vak & mens cover

Advocatuur ontketenen of liever niet?

Terwijl de modernisering van het toezicht feitelijk nog van start moet gaan, dient zich al een nieuwe titanenklus aan. Een recent WODC-rapport bepleit minder marktbescherming, in het voordeel van zowel consument als advocaat. Moeten de ketens wat losser?

Het is niet zo dat de vlag uitging bij BrandMR en VvAA Legal, op de dag dat het WODC-rapport Alternatieve bedrijfsstructuren voor advocaten uitkwam. Maar misschien maakten beide bedrijven binnenskamers wel een bescheiden vreugdedansje. Het wetenschappelijk pleidooi voor een verdere openstelling van de advocatuurlijke markt voelt ongetwijfeld als een comfortabele wind in de rug.

BrandMR en VvAA Legal zijn de enige twee deelnemers aan het experiment dat bijna drie jaar geleden van start ging. De NOvA geeft verzekeraars vijf jaar lang de mogelijkheid om hun advocaten-in-loondienst in te zetten ten behoeve van niet-verzekerde cliënten. Het experiment werd afgedwongen door BrandMR (ontstaan uit voormalig schade­regelings­kantoor SRK). Met een laagdrempelige website en vaste tarieven richt BrandMR zich op de middeninkomens: cliënten die niet in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand, onverzekerd zijn en de uurtarieven van reguliere advocaten niet kunnen of willen betalen.

Formeel botst dat met de Verordening op de advocatuur (Voda). Op basis daarvan mogen advocaten die werken voor een verzekeraar alleen verzekerde cliënten bijstaan. De gedachte daarachter is dat advocatuurlijke kernwaarden, zoals de onafhankelijkheid, in het geding kunnen komen als de werkgever van een advocaat zelf geen advocaat is en puur een winstoogmerk heeft.

Onder druk van zowel de politiek als de Autoriteit Consument & Markt (ACM) ging de NOvA overstag en kreeg BrandMR groen licht, onder de paraplu van een experiment dat in 2026 afloopt. Van alle andere verzekeraars sloot alleen VvAA Legal zich aan bij de proef. De VvAA is een ledenorganisatie voor zorgprofessionals, alsmede verzekeraar en administratief-financieel dienstverlener.

Halverwege de looptijd van het experiment tonen beide bedrijven zich dik tevreden over hun eigen ontwikkeling. ‘We groeien hard, gemiddeld vijftig procent per jaar,’ vertelt marketingdirecteur Peter Hoitinga van BrandMR. ‘We begonnen in 2019 met een man of 35 en zitten nu op zo’n 180 medewerkers.’ Die groei hangt mede samen met de overname van Pals Letselschade (nu BrandMR Letselschade) in 2019 en BSA in 2020. ‘Ik denk dat we met tien advocaten zijn begonnen die meekwamen uit het oude SRK. Inmiddels zitten we rond de 33 advocaten.’

BrandMR mikt tot dusver op particulieren, maar betreedt binnenkort een nieuwe markt. Hoitinga: ‘Bij zzp’ers en mkb’ers zien we dezelfde problemen als bij particulieren. Dus die gaan we vanaf begin volgend jaar ook helpen.’

Ook VvAA Legal is positief gestemd. Sinds de oprichting kan de vereniging leden bijstaan met en zonder rechtsbijstandsverzekering. Van preventie tot procederen, in de woorden van directeur Sigrid Stevens. ‘Dat is voor ons en voor de cliënt prettig. Net zo goed als het niet fijn is als je steeds een andere dokter moet zien, is het niet fijn als je op een gegeven moment een andere rechtshulpverlener krijgt.’

VvAA Legal ging van start met zeven advocaten, dat zijn er nu elf. Begin 2024 komen daar nog drie of vier advocaten bij. ‘Uiteindelijk willen we groeien naar een kantoor van vijftien tot twintig advocaten. Dat wordt misschien meer als de markt dat van ons vraagt, maar voor nu zou dat een mooi aantal zijn.’

Zelfstandig bestuursorgaan

Over de formele positionering van de OTA ten opzichte van de NOvA bestaat in Den Haag nog discussie. Stokkermans heeft er geen moeite mee als de NOvA een vinger in de pap houdt. ‘Ik zie de onafhankelijk toezichthouder als een hybride organisatie, waarin de beroepsgroep kan zijn vertegenwoordigd. Dat is bevorderlijk voor het draagvlak. Zolang de toezichthouder maar over doorzettingsmacht beschikt die bestuursrechtelijk regels kan opleggen. Als je in Engeland onder de motorkap kijkt, zie je dat de Solicitors Regulation Authority die ze daar hebben technisch gesproken onder de Engelse NOvA hangt.’

