Memorie van Toelichting. Het benaderen van kinderen voor seksuele doeleinden is in bepaalde gevallen reeds strafbaar gesteld, zoals grooming van minderjarigen. In aanvulling daarop wordt nu het treffen van voorbereidingshandelingen zelfstandig strafbaar gesteld. Daarmee is deze gedraging strafbaar, zonder dat het seksuele misbruik zelf hoeft te hebben plaatsgevonden. Onder de huidige regeling was het niet altijd mogelijk om een verdachte te vervolgen voor het ter beschikking stellen of in bezit hebben van instructiemateriaal, het zogenoemde pedohandboek.
Voorgesteld wordt om een nieuw artikel 240c Sr toe te voegen waarin strafbaar wordt gesteld het zich of een ander opzettelijk middelen, gelegenheid of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen dan wel het zich kennis en vaardigheden verwerven of een ander bijbrengen tot het plegen van seksueel kindermisbruik. Daaronder valt het in bezit hebben van adviezen en richtlijnen over het seksueel misbruiken van kinderen. Op het misdrijf komt een gevangenisstraf van maximaal vier jaar te staan.
Raadsman bij politieverhoor (best practices)
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deed op 11 oktober 2023 uitspraak over de vergoeding van rechtsbijstand van een niet-aangehouden verdachte (ECLI:
Messenverbod voor jongeren
Toenemend steekwapengeweld onder jongeren en een groeiend aantal in beslag genomen messen heeft de roep om aanscherping van de Wet wapens en munitie ten aanzien van de verkoop en het dragen van messen aangewakkerd. Vanwege de toename van het aantal steekincidenten hebben diverse gemeenten in Nederland in eerste instantie een messenverbod opgenomen in de algemene plaatselijke verordening (APV). Dat bleek niet afdoende, zoals blijkt uit een zaak van 14 maart 2023 bij de rechtbank Rotterdam (ECLI:
Een uniforme landelijke regeling is nu in de maak.
Voorgesteld wordt om voorwerpen, die in de praktijk als potentieel steekwapen kunnen worden aangewezen, op te nemen in de Rwm. Ook wordt een wijziging van artikel 31 WWM voorgesteld. Volgens het huidige artikel 31 vierde lid WWM is het verboden een categorie IV-wapen over te dragen aan een minderjarige. De regering acht het wenselijk de verkoop van bepaalde gebruiksmessen aan minderjarigen te verbieden. Ook het dragen van onverpakte messen in de openbare ruimte zonder goede reden wordt verboden, uitzonderingen daargelaten. Een uitzondering is bijvoorbeeld het gebruik bij activiteiten op het gebied van educatie, beroeps- of bedrijfsuitoefening en onderhoudswerkzaamheden. Burgers en bedrijven dienen de leeftijd van de potentiële koper vooraf te verifiëren. Bij overtreding volgt een geldboete. Bij de toegevoegde waarde van dit wetsvoorstel worden vraagtekens geplaatst, zo schreven Aimée Timorason en Dirk Dammers reeds eerder dit jaarnoot 35. De invoering van de voorgestelde wijzigingen zou een omgekeerde bewijslast tot gevolg hebben en dat is onwenselijk. De oplossing lijkt ook te kunnen worden gezocht in een meer criminologische invalshoek, waarbij kan worden gedacht aan preventieve en educatieve maatregelen buiten het strafrecht.

Wet plan van aanpak witwassen
Momenteel ligt een wetsvoorstel klaar ter wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme in verband met een verbod op contante betalingen voor goederen vanaf € 3.000 alsmede het uitbreiden van de mogelijkheden voor informatie-uitwisseling ten behoeve van de poortwachtersfunctie. Het voorstel was reeds in behandeling maar werd controversieel verklaard. Het wetsvoorstel kent een viertal onderdelen: 1) een verbod voor beroeps- of bedrijfsmatige handelaren in goederen om transacties vanaf € 3.000 in contanten te verrichten, 2) het mogelijk maken van gegevensdeling tussen instellingen behorend tot dezelfde categorie in het kader van het cliëntenonderzoek bij een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme, 3) het gezamenlijk monitoren van transacties mogelijk maken voor banken en 4) verduidelijking van het gebruik van bijzondere categorieën persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in het kader van verplichtingen op grond van de Wwft ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme.
Wetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II
Dit wetsvoorstel is nog in de conceptfase en werd op 14 november 2023 ingediend door demissionair minister van Justitie Veiligheid Yeşilgöz-Zegerius en demissionair minister voor Rechtsbescherming Weerwind. Het is de opvolger van de Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit (Stb. 2021, 544) en bevat voorstellen ter versterking van de aanpak van ondermijnende criminaliteit, zoals strafbaarstelling van het opzettelijk toerusten of inrichten van een vervoermiddel met een ruimte die kennelijk is bestemd om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken (verborgen ruimte) of het voorhanden hebben daarvan. Voorts zijn voorstellen opgenomen die ertoe strekken om de bestraffingsmogelijkheden van bepaalde delicten uit te breiden en de mogelijkheden tot verhaal van te ontnemen crimineel vermogen te verruimen.
Voor sommige strafbare feiten gaat de boetecategorie omhoog. Ten aanzien van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt voorgesteld om de mogelijkheid tot hoofdelijke oplegging van deze maatregel te verruimen. Ook wordt het mogelijk gemaakt om de uitvoering van een financiële transactie op verzoek van de Financiële inlichtingen eenheid tijdelijk door een bank te laten aanhouden. Hiermee kan worden voorkomen dat gedurende het onderzoek van de Financiële inlichtingen eenheid naar een transactie, geld dat mogelijk afkomstig is van of bestemd is voor criminaliteit, wordt weggesluisd voordat beslag wordt gelegd. Daarnaast worden diverse wijzigingen voorgesteld met als doel onnodige vertragingen in rechtszaken te voorkómen. Een voorbeeld daarvan is het inkorten van de wrakingsprocedure in strafzaken over georganiseerde ondermijnende criminaliteit.
Aanscherping artikel 140a Sr
Een ander voorstel van demissionair minister Yeşilgöz is om het wettelijk strafmaximum voor deelneming aan een terroristische organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van de meest ernstige terroristische misdrijven te verhogen. Het betreft een verhoging naar twintig jaar gevangenisstraf, indien de terroristische organisatie tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf is gesteld. Het kabinet meent dat het huidige strafmaximum de ernst van de dreiging alsmede de ernst van het delict onvoldoende tot uitdrukking brengt.
Wet seksuele misdrijven
Op 4 juli 2023 heeft de Tweede Kamer de wetswijziging op de Wet seksuele misdrijven aangenomen. Dit wetsvoorstel heeft tot doel slachtoffers van ernstige seksuele misdrijven beter te kunnen beschermen. Als gevolg van verschillende maatschappelijke, technologische en juridische ontwikkelingen was de huidige zedenwetgeving verouderd geraakt en het wetsvoorstel is gericht op het bij de tijd brengen van de Nederlandse zedenwetgeving inclusief het verhogen van de strafmaxima.noot 36 De wet vervangt in Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht de huidige Titel XIV Misdrijven tegen de zeden door een nieuwe Titel XIV Seksuele misdrijven. Niet langer wordt gesproken van zedendelicten, maar van seksuele misdrijven. Daarmee wordt uitdrukking gegeven aan de grondslag van de strafbaarstelling: de schending van de seksuele autonomie. De verwachting is dat ook de Eerste Kamer zal instemmen met de voorgestelde wetswijzigingen waardoor de wet in zijn nieuwe vorm in 2024 kan ingaan.
In dit wetsvoorstel wordt de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag opnieuw vastgesteld en begrensd. Zo krijgen online gepleegde misdrijven in de nieuwe titel een duidelijke plaats. Het wetsvoorstel verruimt daarnaast de mogelijkheden om strafrechtelijk te kunnen optreden tegen seksueel getint overlast veroorzakend gedrag door seksuele intimidatie zelfstandig strafbaar te stellen.
Geen dwang, toch strafbaar
De meest omstreden wijziging is de verruiming van de strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld. De huidige delicten ‘aanranding’ (huidig artikel 246) en ‘verkrachting’ (huidig artikel 242) worden vervangen door nieuwe delicten. Het betreft vier delicten met zes verschillende kwalificaties: schuldaanranding, opzetaanranding, gekwalificeerde opzetaanranding, schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting.
