van de nova
uitspraken
Van de tuchtrechter
Recente uitspraken, geselecteerd en bewerkt door de Commissie Disciplinaire Rechtspraak, bestaande uit Tjitske Cieremans, Maurice Mooibroek en Robert Sanders.
Klacht verjaard
- Raad van Discipline Amsterdam, 18 juli 2022, ECLI:
NL: TADRAMS: 2022: 130. - Artikel 46g Advocatenwet.
- Voor het indienen van een klacht geldt een vervaltermijn van drie jaar.
Mrs. X en Y hebben als advocaat in 2014 een feitenonderzoek verricht en een bijbehorend rapport opgesteld. Klager had het betreffende rapport sinds oktober 2015 in zijn bezit. Klager maakt mrs. X en Y in 2019 tuchtrechtelijke verwijten over het rapport.
De raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht. De raad overweegt dat op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar. Deze termijn start op het moment dat de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Het gaat dan om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij de klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij de klager. Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van de vervaltermijn van drie jaar een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
De ratio van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet is volgens de raad dat de rechtszekerheid meebrengt dat een advocaat niet tot in lengte van dagen bedacht hoeft te zijn op tuchtklachten over gedragingen in het verleden. Op deze regel bevat lid 2 van dit artikel een uitzondering voor het geval de gevolgen van het handelen of nalaten van de advocaat pas later bekend zijn geworden. Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van deze termijn verschoonbaar zijn.
Van die bijzondere omstandigheden is volgens de raad geen sprake. In 2015 had klager op basis van de informatie waarover hij via zijn toenmalige advocaat beschikte in combinatie met de inhoud van het rapport al kunnen beoordelen of mrs. X en Y volgens hem de verwijten waren te maken zoals klager nu meent. Dat klager nog geen juridische duiding aan het rapport kon geven, doet daar niet aan af. De informatie waar klager later, in 2018 en 2019, nog kennis van heeft genomen, was volgens de raad niet noodzakelijk om in oktober 2015 een klacht over mrs. X en Y te kunnen formuleren. Klager had zijn klacht over het handelen dan wel nalaten van mrs. X en Y dan ook uiterlijk in oktober 2018 bij de deken moeten indienen. Klager heeft hiermee echter gewacht tot in mei 2019 en toen was de eerdergenoemde vervaltermijn van drie jaar al verlopen.
Onduidelijke hoedanigheid
- Hof van Discipline, 5 augustus 2022, ECLI:
NL: TAHVD: 2022: 131. - Artikel 10a lid 1 sub b Advocatenwet, Gedragsregel 9.
- Onvoldoende duidelijkheid over hoedanigheid als advocaat en als curator van zorgbehoevende
Klacht tegen advocaat wederpartij. Klaagster is een psychiatrische instelling. Mr. X is de curator van haar broer die in een instelling van klaagster is opgenomen. Op enig moment heeft zij een aantal e-mails vanuit haar kantoor-e-mailadres geschreven, waarin zij onder meer dreigt met het indienen van (tucht)klachten jegens betrokken hulpverleners.
Klaagster verwijt mr. X onduidelijk te zijn geweest over haar hoedanigheid, zich onnodig grievend hebben uitgelaten en ten onrechte niet hebben gereageerd op een uitnodiging voor een bemiddelingsgesprek.
De raad acht alle klachten gegrond en waarschuwt mr. X. In beroep overweegt het hof allereerst dat klaagster als instelling in haar klacht kan worden ontvangen. Volgens het hof is klaagster als instelling bij alle klachtonderdelen in een eigen belang getroffen.
Vervolgens overweegt het hof dat mr. X inderdaad onvoldoende duidelijk is geweest over de hoedanigheid waarin zij tegenover klaagster optrad. In die e-mails noemt zij enerzijds haar hoedanigheid als curator, maar vermeldt zij anderzijds in de handtekening eronder dat ze advocaat is. Daarnaast heeft mr. X op een gegeven moment – zonder melding te maken van een wijziging van de hoedanigheid waarin zij optrad – een kort geding aan klaagster aangezegd en heeft zij onder de dreiging van dat kort geding haar correspondentie met klaagster over curandus voortgezet, opnieuw vanuit haar kantoor-e‑mailadres.
De andere klachtonderdelen acht het hof echter niet gegrond. Van onnodig grievende uitlatingen is geen sprake geweest, nu mr. X zich als advocaat mocht opstellen als ‘luis in de pels’, teneinde de belangen van haar cliënt de curandus te beschermen. Dit geldt temeer nu de curandus ten tijde van de verzending van de e-mail op zeer korte termijn uitgezet dreigde te worden, waardoor sprake was van een acute en spoedeisende situatie indien geen juridische actie zou worden ondernomen. De uitnodiging tot een bemiddelingsgesprek is volgens het hof aan mr. X gedaan in haar hoedanigheid als curator. Naar het oordeel van het hof kan de weigering van mr. X om hierop in te gaan niet worden gekwalificeerd als handelen waardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.
Vertrouwelijkheid mediation doorbroken
- Raad van Discipline ’s-Hertogenbosch, 5 september 2022, ECLI:
NL: TADRSHE: 2022: 130. - Artikel 10a lid 1 sub e Advocatenwet, Gedragsregel 3.
- In gerechtelijke procedure overleggen van conceptouderschapsplan, in mediation opgesteld, is ontoelaatbaar.
Mr. X heeft in mediation tussen partijen opgesteld conceptouderschapsplan, waarover partijen geen overeenstemming hadden bereikt, in een gerechtelijke procedure betreffende het gezag en omgang aan de rechtbank overgelegd. Klaagster is de wederpartij van de cliënt van mr. X en dient hierover een klacht in.
De raad acht de klacht gegrond en berispt mr. X. Allereerst geeft de raad enkele algemene overwegingen over de vrijheid van een advocaat om de belangen van zijn cliënt te behartigen. Deze vrijheid is ruim doch niet absoluut. Zo moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
De raad meent dat mr. X de belangen van klaagster nodeloos heeft geschaad. Voor het welslagen van een mediation is de tussen partijen gelden geheimhoudingsplicht van groot belang. Mr. X, die tevens mediator is, mag hiermee bekend worden verondersteld en dient daarnaar te handelen. Mr. X heeft desalniettemin welbewust het tijdens de mediation tussen haar cliënt en klaagster opgesteld conceptouderschapsplan als productie aan het verzoekschrift gehecht. Mr. X heeft ook toen zij op de hoogte was van de over haar ingediende klacht geen aanleiding gezien om de rechtbank te verzoeken het door haar als productie overgelegde conceptouderschapsplan als niet-ingediend te beschouwen.

De rubriek over tuchtrecht is nu ook als podcast te beluisteren. In de maandelijkse ‘tuchtcast’ Passend en geboden bespreken Tjitske Cieremans en Robert Sanders met Erik Jan Bolsius diverse uitspraken. In elke aflevering komen kort een aantal recente tuchtzaken aan bod, belanden twee zaken onder het vergrootglas en wordt een tuchtrechtklassieker afgestoft.
In de eerste aflevering, te vinden op Apple Podcasts en Spotify, bespreken Cieremans en Sanders onder andere vier zaken tegen een voormalig advocaat van de kroongetuige in de Marengo-zaak die de geheimhoudingsplicht schond door de media op te zoeken.