Beroepsmatig toezichthouder Jeroen Kremers toont zich op dat punt strikter in de leer. Kremers werd in 2019 kroonlid in het college van toezicht op de advocatuur (CvT). Na meningsverschillen met algemeen deken Crince le Roy stapte hij in het najaar van 2022 op. Sindsdien mengt hij zich geregeld in het publieke debat over het advocatentoezicht.

Voor Kremers laat het WODC-rapport haarscherp zien dat ‘de verregaande zelfregulering in Nederland niet alleen heeft geleid tot ondermaats toezicht, maar ook tot een bepaalde mate van marktafscherming’.

Om dat probleem te ondervangen, moet de OTA een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) worden, meent Kremers. ‘De praktijk zal leren dat alleen een zbo echte onafhankelijkheid kan garanderen, net zoals bij de ACM en de AFM. Waarbij je dan uiteraard ook de onafhankelijkheid ten opzichte van de overheid goed moet regelen. En de vraag wie dat allemaal gaat betalen. Evident is in ieder geval dat de beroepsgroep niet zelf over de regulering mag gaan.’

De veranderende zorgmarkt maakte deelname aan het experiment interessant voor VvAA, zegt Stevens. ‘In de zorg is steeds meer sprake van concentratie, de praktijken en zorginstellingen worden groter en de behoefte aan juridische ondersteuning ook,’ ziet ze. Die grote partijen komen vaak niet in aanmerking voor een rechtsbijstandsverzekering. ‘Alleen een “onzeker voorval” is te verzekeren. Je kunt je voorstellen dat het bijvoorbeeld bij een ziekenhuis niet onzeker is dat zich een juridische kwestie zal voordoen. Er komt een keer een tuchtklacht, of een samenwerkingsgeschil.’

Cultuurverandering

Als het aan Christiaan Stokkermans ligt, blijft het niet bij dit ene experiment. Hij is sinds 2022 hoogleraar Ondernemingsrecht aan Erasmus School of Law, en is medeauteur van het WODC-rapport Alternatieve bedrijfsstructuren voor advocaten.

Stokkermans, ooit notaris en partner bij Allen & Overy, bepleit een cultuurverandering binnen de advocatuur. ‘Wat je niet moet hebben, is dat experimenten als deze met BrandMR en de VvAA automatisch aflopen en daarmee de deuren moeten sluiten, misschien na een eenmalige verlenging. Dan knijp je die initiatieven af, zodat men geen medewerkers kan vinden en geen marketing kan bedrijven. Dat zou ik heel bezwaarlijk vinden. Beter is het een cultuur te creëren waarin ruimte is voor experimenten. Je moet nieuwe regels hebben vastgesteld tegen de tijd dat de experimenten aflopen of je laat de experimenten doorlopen tot je nieuwe regels hebt.’

Over de aard van die regels handelt zijn rapport. Nederland heeft de advocatenmarkt strikter dichtgetimmerd dan de ons omringende landen, luidt de conclusie. Jarenlang was Nederland in inter­nationaal opzicht liberaal, omdat advocaten hier samen­werkings­verbanden mogen aangaan met notarissen, belastingadviseurs en octrooigemachtigden. Maar inmiddels zijn we ingehaald door andere Europese landen, Engeland voorop.

Meer ruimte bieden aan alternatieve bedrijfsstructuren (ABS) geeft zowel advocaten als consumenten meer keuzevrijheid, stelt Stokkermans. ‘Waarom mag een architecten­bureau niet fuseren met bouwadvocaten of ze zelf in dienst hebben? Of een arts met een advocaat en misschien nog wat professionals om mensen met multiproblematiek te helpen? Of een geïntegreerd advocaten-/accountantskantoor dat het mkb een one-stop-shop biedt, wat is daar mis mee? Je kunt zeggen dat zij al wel mogen samenwerken, maar niet in een partnership voor gezamenlijke rekening, onder één merknaam. Terwijl daar best een markt voor kan zijn. Dat is even wat anders dan dat je het organiseert per discipline.’

