juridisch even opfrissen
Bestuursrechtelijk iets overtreden als grondeigenaar
Bestuursrechtelijk iets overtreden (artikel 5:1 Awb) als grondeigenaar, hoe zit dat ook alweer? En zit (of moet) dat misschien binnenkort anders?
Een klassiek voorbeeld en tegelijkertijd nog altijd een groot maatschappelijk probleem (zeker) in Nederland; gedumpt drugsafval, en voor vergoeding van de kosten tot het opruimen waarvan grondeigenaren maar al te vaak via het bestuursrechtelijke spoor verantwoordelijk worden gehouden (in de regel kostenverhaal na uitoefening van bestuursdwang).
Juridische aanknopingspunten die hiervoor worden gevonden door het bevoegd gezag zijn onder meer schending van milieurechtelijke zorgplichten (logisch, er valt redelijkerwijs te weten dat door drugsafval te dumpen nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan) of ook wel overtreding van het geldende bestemmingsplan (laaghangend handhavingsfruit noem ik die optie maar even, want in een bestemmingsplan staat natuurlijk niet dat (agrarische) gronden mogen worden gebruikt voor het dumpen van drugsafval).
Overtredingen begaan door derden worden en kunnen ook in het bestuursrechtelijke spoor al vrij snel worden toegerekend aan de eigenaar.
Als uitgangspunt geldt dat het in beginsel niet voldoende is dat iemand eigenaar is van een perceel om betrokkenheid bij een overtreding vast te stellen en om die overtreding vervolgens toe te rekenen aan de eigenaar (ECLI:NL:RVS:2022:1436, r.o. 5.1). Desondanks kan op enig moment een extra mate van oplettendheid worden verwacht van de eigenaar. Oplettendheid is te vertalen in het nemen van concrete maatregelen, zodat beter toezicht wordt gehouden ter voorkoming van – in het gegeven voorbeeld – het dumpen van drugs op het betrokken perceel. Wordt toch (of alsnog) drugsafval gedumpt door derden, dan is die overtreding bestuursrechtelijk (functioneel) (mede)gepleegd door de eigenaar, althans vindt toerekening van de overtreding aan de grondeigenaar plaats.
Dit artikel leent zich niet voor opsomming van alle bestuurs(straf)rechtelijke nuances die er zijn. Wel verdient vermelding dat de hiervoor besproken werkelijkheid, waarbij in gevallen ietwat geforceerd wordt gekomen tot overtredingen toegerekend aan grondeigenaren voor handelingen van (vaak onbekende, criminele) derden (zie bijvoorbeeld Gst. 2019/124 en Gst. 2022/105), mogelijk aan verandering onderhevig is. Onlangs heeft staatsraad advocaat-generaal mr. P.J. Wattel kritisch geconcludeerd (ECLI:NL:RVS:2023:579) over de verhouding tussen het overtrederschap in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak en het strafrechtelijke (functionele) daderschap zoals gevormd door enkele Hoge Raad-arresten.
Volgens Wattel moet het strafrechtelijke functionele daderschap zoals volgt uit de IJzerdraad- en Drijfmest-arresten van de strafkamer van de Hoge Raad ook in het bestuursrecht worden toegepast: beschikkingsmacht én aanvaarding door de grondeigenaar is dan vereist om tot vaststelling van een overtreding te komen. En daarvan – en dus van strafrechtelijk functioneel daderschap – is veel minder snel sprake dan van een overtreding via bestuursrechtelijke toerekening. Dus, als de Afdeling bestuursrechtspraak Wattel op enig moment volgt, zal het ‘binnenkort’ inderdaad anders gaan: namelijk toepassing van het strafrechtelijke daderschap bij bestuursrechtelijke punitieve en herstelsancties. En ‘als dat tot maatschappelijk onwenselijke situaties leidt’ (lees: het overheidsbestuur moet alle kosten voor opruiming dragen) dan dient ‘de wetgever zijn verantwoordelijkheid voor adequate wetgeving’ maar te nemen, aldus Wattel. Alsdan zal in ieder geval een einde zijn gekomen aan de nu geldende risicoaansprakelijkheid voor grondeigenaren. Dat door Wattel kennelijk wordt geaccepteerd dat de feitelijke consequenties van de uitkomst van de conclusie verstrekkend zijn voor de handhavingspraktijk, bevestigt in mijn ogen hoe hard we toe zijn aan een bestuursrechtelijke herijking op dit punt.