Door naast de ‘opzetvarianten’ ook de ‘schuldvarianten’ toe te voegen aan het Wetboek van Strafrecht is het niet langer noodzakelijk om te bewijzen dat sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging. Bij schuldverkrachting is iemand al strafbaar als hij of zij de seks toch heeft doorgezet, terwijl al duidelijk was dat de ander geen seks wilde. Dat maakt dat degene die seksueel contact initieert er zeker van dient te zijn dat de ander hetzelfde wil. Daarmee komt de focus op het gedrag van de dader te liggen. Met deze nieuwe delicten wordt uitdrukking gegeven aan de sociale norm dat seks vrijwillig en gelijkwaardig behoort te zijn en dient te berusten op wederzijds goedvinden. Van schuldvarianten is sprake wanneer de dader duidelijk waarneembare aanwijzingen voor een ontbrekende wil verkeerd heeft ingeschat en er ten onrechte vanuit is gegaan dat de wil tot seksueel contact aanwezig was. Een indicatie kan een wisselende of onzekere opstelling richting het seksuele contact zijn. Bij aanwezigheid van contra-indicaties voor een vrije positieve wilsuiting moet worden afgezien van seksueel contact of moet iemand op zijn minst nader onderzoek doen naar de positie van de ander. Wordt dit nagelaten, dan maakt deze persoon zich mogelijk schuldig aan schuldaanranding of schuldverkrachting. Dat maakt uiteraard niet dat een onbeantwoorde flirt, onhandige date of spijt achteraf strafbaar wordt. Voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is en blijft of de dader een verwijt kan worden gemaakt. Heeft de dader gehandeld waar hij/zij had moeten nalaten of juist nagelaten terwijl van de dader mocht worden verwacht dat hij in actie zou komen en navraag zou doen?

Bij de ‘opzetdader’ heeft de dader geen boodschap aan de wil van de ander. Gekwalificeerde opzetaanranding of opzetverkrachting zijn strafverzwarende delictsvormen van de opzetaanranding of opzetverkrachting. Iemand maakt zich schuldig aan deze strafverzwarende varianten indien aan het misdrijf opzetaanranding of opzetverkrachting is voldaan en daarbij bovendien dwang, bedreiging of geweld is gebruikt. Als deze wijziging wordt aangenomen, wordt het huidige artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (verkrachting) in overeenstemming gebracht met internationale mensenrechtenstandaarden, zo meent de wetgever. Volgens het Verdrag van Istanbul, meer specifiek artikel 36, moeten staten het zonder wederzijds goedvinden op seksuele wijze binnendringen van het lichaam van een ander strafbaar stellen. De minister meent dat het nodig is, anderen twijfelen nu het Verdrag van Istanbul minimumnormen geeft.
Nieuw voor beide varianten is dat strafbaarheid niet meer beperkt is tot handelingen die mede bestaan uit het ondergaan van het seksueel binnendringen van het lichaam maar zal gelden voor alle vormen van seksueel binnendringen waarbij het lichaam van het slachtoffer is betrokken. Dit strekt zich daarmee ook uit tot seksuele penetratie van het eigen lichaam of een lichaam van een ander, bijvoorbeeld via een webcam. Als de Eerste Kamer instemt, zullen de nieuwe delicten gevolgen hebben voor de bewijsvoering. Voor een veroordeling voor schuldaanranding, opzetaanranding, schuldverkrachting of opzetverkrachting is dan niet langer nodig dat bewijs aanwezig is van dwang jegens het slachtoffer. Niet bewezen hoeft dan te worden dat een slachtoffer zich heeft verzet of zich niet kon onttrekken. Ook hoeft niet bewezen te worden dat het opzet van de dader daarop gericht was. Kortom, een juridische verlaging van de bewijsdrempel die bij zedenfeiten toch al laag ligt. Het zal mogelijk tot meer aangiften leiden. Of ook meer mensen worden vervolgd, laat staan veroordeeld, is in het kader van een overvraagd en overbelast rechtssysteem nog maar zeer de vraag.