Andere landen zijn met zogeheten multidisciplinaire samenwerking (MDP) verder gevorderd dan Nederland, signaleert Stokkermans. ‘In Frankrijk en Duitsland hebben ze de afgelopen jaren flinke stappen vooruitgezet. Daar zijn ze nog niet zover als in Engeland, waar ook nog vreemd kapitaal is toegestaan. Maar het is al wel mogelijk om verschillende beroepen onder te brengen in één praktijk, voor gezamenlijke rekening.’

In de visie van Stokkermans staat de advocatuur voor belangrijke uitdagingen. ‘Hoe geef je tegen een betaalbare prijs stabiel en goed juridisch advies aan burgers en mkb? Ik heb het dus niet over de Zuidas waar ik vroeger werkte en evenmin over de sociale advocatuur, maar over die brede middengroep. Daar is sprake van standaardproblematiek en dus van standaardwerk. MDP’s kunnen daar zeker een nuttige rol vervullen.’

De Rotterdamse hoogleraar haakt in zijn rapport in op het voornemen van het zittende kabinet om het toezicht op de advocatuur op grotere afstand van de beroepsgroep te zetten. Op termijn komt er een Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur (OTA), met eigen middelen, eigen specialisten en eigen beleid. Als het aan Stokkermans ligt, gaat de OTA ook de toegang tot de markt reguleren.

De hoogleraar vindt dat de Engelse aanpak als voorbeeld kan dienen. ‘In onze snel veranderende wereld is voortdurend aanpassingsvermogen erg belangrijk. Daarvoor heb je een professionaliserende instantie nodig die experimenten kan doen, dingen uitzoekt, lijnen uitzet en uiteindelijk regels maakt. Dat is wat de Engelsen hebben. Die dynamiek is bij de NOvA onvoldoende aanwezig.’

De AFM, de Autoriteit Financiële Markten, is ook een goed voorbeeld, zij het voor andere sectoren, vindt Stokkermans. ‘Dat begon aanvankelijk vrij amateuristisch, als Stichting Toezicht Effectenverkeer. Maar ook dat is inmiddels een lerende organisatie die de markt steeds beter begrijpt en partijen bij de les houdt. Een goede mix van boeman en coach.’

Kernwaarden

De regulering in Nederland stelt eisen aan individuele advocaten en daarmee indirect aan hun kantoor. De kantoren zelf zijn niet gereguleerd. In het NOvA-experiment is dat wel het geval, daar geldt als voorwaarde dat de meerderheid van de bedrijfsleiding advocaat moet zijn. Die zijn daarmee schatplichtig aan de kernwaarden en onderworpen aan het tuchtrecht.

Dat is ook precies de reden dat verzekeraar ARAG niet meedoet aan het experiment, waar BrandMR en VvAA wél deel van uitmaken. Tegen wil en dank, vertelt CEO Marc van Erven. ‘In deze vorm is het voor ARAG en bijna alle andere rechtsbijstandsverzekeraars vrijwel onmogelijk om in te stappen. Wij kunnen redelijkerwijs niet voldoen aan de eisen die het experiment aan het bestuur stelt. Eigenlijk staan we met de handen op de rug. We kijken ernaar, tandenknarsend.’

ARAG biedt sinds anderhalf jaar juridische hulp aan niet-verzekerden tegen een vaste prijs. Maar als een rechterlijke procedure dreigt, moet ARAG noodgedwongen een stap terugdoen. ‘Wij kunnen daar nu geen voorziening voor treffen,’ legt Van Erven uit. ‘We proberen dan wel de cliënt te koppelen aan een advocatenkantoor.’

Volgens Van Erven vragen op dit moment enkele tientallen tot honderden cliënten per jaar om hulp bij niet-verzekerde zaken. ‘Over het algemeen kunnen we die cliënten verder helpen door het schrijven van een brief of het overnemen van een zaak tegen een vast tarief.’

‘Wat je niet moet hebben, is dat experimenten als met BrandMR en de VvAA automatisch aflopen en daarmee de deuren moeten sluiten’

Mocht het experiment leiden tot een verruiming van de regels, dan haakt ARAG graag aan. ‘Het experiment duurt tot 2026. Ik denk dat wij op het moment dat de markt vrijkomt, in zullen stappen.’ Eerst moeten volgens Van Erven de voorwaarden voor toetreding duidelijk zijn. ‘De eis dat een meerderheid van het bestuur uit advocaten zou moeten bestaan is onredelijk. Dat moet sowieso worden aangepast.’

