juridisch opinie

Definitie processtuk kan ook interne OM-notitie omvatten

Het OM dient in beginsel alle stukken waarin wordt beschreven hoe bepaalde opsporingsbevoegdheden worden uitgevoerd aan de verdediging te verstrekken. Ook als het om interne stukken gaat.

Op 16 februari 2021 wees de Hoge Raad een arrest over de reikwijdte van het begrip ‘processtuk’ in de zin van artikel 149a Sv.noot 1 Aan de orde was de vraag of een onderdeel van het OM-journaal waarin de beslissing tot het horen van een getuige is genoteerd, aan het procesdossier moest worden gevoegd. Het gerechtshof overwoog: ‘Vooropgesteld wordt dat het bij dit stuk of deze stukken gaat om naar zijn/hun aard interne stukken die om die reden al in beginsel niet aan het procesdossier behoren te worden gevoegd.’ De Hoge Raad ging daar echter niet in mee en oordeelde: ‘Bepalend is dus niet primair de aard van het stuk, maar de relevantie daarvan voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen.’noot 2

Het OM lijkt hier anders over te denken, getuige de Handleiding verwerking geheimhoudersinformatie aangetroffen in inbeslaggenomen voorwerpen en in digitale bestanden (de ‘Handleiding’) die in het kader van het kort geding van Stibbe tegen de Staat is gedeeld. Het OM was, zoals volgt uit de bijdragen van mrs. Rosing en Winkels op bijzonderstrafrecht.nl, van oordeel dat de Handleiding niet gedeeld hoefde te worden, onder meer nu die inzage zou kunnen geven in de handelwijze van opsporingsambtenaren en het OM.noot 3 Ook in de strafzaken waarbij onderschepte EncroChat- en Sky-ECC-berichten van belang zijn, wordt de tussen Nederland, Frankrijk en België gesloten Joint Investigation Team (‘JIT’)-overeenkomst onder meer geweigerd omdat dit een intern stuk van de met opsporing en vervolging belaste organisaties zou zijn, dat daarom niet aan het procesdossier hoeft te worden gevoegd.noot 4

Dat een document een intern stuk is, is naar onze mening irrelevant voor de vraag of het stuk moet worden toegevoegd aan het strafdossier. Gelet op de procedure over het verstrekken van de Handleiding is er daarnaast ook alle reden om de opstelling van het OM kritisch te beschouwen.

Of een stuk aan de processtukken dient te worden gevoegd, werd tot 1 januari 2013 bepaald aan de hand van het relevantiecriterium uit de Dev Sol-jurisprudentie: ‘[i]n het dossier dienen te worden gevoegd stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin’.noot 5 Daarnaast hanteerde de Hoge Raad een tweede categorie van stukken die niet op voorhand aan te merken zijn als processtukken, maar die in beginsel aan het procesdossier dienen te worden gevoegd indien deze van belang zijn voor de beoordeling van ‘de betrouwbaarheid of de rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel’.noot 6

Per 1 januari 2013 is de definitie van ‘processtuk’ vastgelegd in artikel 149a, lid 2 Sv: ‘Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b.’ Daarbij wordt aangehaakt bij het relevantiecriterium uit de Dev Sol-jurisprudentie.noot 7 Toch wordt aangenomen dat onder artikel 149a Sv meer stukken dan voorheen als processtukken dienen te worden aangemerkt (en dit artikel gaat daarmee nog verder dan bovenstaande uitbreiding van de Hoge Raad). Stukken die van belang zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van het verkrijgen van bewijs zijn immers ook redelijkerwijs van belang voor de ter terechtzitting te nemen beslissingen (zowel in het kader van de eerste vraag van artikel 350 Sv, als in het kader van een eventueel verweer op grond van artikel 359a Sv).noot 8

De wijze waarop het OM de stukken aanmerkt, is daarbij niet van belang, zoals ook volgt uit voornoemd arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2021. Waar het om gaat, is of de stukken redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de ter terechtzitting te nemen beslissingen. Interne stukken die inzage geven in de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan wettelijke opsporingsbevoegdheden, zoals de Handleiding, vallen daar ook onder, nu hieruit al kan volgen of alle wettelijke waarborgen in acht zijn genomen. Dit dient in ieder geval te gelden voor de stukken die bij de verdediging bekend zijn. We zien echter niet in waarom het OM niet alle stukken waarin wordt beschreven hoe bepaalde opsporingsbevoegdheden worden uitgevoerd aan de verdediging verstrekt. De inhoud van de Handleiding en het aanvankelijk weigeren deze te verstrekken, hebben niet bepaald bijgedragen tot het vertrouwen dat de werkwijze van het OM geen nadere controle behoeft. Uiteraard geldt hierbij de ondergrens dat het OM geen tactische informatie hoeft te delen die de opsporing van strafbare feiten in de toekomst zou kunnen belemmeren.

Interne stukken van het OM of opsporingsdiensten die een beschrijving inhouden van de wijze waarop opsporingsbevoegdheden worden uitgevoerd, dienen dan ook openbaar te worden gemaakt en in ieder geval met de advocaten van verdachten te worden gedeeld, in wier dossier de uiteindelijke resultaten van het toepassen van deze opsporingsbevoegdheden zijn gevoegd.