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht in verband met de evaluatie van de Wet OM-afdoening en invoeren van een rechterlijke toets voor hoge transacties en ontnemingsschikkingen
Dit betreft een conceptwetsvoorstel, nog in de voorbereidende fase. Doel is wijziging van de regeling van de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten op vier onderdelen: 1) transacties en rechterlijke toetsing van hoge transacties, 2) rechterlijke toetsing van hoge ontnemingsschikkingen, 3) voorwaardelijke straffen in een strafbeschikking met een omzettingsprocedure voor het geval de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking niet is gelukt en 4) verbeurdverklaring van in beslag genomen voorwerpen in een strafbeschikking.
Verhoging strafmaxima en uitbreiding rechtsmacht mensensmokkel
Dit wetsvoorstel is op 12 september 2023 ingediend bij de Tweede Kamer. Doel van dit voorstel is de aanpak van mensensmokkel te intensiveren en effectiever te maken. Door de strafmaxima te verhogen, wordt de voorbereiding van mensensmokkel over de gehele breedte strafbaar, waarmee in een vroeger stadium kan worden ingegrepen. De uitbreiding van de extraterritoriale rechtsmacht verruimt de mogelijkheden om in het buitenland begane mensensmokkel hier in Nederland te vervolgen en te berechten. Ook dit betreft zodoende een wetsvoorstel om komend jaar in de gaten te houden.
Penitentiair recht
Ook op het gebied van het penitentiaire recht is eind 2022 en in 2023 veel gebeurd. Op 17 december 2022 is de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden aangepast.noot 37 Die aanpassing hield allereerst in dat een grotere groep gedetineerden voor plaatsing in de EBI in aanmerking komt. Voorheen was het zo dat een plaatsing in de EBI op die grond pas mogelijk was als een concrete aanwijzing bestond voor voortgezet crimineel handelen tijdens detentie, terwijl dat met de wijziging al op grond van een vermoeden mogelijk wordt. Daarnaast is een nieuwe grond toegevoegd: gedetineerden die een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen in termen van ‘algemeen gevaar’ voor de openbare orde. ‘Algemeen gevaar’ wordt in ieder geval aangenomen indien een gedetineerde wordt verdacht van of is veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van twaalfjaarsfeiten. Voor deze groep gedetineerden gelden bovendien verstrekkende toezichtmaatregelen. Zo mogen zij nog maar één keer per week tien minuten telefonisch contact hebben. Dat mag bovendien alleen met mensen die zich op dat moment in een politiebureau of penitentiaire inrichting bevinden. Dat betekent dat familieleden van deze gedetineerden na een uitgebreide screening een penitentiaire inrichting of een politiebureau aangewezen krijgen waar vanuit zij één keer per week een telefoongesprek mogen voeren met hun familielid in de EBI. Ook het bezoeken van deze gedetineerden wordt verder ingeperkt. Zij mogen slechts één keer per week één uur bezoek ontvangen, waarbij slechts één persoon per bezoekmoment is toegestaan. Tot slot moet een gedetineerde 48 uur voorafgaand aan zijn telefoongesprek of aan een bezoek aangeven in welke van de in de huisregels opgenomen talen hij tijdens het telefoongesprek of tijdens het bezoek wil spreken. Wanneer toch een andere dan de opgegeven taal wordt gebruikt, wordt het gesprek of het bezoek beëindigd. Met deze wijzigingen zijn we er nog niet. Inmiddels is een conceptregeling wijziging Penitentiaire maatregel uitgebracht. Deze maatregelen gaan onder andere over visueel toezicht op het contact van een gedetineerde met een rechtsbijstandsverlener. Daarnaast wordt een beperking van het aantal rechtsbijstandsverleners met wie vertrouwelijk contact mag plaatsvinden voorgesteld (maximaal twee). De RSJ heeft daarover inmiddels een advies uitgebracht en het is afwachten in welke vorm deze wijzigingen doorgang zullen vinden.