Andere verzekeraars zoals Nationale Nederlanden en Achmea laten weten geen belangstelling te hebben om zich op de advocatuurlijke consumentenmarkt te begeven. Achmea richt zich wel op niet-verzekerde consumenten, maar met juristen, niet met advocaten. ‘Op dit moment zijn er binnen LegalGuard en Achmea geen plannen om advocaten in te zetten voor niet-verzekerden. De huidige pilot die loopt met BrandMR volgen wij met interesse’, zo luidt de reactie.

En ook NN Advocaten, het in-house kantoor van Nationale Nederlanden, zegt bij monde van Walter van Gerner zich niet op een bredere doelgroep te willen richten. Zijn kantoor, dat achttien advocaten telt, behandelt met name verzekerings- en aan­sprakelijk­heids­zaken waarbij NN Group een direct belang heeft. Van Gerner heeft dan ook geen behoefte aan ruimere marktregulering. ‘Wat ons betreft, functioneert het systeem. We zijn geen commercieel bedrijf en hebben al meer zaken dan we aankunnen. Ik zou me ook bezwaard voelen om ons te bewegen op het terrein van particulieren of mkb.’

Van Gerner bepleit wel ‘minder klemmende regelgeving’. Volgens hem komt het met enige regelmaat voor dat verzekerden zich willen voegen in een zaak die NN Advocaten behandelt voor Nationale-Nederlanden. De Voda staat dat niet toe. ‘Het zou fijn zijn en rechtvaardig als zo’n verzekerde kan meeliften, zodat hij niet zelf een advocaat in de arm moet nemen en op kosten wordt gejaagd.’

Nagenoeg alle verzekeraars benadrukken de noodzaak tot marktwerking en innovatie in de advocatuur. Van Erven van ARAG: ‘Het wordt tijd dat de concurrentie binnen de advocatuur kan toenemen. De toegang tot het recht en de betaalbaarheid van rechtshulp voor de gewone burger komen steeds meer in het geding.’ Hij denkt dat de verschillende spelers op de markt samen kunnen optrekken. ‘Je hebt advocaten met al hun specialismen en kwaliteiten. Je hebt grote spelers zoals rechtsbijstandsverzekeraars, die de massa leveren.’ Van Erven omschrijft het als spelers op hetzelfde speelveld, ieder met zijn eigen kwaliteiten en strategie. ‘Een paar jaar geleden lieten we nog voor meer dan tachtig miljoen euro aan zaken door de advocatuur verwerken. Vergeet niet dat wij als rechtsbijstandsverzekeraars de broodheren van de advocatuur zijn.’

Ook Stevens denkt dat de beroepsgroep er wel bij vaart. ‘Een stukje innovatie, net als in andere sectoren, dat gun ik de advocatuur heel erg.’ Ze onderschrijft de aanbeveling in het WODC-rapport om de instroom van vreemd kapitaal vrij te geven, maar met garanties omkleed. ‘In de advocatuur gaat het om wezenlijke zaken als vertrouwelijkheid, geheimhouding. Die moeten gewaarborgd zijn. Je kunt niet zonder pardon zeggen: gooi maar open, die markt.’

Kapitaal

Erasmus-professor Stokkermans bestempelt de noodzaak tot kapitaalverschaffing als essentieel. ‘Het is misschien wel de belangrijkste slag die moet worden gemaakt. De kleinschaligheid van de advocatuur belemmert noodzakelijke investeringen. Ik heb het niet over de grote Zuidas-kantoren. Die verdienen genoeg om zichzelf te kunnen financieren of ze stappen naar de bank. Voor kantoren die zich richten op het mkb en gewone mensen ligt dat anders. Het gaat veelal om standaard consumentenproducten, maar toch zit iedereen steeds opnieuw heel ambachtelijk zijn eigen IKEA-tafeltje uit te zagen.’

Kantoren in dat middensegment bevinden zich volgens Stokkermans in een catch 22-situatie: de tarieven kunnen niet naar beneden, want dan hebben ze geen brood op de plank. Evenmin beschikken ze over de middelen om te investeren in efficiency, standaardisering en schaalvergroting.

Ook Hoitinga van BrandMR meent dat het groot aantal kleine spelers innovatie in de weg staat. ‘Zestig procent van de kantoren is eenpitter. Als eenpitter ga je niet investeren in ICT, in nieuwe bedrijfsmodellen, in vernieuwende dienstverlening, in AI, dat soort dingen. Wil je als vak verder komen, dan moet je deze ontwikkelingen omarmen.’