Inmiddels heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat toekomstige versie(s) van de Handleiding openbaar gemaakt dienen te worden.noot 9 Het OM heeft daarop aangegeven dat de aangepaste Handleiding in de vorm van een Aanwijzing gepubliceerd zal worden.noot 10 In de tussentijd is een voorlopig beleid gepubliceerd.noot 11 De kwestie betreffende de Handleiding lijkt daarmee te zijn opgelost. Dat geldt vooralsnog niet voor de overige stukken die voldoen aan het relevantiecriterium maar waarvan de voeging, gelet op de beweerdelijke aard daarvan als intern (beleids)stuk, nog steeds wordt geweigerd. Zo zijn eerdergenoemde JIT-overeenkomsten tot op heden niet gedeeld, hoewel er gelet op het doel van een dergelijke overeenkomst voldoende aanwijzingen zijn dat deze voldoet aan het relevantiecriterium. Artikel 5.2.1, lid 3 Sv bepaalt immers dat in de JIT-overeenkomst ‘in ieder geval (…) de door Nederlandse ambtenaren op buitenlands grondgebied en de door buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied uit te oefenen opsporingsbevoegdheden’ worden vastgelegd. Bovendien volgt uit de wetsgeschiedenis dat de JIT-overeenkomst juist dient te bevordering van de interne en externe transparantie en aan het strafdossier dient te worden gevoegd om ‘inzicht te bieden in de wijze waarop het strafrechtelijke onderzoek is uitgevoerd’.noot 12

Diederik van Omme en Casper van Weerd zijn advocaat bij Hendrix Law in Amsterdam.

Noten

  1. Hoge Raad 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218, NJ 2021/235, m.nt. Reijntjes.

  2. Ibid., r.o. 2.4. Overigens vernietigde de Hoge Raad het arrest niet, nu het gerechtshof het verzoek ook had afgewezen omdat de inzage van het verzochte stuk niet noodzakelijk zou zijn.

  3. Zie hiervoor https://www.bijzonderstrafrecht.nl/home/over-de-niet-langer-geheime-maar-onrechtmatige-werkwijze-van-het-om-amp-de-fiod-bij-het-vorderen-van-e-mails-in-strafzaken en Over de geheime en onrechtmatige werkwijze van het OM & de Fiod bij het vorderen van e-mails in strafzaken — BijzonderStrafrecht.nl. Het OM meent volgens de auteurs tevens dat de Handleiding niet gedeeld hoefde te worden om te voorkomen dat de opsporing van strafbare feiten zou kunnen worden gefrustreerd. Aan de hand van de Handleiding valt echter niet in te zien hoe dit zou kunnen. De Handleiding beschrijft alleen hoe om wordt gegaan met verschoningsgerechtigde informatie die reeds is verkregen (en geeft bijvoorbeeld geen tactische informatie bloot). De in de Handleiding beschreven werkwijze levert bovendien een inbreuk op het verschoningsrecht op. Op 22 maart 2022 oordeelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant daarom mede aan de hand van de Handleiding dat het verschoningsrecht van de betrokken advocaten is geschonden. Zie hiervoor Rb. Oost-Brabant 22 maart 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:1035.

  4. Zie bijvoorbeeld Rb. Noord-Holland 23 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:6213, r.o. 2.5 en Rb. Amsterdam 20 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2791.

  5. HR 7 mei 1996, NJ 1996, 687 m.nt. Schalken.

  6. Zie ook M.J. Borgers, ‘Processtukken’, DD 2014, 1., p. 9-10.

  7. Kamerstukken II 2009/10, 32468, nr. 3, p. 16.

  8. Zie onder meer M.J. Borgers, ‘Processtukken’, DD 2014, 1., p. 10-11. Dit volgt ook uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2009/10, 32468, nr. 3, p. 16): ‘Het gaat daarbij niet alleen om belastende of ontlastende stukken in het kader van het bewijs van het ten laste gelegde feit, maar ook bijvoorbeeld om stukken die van belang kunnen zijn voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, de controle op de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek of de straftoemeting.’

  9. Rb. Oost-Brabant 22 maart 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:1035, r.o. 4.30 en 5.7.

  10. https://www.om.nl/actueel/nieuws/2022/04/15/hoger-beroep-om-in-verschoningsrechtzaak.

  11. https://www.om.nl/documenten/richtlijnen/2022/04/19/voorlopig-beleid-uitspraak-kort-geding-verschoningsrecht.

  12. Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 351, nr. 3, p. 8: ‘Naar aanleiding van de opmerkingen van de NVvR inzake de rol en de status van de schriftelijke overeenkomst merken wij op dat de schriftelijke overeenkomst ertoe strekt de interne en externe transparantie te bevorderen. Intern door de afspraken tussen de deelnemende lidstaten helder vast te leggen en extern doordat de overeenkomst in het strafdossier wordt gevoegd en aldus inzicht biedt in de wijze waarop het strafrechtelijke onderzoek is uitgevoerd.’ Overigens lijkt het grootste obstakel voor de verdediging bij het verkrijgen van de JIT-overeenkomst te zijn gelegen in het argument dat de JIT-overeenkomst op basis van het interstatelijke vertrouwensbeginsel niet aan het procesdossier hoeft te worden gevoegd. Zie Rb. Amsterdam 18 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4257.