Het recht van gedetineerden om hun godsdienst te kunnen uitoefenen, stond centraal in een tweetal (voorlopige) beslissingen van de RSJ. Zo werd op 22 november 2023 door de RSJ positief beslist op een schorsingsverzoek over het niet meer digitaal kunnen bijwonen van de kerkdienst, terwijl het fysiek bijwonen daarvan voor deze gedetineerde evenmin mogelijk was (RSJ 23/37251/SGA, 20 november 2023). De RSJ overwoog dat artikel 41 van de Penitentiaire beginselenwet het recht van gedetineerden omschrijft om hun geloof vrij te belijden en te beleven. In dat artikel is neergelegd dat de directeur ervoor zorgt dat in de inrichting voldoende geestelijke verzorging beschikbaar is en dat gedetineerden in de gelegenheid worden gesteld godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten in de inrichting bij te wonen. Het recht op het (al dan niet digitaal) bijwonen van een kerkdienst vormt een onderdeel van het individueel rechtens afdwingbare recht op godsdienstvrijheid, neergelegd in onder meer artikel 6 van de Grondwet en artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Naar voorlopig oordeel van de RSJ was sprake van een beperking van het recht van de gedetineerde op godsdienstvrijheid, terwijl die beperking niet van tijdelijke aard lijkt te zijn. De algemene regel van – in dit geval de PI Almelo – werd in strijd geacht met dit recht. Tot een soortgelijk oordeel kwam de RSJ eind 2022 eveneens voor de PI Sittard. Daar werd de toegang tot de moskee op vrijdag vanwege organisatorische redenen voor langere tijd beperkt. De RSJ oordeelde daarover dat het een ongeoorloofde inbreuk op het recht op godsdienstvrijheid betrof en dat bovendien niet was gebleken dat door de directeur andere opties waren onderzocht (RSJ 22/30761/SGA, 13 december 2022).
Noten
-
https://www.om.nl/documenten/jaarverslagen/om/map/2019-en-verder/om-jaarbericht-2022.
-
Zie P.P.J. van der Meij, ‘Voorkomen door bestraffen. De paradox van een repressieve aanpak van het fenomeen uithalers’, BSb 2023, nr. 3, p. 130-137.
-
Zie Onderzoeksraad voor Veiligheid, Bewaken en beveiligen. Lessen uit drie beveiligingssituaties.
-
https://www.platform-investico.nl/artikel/betonrot-in-de-rechtsstaat/.
-
ECLI:
NL: ), ECLI:HR: 2021:576 NL: en ECLI:HR: 2021:693 NL: .HR: 2021:765 -
Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:
NL: .HR: 2010:BL2823 -
Parket bij de Hoge Raad 4 oktober 2022, ECLI:
NL: , r.o. 2.4.1-2.4.5.PHR: 2022:889 -
VN-Mensenrechtencomité 26 juli 2022, CCPR/C/135/D/3256/2018 (Jaddoe/Nederland), r.o. 11.2-12.
-
Parket bij de Hoge Raad 6 december 2022, ECLI:
NL:PHR: .2022:1143 -
Hoge Raad 8 november 2022, ECLI:
NL: .HR: 2022:1591 -
Stb. 2022, 461.
-
Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (2023R003).
-
Stb. 2023, 222.
-
Kamerstukken II 2020/21 35871, nr. 3, p. 1.
-
Stb. 2006, 11.
-
Kamerstukken II 2020/21 35871, nr. 3, p. 1-4.
-
Hoge Raad 28 februari 2012, ECLI:
NL: en nader toegelicht in Hoge Raad 5 november 2013, ECLI:HR: 2012:BR2342 NL: , NJ 2014/157 m.nt. Keulen (Voorbedachte Raad II).HR: 2013:1112 -
Rb. Midden-Nederland 8 september 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:6593.
-
Hof Den Haag 25 juni 2021, ECLI:
NL: .GHDHA: 2021:1136 -
Zie bijvoorbeeld ‘Strenger straffen? Juist niet, zeggen experts’ door Tammie Schoots d.d. 23 oktober 2023 en ‘Holleeder-rechter publiceert boek over de zaak van zijn leven: “Empathie is de ziel van het strafrecht”’, de Volkskrant d.d. 20 oktober 2023.
-
https://www.bjutijdschriften.nl/tijdschrift/BSb/2023/3/BSb_2666-6901_2023_004_003_006.
-
Kamerstukken II 2022/23, 36222, nr. 3, p. 3, 10 en 14.