Kapitaal van derden –⁠ private equity, venture capital ⁠– kan in de behoefte voorzien, denkt Stokkermans. Onder strikte voorwaarden om uitwassen te voorkomen, zoals die zich momenteel voordoen bij sommige commerciële huisartsenposten. ‘Je moet kijken naar de reden van een investering. Stel, een advocaat wil zijn praktijk verkopen als oudedags­voorziening. Dan betaalt de koper goodwill, die uit latere winsten moet worden terug­verdiend. Dat kan leiden tot schaalvergroting, waaraan goede kanten kunnen zitten, maar zet ook druk in de vorm van scherpe winstdoelen. Of de markt enkel hierdoor een beter product krijgt, is niet meteen gezegd.

Anders wordt het wanneer het gaat om investeringen in de onderneming zelf, zoals in AI en digitalisering. Daaraan is zeker behoefte. De kunst is om randvoorwaarden te creëren, die het mogelijk maken dat je de consument verder gestandaardiseerde producten van een stabiele, hoge kwaliteit gaat verkopen. Dat moet je dan op een grotere schaal organiseren, zodat er ook voldoende geld aan te verdienen is. De kleinschaligheid is een deel van het probleem en dat ga je zonder investeringen niet oplossen.’

Van Gerner van NN Advocaten kan die logica wel billijken. ‘Het is niet per se nadelig voor een rechtzoekende als het kleine kantoor waartoe hij zich wendt, wordt gefinancierd door een derde partij. Zeker niet als de bedrijfsvoering daarmee professioneler wordt en de kosten daarmee wellicht wat lager.’

‘Het is niet per se nadelig voor een rechtzoekende als het kleine kantoor waartoe hij zich wendt, wordt gefinancierd door een derde partij’

Instroom van risicodragend kapitaal leidt inderdaad tot verzakelijking, verwacht Stokkermans. Eerder een plus- dan een minpunt, denkt hij. ‘Een bedrijfsmatiger aanpak is voor veel advocaten eigenlijk alleen maar prettig. De meesten van hen zijn vooral vaktechnisch gedreven en velen willen geen zelfstandig ondernemer zijn. Dat zie je ook bij huisartsen. Geef ze hun cliënten en patiënten en de ruimte om hun werk goed te doen. Niet meer en niet minder.’

BrandMR staat bepaald niet onwelwillend tegenover kapitaalinjecties van derden. Op dit moment financiert BrandMR de groei met eigen kapitaal, legt Hoitinga uit. Directie en medewerkers hebben samen de meerderheid van de aandelen. ‘We hebben vastgelegd dat we de eerste vijf jaar de winst in de organisatie investeren en geen dividend uitkeren.’ Op termijn kan het aantrekken van extern kapitaal interessant zijn, denkt hij. ‘Dat zou betekenen dat we in een hoger tempo kunnen groeien en ontwikkelen.’

Vergunningplicht

Een andere belangrijke aanbeveling van Stokkermans is de invoering van een vergunningplicht. De logica dwingt daartoe: als kantoren aan de ene kant meer ruimte krijgen, zijn er aan de andere kant extra garanties nodig dat de kernwaarden overeind blijven. ‘Vergunningplicht is wezenlijk. Het gebeurt in zekere zin ook al, via de band. Via individuele advocaten worden immers eisen gesteld aan kantoren. Maar als je in de regulering meer gestructureerd naar het kantoor gaat kijken, kom je toch tot andere oplossingen. Strikt genomen kun je een kantoor een boete opleggen of een handelings­verbod. Maar je kunt ook eisen stellen ten aanzien van de governance, de interne controle, de onafhankelijkheid van individuele advocaten binnen het kantoor. Je kunt dat allemaal scherper neerzetten als je kantoren separaat vergunningplichtig maakt.’

Voormalig CvT-lid Jeroen Kremers onderschrijft dat ten volle. ‘De voorgestelde vergunningplicht zou ik zeer toejuichen. Kijk maar naar de casus-Pels Rijcken. Daar staat met grote letters op geschreven dat er een vergunningplicht voor advocatenkantoren nodig is, waar het toezicht op kan aangrijpen. Zowel de wijze van bestuur als de interne controle vertoonde daar grote gebreken.’

Ook Hoitinga van BrandMR noemt het een logische stap. ‘Binnen BrandMR staan de kernwaarden voorop. We hebben een compliance officer, een RvC die onze aandeelhouder op afstand plaatst, we hanteren een professioneel statuut. Dat zijn allemaal waarborgen, die we overigens voor het experiment ook al organiseerden.’ Als de kernwaarden gewaarborgd zijn en het toezicht goed functioneert, wordt de bedrijfsstructuur volgens hem minder relevant. ‘In de advocatuur heerst de opvatting dat iedere andere vorm dan de huidige een gevaar vormt voor de kernwaarden.’ Volgens Hoitinga is het de hoogste tijd dat de advocatuur die gedachtegang loslaat. ‘Draai het om. Neem gewoon de kernwaarden als uitgangspunt, en ga daarbinnen nieuwe vormen ontwikkelen.’

Van Gerner van NN Advocaten ziet het nog niet onmiddellijk voor zich. ‘Ik vraag me af of je de kernwaarden kunt waarborgen met een vergunningplicht. Hoe gaat dat dan in zijn werk, hoe regel je het toezicht?’

De kernwaarde onafhankelijkheid is in de huidige praktijk echter ook niet absoluut gegarandeerd, voegt hij daaraan toe. ‘De onafhankelijkheid van advocatenkantoren wordt ook wel een beetje overschat. We moeten niet uit het oog verliezen dat een kantoor afhankelijk kan zijn van één grote cliënt.’

ACM

Wat er met het WODC-rapport van Stokkermans gaat gebeuren, is koffiedik kijken. Op korte termijn waarschijnlijk niet veel. De algemene raad van de NOvA komt niet eerder dan komend voorjaar met een inhoudelijke reactie. Politiek Den Haag is vooral met zichzelf bezig en buigt zich voorlopig niet over het dossier. Sowieso eist de komst van toezichthouder OTA eerst alle aandacht.

Van de ACM valt de komende jaren evenmin druk te verwachten. Bestuursvoorzitter Martijn Snoep, die de NOvA in 2021 tot inschikkelijkheid dwong, heeft nu geen actie voor ogen, zegt hij. ‘Er loopt een experiment dat door de landelijke orde is opgezet en dat in 2026 wordt geëvalueerd. Dat wachten we eerst af.’ De ACM bestempelde het experiment destijds als ‘een goede eerste stap’, maar zei ook ‘de komende tijd de vinger aan de pols te houden’.

Volgens Snoep gebeurt dat ook. ‘We voeren gesprekken met marktpartijen, we kijken hoe de markt zich ontwikkelt. Dit rapport is ook een ontwikkeling die we meenemen. Bij de evaluatie voegen we alle informatie samen en bezien we welke vervolgstappen nodig zijn. Als de uitkomst van het experiment laat zien dat er goede nieuwe toetreders kunnen komen waardoor de markt beter werkt, dan is dat een goede weg.’

EU-richtlijn

Enigszins verrassend brengt het WODC-rapport nog een andere kwestie aan het licht: Nederland heeft, evenmin als België, EU-richtlijn 2018/958 geïmplementeerd. Deze richtlijn verbiedt marktbelemmeringen in beroepsgroepen, tenzij het algemeen belang die rechtvaardigt. Dat moet dan wel onafhankelijk worden getoetst. In de ogen van Jeroen Kremers legt het rapport een fikse tekortkoming bloot. ‘Dat staat er vrij stevig en is pijnlijk om te lezen. In mijn ogen is dat echt ernstig.’

Volgens Stokkermans vloeit er niet onmiddellijk bloed uit deze juridische nalatigheid, maar is ze op termijn niet houdbaar. ‘Je maakt je kwetsbaar. De richtlijn biedt ruimte om keuzes te maken, maar beperkingen dienen objectief gerechtvaardigd te zijn. Bovendien moet een onafhankelijke instantie dat toetsen en op die toetsing aanspreekbaar zijn. Dat zijn redelijke Europese vereisten. Als je die niet volgt, zet je de houdbaarheid van beperkingen rond bedrijfsmodellen in de waagschaal. Beperkingsbesluiten, en besluiten om bestaande beperkingen in stand te laten, worden dan aantastbaar wegens tekortschietende procedures. De kans op aantasting van een weloverwogen en onafhankelijk getoetst besluit is veel lager.’